We zijn tamelijk gewend aan de gedachte dat de mens een pelgrim is.
We spreken over de mens als een aardse pelgrim en soms, als we het over
de ziel hebben, als een hemelse pelgrim, maar zelden horen we hem een
kosmische pelgrim noemen.
Orthodoxe westerse godsdiensten hebben de gewoonte de kosmos te vergeten!
Men stelt zich de ziel voor op haar pelgrimstocht uit zonde en duisternis
naar vrijheid, zuiverheid en eeuwig licht in God. Maar waar is die God?
Is die niet in het hart van elk wezen en van elk atoom dat helpt die
kosmos te vormen? De zon die straalt aan onze hemel, samen met andere
zonnen die wij als sterren zien – zijn dat niet eenvoudig reusachtige
stromen van zijn bewustzijn die zich in de zichtbare wereld uitstorten?
Zijn zij niet ware ‘zonen van God’ die trouw en
gedurende levensperioden van vele heelallen een pelgrimstocht hebben
gemaakt, totdat ze een open poort zijn geworden naar de eeuwige Aanwezigheid,
en in staat zijn om zonnestelsels van planeten te onderhouden? En bestaan
de planeten zelf ook niet uit levende wezens van allerlei graad, die
deelhebben aan dezelfde natuur? Met hetzelfde goddelijke vuur in hun
eigen hart zijn ze niet anders dan jongere pelgrims, die leven, bewegen
en hun bestaan hebben in de essentie van oudere en machtiger wezens,
en deze machtige wezens leven op hun beurt in nog machtiger, die wij
mensen zelfs niet als sterren kunnen waarnemen!
De ware zon, het spirituele wezen dat de werkelijke zon is,
woont in een ander heelal. Wat wij zien als de zon is alleen het gevolg
of de weerspiegeling op ons materiële gebied van het kosmische
leven. Zijn ware zelf leeft op het goddelijke gebied van de kosmos,
in het spirituele heelal dat de wortel is van het stoffelijke. ‘In
het huis van mijn vader zijn vele woningen’: de kosmos is het
huis van de Vader dat vele woningen bevat.
Onze pelgrimstocht heeft tot doel het bewustzijn te ontwikkelen. We
hebben in ons punten van bewustzijn, centra van leven, die corresponderen
met elke woning in het kosmische huis, het thuis van de onkenbare goddelijke
geest en zijn kinderen; en het doel van de lange evolutionaire worsteling
is het openleggen van deze punten van bewustzijn en leven, die sterk
verschillen van het leven en het soort denken en voelen waarvan we ons
in ons huidige stadium van groei bewust zijn. We bezitten alle centra
van zijn omdat wij mensen zijn ontstaan uit de spirituele kosmos, voortgekomen
uit het hart ervan, geweven uit zijn vele stoffen, zoals het zich openbaart
op gebieden die reiken van de hoogste geest tot de dichtste materie.
Ook is de huidige levensperiode van de aarde voor de individuele mens
of de mensheid als geheel niet het begin van onze pelgrimstocht. We
zijn kinderen uit het Vaderlijk huis, vanaf eeuwigheden in het verleden
tot eeuwigheden in de toekomst. De aarde zelf is ook een kind van de
Vader, en de zichtbare planeet is haar stoffelijk lichaam. Ze heeft
enorm lange perioden van leven en activiteit en gaat dan voor lange
perioden van rust over in wat we dood noemen.
In een lang vervlogen leven van de aarde, toen ons bewustzijn zich
tot het stadium had ontwikkeld dat we ons tot uitdrukking konden brengen
in het mineralenrijk, konden we de uiterlijke wereld slechts vormen
en gewaarworden via een kleine groep minerale cellen. We waren de substantie
van stenen, aarde en planten, en fonkelden en schitterden waarschijnlijk
onder de edelstenen in de colliers van voorname vrouwen – want
toen zal er, net als nu, een ‘mensen’rijk hebben bestaan,
dat ons nu nog steeds even ver vooruit is en misschien als zonnen en
planeten aan de hemel heerst.
Toen Moeder Aarde die levenscyclus had beëindigd waarin we mineralen
waren, viel ze in slaap en nam ze alle rijken van de natuur waaruit
ze bestond met zich mee. Waar eens een volledige planeet was, met continenten
en zeeën, mensen en dieren, die zich voortbewoog in de ruimte,
daar was nu schijnbaar geen planeet – de ‘dauwdruppel was
in de glanzende zee gegleden’ – maar stilte en mysterie,
een diepe spirituele slaap die zo lang duurde dat ze voor ons ‘eeuwig’
leek. Maar dat was niet zo, want opnieuw sloeg de dauwdruppel neer in
het tastbare bestaan, zoals vocht condenseert op een grashalm, en stroomden
wij en alle natuurrijken binnen in gemanifesteerd bestaan, en bouwden
we geleidelijk het volledige planetaire leven weer op. Maar ditmaal
bevonden we ons op een hoger niveau. Onze ervaring als mineralen had
ons in staat gesteld meer van onze latente vermogens en een actiever
bewustzijn tevoorschijn te brengen, zodat we ons konden manifesteren
in de vrijere en actievere wereld van de planten. Na nog weer een lange
levens- en rustperiode van onze eigen aarde, openden we een nieuwe deur
van het bewustzijn door ervaringen op te doen in het dierenleven.
Het is niet altijd zo dat een groep levende wezens een hele planetaire
levensduur nodig heeft om zich door een natuurrijk heen te werken; die
perioden kunnen heel verschillend zijn. Ook kunnen individuele wezens
binnen een natuurrijk meer of minder tijd nodig hebben dan de rest van
de groep. Maar na een planetaire slaap worden ze toch alle wakker in
hun eigen speciale stadium en gaan ze vanaf dat punt verder –
en zo ontstaat het prachtige spiraalpatroon van de evolutie.
Als het bewustzijn zich tot het menselijke uitbreidt, is er kennelijk
een veel gecompliceerder lichaam nodig. Onze prachtige hersenen en zenuwstelsel
vloeien voort uit de dringende behoefte van de geest in ons om met de
wereld van de stof in aanraking te komen en daarop invloed uit te oefenen.
Dan ontwaakt het zelfbewuste verlangen onze goddelijke bron terug te
vinden, in een zelfgeleide pelgrimstocht die op een doel is gericht.
Nu moet worden geprobeerd het spirituele potentieel naar buiten te
brengen en de sfeer daarvan te verwerkelijken in de gewone gang van
het dagelijks gebeuren. Als een voldoende aantal mensen dit zou kunnen
doen, dan zou onze toestand radicaal veranderen. Er wordt gezegd dat
het einde van de tegenwoordige belichaming van onze aarde mensen te
zien zal geven die in lichamen van licht functioneren, in plaats van
in onze vaste, stoffelijke vormen. Tegen die tijd zal ons bewustzijn
wereldomvattend zijn – we zullen daadwerkelijk het bewustzijn
van andere wereldbollen en natuurrijken ervaren. Alles zal nieuw zijn.
‘Wij zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’
(2 Petrus 3:13).
De godheden die de zon en de sterren bezielen zijn zich vermoedelijk
van ons als afzonderlijke mensen niet bewust, maar wel horen ze de roep
van alle levende wezens in hun eigen heelallen en zenden ze onafgebroken
stromen van helpende invloeden uit. Het is aan ons om goede ontvangstations
te worden en die invloeden op te nemen. Ze worden getransformeerd langs
heilige kanalen, verheven wezens, die dichter bij onze eigen sfeer van
denken staan dan de zon zelf, want om ze te absorberen moeten ze een
vorm aannemen die voor ons denken vertrouwder is.
Deze spirituele schoonheid achter het heelal is in werkelijkheid niet
zover weg. Een van deze verheven wezens vormt de kern van het wezen
van elke man, elke vrouw en elk kind in de wereld. Zij zijn ook kosmische
pelgrims maar zijn het menselijk stadium ver voorbij. De persoonlijke
menselijke entiteiten zijn hun kinderen, die zij inspireren en leiden
als het van binnen stil wordt en ze hun gang kunnen gaan. ‘Staak
de strijd en erken dat ik God ben’ (Psalmen 46:11).
Een- of tweemaal in mijn eigen leven gebeurde er iets dat mijn gewone
denken opzij zette en een deur op een kier opende voor een volkomen
andere soort kennis, een zeer aantrekkelijke en bevredigende vorm van
kennis. In die zeldzame momenten weet men dat zelfs het meest
pijnlijke en ellendige aardse leven de moeite waard is, gezien de vreugde
en stralende schoonheid die erna en ervoor komen en eigenlijk
het geheel omgeven. In mijn geval kan het niet meer zijn geweest dan
een flauw en zwak doorsijpelen in het alledaagse denken van de aanwezigheid
van andere dimensies, maar ik kan iedereen verzekeren dat het een verrassende
werkelijkheid was en een sfeer van spirituele gezondheid en heelheid
ademde.
Wat het probleem betreft van het bestaan van kwaad en ellende, is de
theosofische verklaring voor mij de meest bevredigende. Wij mensen kunnen
in onze huidige toestand van het aardse bestaan maar een heel kleine
doorsnede zien en voelen van het kosmische leven en de ontwikkeling.
Er bestaat stof die een miljoenmaal dichter en grover is dan wat ooit
in onze laboratoria is gezien, en de werelden die uit deze stof bestaan
en de wezens die deze werelden vormen en erin leven zijn even grof en
vast van aard. Er is ook materie die een miljoenmaal fijner en spiritueler
is dan wat wij ooit hebben gezien, en de wezens en werelden die uit
deze subtiele stof bestaan zijn de goden en de spirituele woningen waarin
wij nog niet zijn geëvolueerd. De hele kosmos bestaat uit levende,
groeiende wezens, met een ontwikkelingsgang die eindeloos is, zowel
naar achteren als naar voren, zodat ze altijd zicht hebben op nieuwe
gebieden van bewustzijn. Er zal altijd ‘goed’ en ‘kwaad’
zijn, omdat er altijd wezens nakomen die relatief minder ontwikkeld
zijn.
Vreemd genoeg is het slechts tijdens die eeuwenlange periode van wat
wij de ‘dood’ van de werelden noemen, dat volmaaktheid wordt
benaderd, want dan gaan alle wezens en dingen het spirituele hart van
het Zijn binnen waar volmaaktheid heerst. Zodra er ook maar even sprake
is van vormen, is er onvolmaaktheid, want vorm betekent beperking. Probeer
u eens een voorstelling te vormen van alle eigenschappen die in het
oneindige zijn vervat, zelfs in de stralende vorm van een zo machtig
wezen als onze levenschenkende zon! Dit schitterende wezen is niet meer
dan een tijdelijke kristallisatie van enkele aspecten van de
oneindigheid; maar als wij het bewustzijn ervan konden vatten
dan zou het onze stoutste dromen van opperste volmaaktheid verre te
boven gaan. Er ligt altijd iets achter – het oneindige kan zich
nooit volledig openbaren.
Ieder individueel mens is zo gevarieerd en veelomvattend, en heeft
in zijn vroegere incarnaties zoveel verschillende levenssferen aangetrokken
en beïnvloed – vaak op nadelige wijze door zijn betrekkelijke
onwetendheid en gebrek aan ontwikkeling – dat hij daardoor een
uitgebreid netwerk van reacties van de rest van de natuur en de mensheid
deed ontstaan en om zichzelf een ingewikkeld weefsel van het lot heeft
gevormd. In onze blinde afdaling in de stof zijn we onverstandig en
onachtzaam omgegaan met het levende materiaal van het heelal, spiritueel
zowel als stoffelijk, en de reactie daarvan in onze richting veroorzaakt
wat we lijden noemen. De harmonie moet worden hersteld. We moeten leren
meewerken met ons karma, een buitengewoon moeilijke opgave, want het
betekent dat we alle tegenslagen van het leven aanvaarden en intussen
rustig aan het werk gaan om onze spirituele instelling, onze wijze van
denken te veranderen. Door voortdurend de hulp te zoeken van de intuïtie
achter het verstandelijke denken, een hulp die het hoger zelf ons geeft,
leren we hoe we haar wijsheid kunnen toepassen en er van uur tot uur
in kunnen leven, terwijl de pijn en de spanningen van het dagelijks
bestaan over ons komen.
Er moeten heel veel pijnlijke lessen worden geleerd. Lichaamskracht
en welzijn, succes, prettige gezinsomstandigheden en andere dingen hebben
we ten onrechte aangezien voor het grootste goed, en we wisten weinig
van wat werkelijk in ons is. We moeten de grootsheid gaan beseffen van
onze eigen bestemming en van de krachten waarmee we op ons dagelijks
pad te maken hebben. We moeten leren dat de dingen die we zo op prijs
stellen ten dele de steeds wisselende verschijningsvormen van de uiterlijke
bekleedselen van ons wezen zijn en gedeeltelijk het eveneens steeds
veranderende toneel van onze reis – de prins van dit leven kan
de bedelaar zijn in het volgende. Ze komen en gaan als de getijden van
de zee, want onze kosmische weg gaat door alle ervaringen.
We moeten het vermogen ontwikkelen er innerlijk boven te staan, terwijl
we intussen uiterlijk onze volle plicht doen. Veel van onze verwarring
is het gevolg van de ondoelmatigheid waarmee we tegenwoordig omgaan
met onze situatie in de kosmos en veel daarvan komt voort uit onbekendheid
met onze ware natuur.
Religies kunnen helpen als ze goed worden begrepen. De wereldgodsdiensten
zijn van oorsprong een dynamische spirituele poging om invloed uit te
oefenen op het bewustzijn van de mens. Als we proberen hun leringen
te volgen is dat de eerste oefening om de emoties en het denken te beheersen
en ons geleidelijk te bevrijden van ons intens opgaan in materiële
zaken. Maar bij de studie van een godsdienst moeten we voorzichtig te
werk gaan en ons onderscheidingsvermogen gebruiken, want zonder uitzondering
hebben ze in de loop van de eeuwen alle sterk geleden door verminkingen,
verkeerde vertalingen en wanbegrip.
Het schijnt dat we in deze tijd spiritueel volkomen aan onszelf zijn
overgelaten, maar dat is grotendeels een illusie. De krachten van het
licht zijn altijd voor ons aan het werk, maar we moeten volledig meewerken,
anders is hulp nooit doeltreffend. Als we teveel gesteund worden, zijn
we nooit van enige waarde als levende krachten. Het initiatief ligt
bij ons.
Enkele regels van Rabindranath Tagore zijn hier op hun plaats:
Laat mij niet bidden om bescherming tegen gevaren
maar om ze onbevreesd tegemoet te treden.
Laat mij niet vragen om verzachting van mijn pijn
maar om die moed die haar kan doorstaan.
Laat mij niet uitzien naar helpers op het slagveld
van het leven maar naar mijn eigen kracht.
Laat mij niet in angstige vrees smeken om redding
maar hopen op geduld mijn vrijheid te vinden.
Geef mij dat ik geen lafaard ben en alleen in voorspoed
uw genade voel; maar laat mij als ik faal uw handdruk voelen. –
Fruit-Gathering, 79
Ons leven is een daad van inkeer. Of we ons ervan bewust zijn of niet,
of we het prettig vinden of niet, iedere daad en gedachte, het aannemen
van een geesteshouding, is een mystieke daad van inkeer, en trekt ongeziene
krachten aan die ons helpen of doen ondergaan; daarom is de plaats die
wij innemen er een van onmetelijke kracht en mogelijkheden, zelfs nu.