De mens, een kosmische pelgrim
Marjorie Hall

 

We zijn tamelijk gewend aan de gedachte dat de mens een pelgrim is. We spreken over de mens als een aardse pelgrim en soms, als we het over de ziel hebben, als een hemelse pelgrim, maar zelden horen we hem een kosmische pelgrim noemen.

Orthodoxe westerse godsdiensten hebben de gewoonte de kosmos te vergeten! Men stelt zich de ziel voor op haar pelgrimstocht uit zonde en duisternis naar vrijheid, zuiverheid en eeuwig licht in God. Maar waar is die God? Is die niet in het hart van elk wezen en van elk atoom dat helpt die kosmos te vormen? De zon die straalt aan onze hemel, samen met andere zonnen die wij als sterren zien – zijn dat niet eenvoudig reusachtige stromen van zijn bewustzijn die zich in de zichtbare wereld uitstorten? Zijn zij niet ware ‘zonen van God’ die trouw en gedurende levensperioden van vele heelallen een pelgrimstocht hebben gemaakt, totdat ze een open poort zijn geworden naar de eeuwige Aanwezigheid, en in staat zijn om zonnestelsels van planeten te onderhouden? En bestaan de planeten zelf ook niet uit levende wezens van allerlei graad, die deelhebben aan dezelfde natuur? Met hetzelfde goddelijke vuur in hun eigen hart zijn ze niet anders dan jongere pelgrims, die leven, bewegen en hun bestaan hebben in de essentie van oudere en machtiger wezens, en deze machtige wezens leven op hun beurt in nog machtiger, die wij mensen zelfs niet als sterren kunnen waarnemen!

De ware zon, het spirituele wezen dat de werkelijke zon is, woont in een ander heelal. Wat wij zien als de zon is alleen het gevolg of de weerspiegeling op ons materiële gebied van het kosmische leven. Zijn ware zelf leeft op het goddelijke gebied van de kosmos, in het spirituele heelal dat de wortel is van het stoffelijke. ‘In het huis van mijn vader zijn vele woningen’: de kosmos is het huis van de Vader dat vele woningen bevat.

Onze pelgrimstocht heeft tot doel het bewustzijn te ontwikkelen. We hebben in ons punten van bewustzijn, centra van leven, die corresponderen met elke woning in het kosmische huis, het thuis van de onkenbare goddelijke geest en zijn kinderen; en het doel van de lange evolutionaire worsteling is het openleggen van deze punten van bewustzijn en leven, die sterk verschillen van het leven en het soort denken en voelen waarvan we ons in ons huidige stadium van groei bewust zijn. We bezitten alle centra van zijn omdat wij mensen zijn ontstaan uit de spirituele kosmos, voortgekomen uit het hart ervan, geweven uit zijn vele stoffen, zoals het zich openbaart op gebieden die reiken van de hoogste geest tot de dichtste materie.

Ook is de huidige levensperiode van de aarde voor de individuele mens of de mensheid als geheel niet het begin van onze pelgrimstocht. We zijn kinderen uit het Vaderlijk huis, vanaf eeuwigheden in het verleden tot eeuwigheden in de toekomst. De aarde zelf is ook een kind van de Vader, en de zichtbare planeet is haar stoffelijk lichaam. Ze heeft enorm lange perioden van leven en activiteit en gaat dan voor lange perioden van rust over in wat we dood noemen.

In een lang vervlogen leven van de aarde, toen ons bewustzijn zich tot het stadium had ontwikkeld dat we ons tot uitdrukking konden brengen in het mineralenrijk, konden we de uiterlijke wereld slechts vormen en gewaarworden via een kleine groep minerale cellen. We waren de substantie van stenen, aarde en planten, en fonkelden en schitterden waarschijnlijk onder de edelstenen in de colliers van voorname vrouwen – want toen zal er, net als nu, een ‘mensen’rijk hebben bestaan, dat ons nu nog steeds even ver vooruit is en misschien als zonnen en planeten aan de hemel heerst.

Toen Moeder Aarde die levenscyclus had beëindigd waarin we mineralen waren, viel ze in slaap en nam ze alle rijken van de natuur waaruit ze bestond met zich mee. Waar eens een volledige planeet was, met continenten en zeeën, mensen en dieren, die zich voortbewoog in de ruimte, daar was nu schijnbaar geen planeet – de ‘dauwdruppel was in de glanzende zee gegleden’ – maar stilte en mysterie, een diepe spirituele slaap die zo lang duurde dat ze voor ons ‘eeuwig’ leek. Maar dat was niet zo, want opnieuw sloeg de dauwdruppel neer in het tastbare bestaan, zoals vocht condenseert op een grashalm, en stroomden wij en alle natuurrijken binnen in gemanifesteerd bestaan, en bouwden we geleidelijk het volledige planetaire leven weer op. Maar ditmaal bevonden we ons op een hoger niveau. Onze ervaring als mineralen had ons in staat gesteld meer van onze latente vermogens en een actiever bewustzijn tevoorschijn te brengen, zodat we ons konden manifesteren in de vrijere en actievere wereld van de planten. Na nog weer een lange levens- en rustperiode van onze eigen aarde, openden we een nieuwe deur van het bewustzijn door ervaringen op te doen in het dierenleven.

Het is niet altijd zo dat een groep levende wezens een hele planetaire levensduur nodig heeft om zich door een natuurrijk heen te werken; die perioden kunnen heel verschillend zijn. Ook kunnen individuele wezens binnen een natuurrijk meer of minder tijd nodig hebben dan de rest van de groep. Maar na een planetaire slaap worden ze toch alle wakker in hun eigen speciale stadium en gaan ze vanaf dat punt verder – en zo ontstaat het prachtige spiraalpatroon van de evolutie.

Als het bewustzijn zich tot het menselijke uitbreidt, is er kennelijk een veel gecompliceerder lichaam nodig. Onze prachtige hersenen en zenuwstelsel vloeien voort uit de dringende behoefte van de geest in ons om met de wereld van de stof in aanraking te komen en daarop invloed uit te oefenen. Dan ontwaakt het zelfbewuste verlangen onze goddelijke bron terug te vinden, in een zelfgeleide pelgrimstocht die op een doel is gericht.

Nu moet worden geprobeerd het spirituele potentieel naar buiten te brengen en de sfeer daarvan te verwerkelijken in de gewone gang van het dagelijks gebeuren. Als een voldoende aantal mensen dit zou kunnen doen, dan zou onze toestand radicaal veranderen. Er wordt gezegd dat het einde van de tegenwoordige belichaming van onze aarde mensen te zien zal geven die in lichamen van licht functioneren, in plaats van in onze vaste, stoffelijke vormen. Tegen die tijd zal ons bewustzijn wereldomvattend zijn – we zullen daadwerkelijk het bewustzijn van andere wereldbollen en natuurrijken ervaren. Alles zal nieuw zijn. ‘Wij zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ (2 Petrus 3:13).

De godheden die de zon en de sterren bezielen zijn zich vermoedelijk van ons als afzonderlijke mensen niet bewust, maar wel horen ze de roep van alle levende wezens in hun eigen heelallen en zenden ze onafgebroken stromen van helpende invloeden uit. Het is aan ons om goede ontvangstations te worden en die invloeden op te nemen. Ze worden getransformeerd langs heilige kanalen, verheven wezens, die dichter bij onze eigen sfeer van denken staan dan de zon zelf, want om ze te absorberen moeten ze een vorm aannemen die voor ons denken vertrouwder is.

Deze spirituele schoonheid achter het heelal is in werkelijkheid niet zover weg. Een van deze verheven wezens vormt de kern van het wezen van elke man, elke vrouw en elk kind in de wereld. Zij zijn ook kosmische pelgrims maar zijn het menselijk stadium ver voorbij. De persoonlijke menselijke entiteiten zijn hun kinderen, die zij inspireren en leiden als het van binnen stil wordt en ze hun gang kunnen gaan. ‘Staak de strijd en erken dat ik God ben’ (Psalmen 46:11).

Een- of tweemaal in mijn eigen leven gebeurde er iets dat mijn gewone denken opzij zette en een deur op een kier opende voor een volkomen andere soort kennis, een zeer aantrekkelijke en bevredigende vorm van kennis. In die zeldzame momenten weet men dat zelfs het meest pijnlijke en ellendige aardse leven de moeite waard is, gezien de vreugde en stralende schoonheid die erna en ervoor komen en eigenlijk het geheel omgeven. In mijn geval kan het niet meer zijn geweest dan een flauw en zwak doorsijpelen in het alledaagse denken van de aanwezigheid van andere dimensies, maar ik kan iedereen verzekeren dat het een verrassende werkelijkheid was en een sfeer van spirituele gezondheid en heelheid ademde.

Wat het probleem betreft van het bestaan van kwaad en ellende, is de theosofische verklaring voor mij de meest bevredigende. Wij mensen kunnen in onze huidige toestand van het aardse bestaan maar een heel kleine doorsnede zien en voelen van het kosmische leven en de ontwikkeling. Er bestaat stof die een miljoenmaal dichter en grover is dan wat ooit in onze laboratoria is gezien, en de werelden die uit deze stof bestaan en de wezens die deze werelden vormen en erin leven zijn even grof en vast van aard. Er is ook materie die een miljoenmaal fijner en spiritueler is dan wat wij ooit hebben gezien, en de wezens en werelden die uit deze subtiele stof bestaan zijn de goden en de spirituele woningen waarin wij nog niet zijn geëvolueerd. De hele kosmos bestaat uit levende, groeiende wezens, met een ontwikkelingsgang die eindeloos is, zowel naar achteren als naar voren, zodat ze altijd zicht hebben op nieuwe gebieden van bewustzijn. Er zal altijd ‘goed’ en ‘kwaad’ zijn, omdat er altijd wezens nakomen die relatief minder ontwikkeld zijn.

Vreemd genoeg is het slechts tijdens die eeuwenlange periode van wat wij de ‘dood’ van de werelden noemen, dat volmaaktheid wordt benaderd, want dan gaan alle wezens en dingen het spirituele hart van het Zijn binnen waar volmaaktheid heerst. Zodra er ook maar even sprake is van vormen, is er onvolmaaktheid, want vorm betekent beperking. Probeer u eens een voorstelling te vormen van alle eigenschappen die in het oneindige zijn vervat, zelfs in de stralende vorm van een zo machtig wezen als onze levenschenkende zon! Dit schitterende wezen is niet meer dan een tijdelijke kristallisatie van enkele aspecten van de oneindigheid; maar als wij het bewustzijn ervan konden vatten dan zou het onze stoutste dromen van opperste volmaaktheid verre te boven gaan. Er ligt altijd iets achter – het oneindige kan zich nooit volledig openbaren.

Ieder individueel mens is zo gevarieerd en veelomvattend, en heeft in zijn vroegere incarnaties zoveel verschillende levenssferen aangetrokken en beïnvloed – vaak op nadelige wijze door zijn betrekkelijke onwetendheid en gebrek aan ontwikkeling – dat hij daardoor een uitgebreid netwerk van reacties van de rest van de natuur en de mensheid deed ontstaan en om zichzelf een ingewikkeld weefsel van het lot heeft gevormd. In onze blinde afdaling in de stof zijn we onverstandig en onachtzaam omgegaan met het levende materiaal van het heelal, spiritueel zowel als stoffelijk, en de reactie daarvan in onze richting veroorzaakt wat we lijden noemen. De harmonie moet worden hersteld. We moeten leren meewerken met ons karma, een buitengewoon moeilijke opgave, want het betekent dat we alle tegenslagen van het leven aanvaarden en intussen rustig aan het werk gaan om onze spirituele instelling, onze wijze van denken te veranderen. Door voortdurend de hulp te zoeken van de intuïtie achter het verstandelijke denken, een hulp die het hoger zelf ons geeft, leren we hoe we haar wijsheid kunnen toepassen en er van uur tot uur in kunnen leven, terwijl de pijn en de spanningen van het dagelijks bestaan over ons komen.

Er moeten heel veel pijnlijke lessen worden geleerd. Lichaamskracht en welzijn, succes, prettige gezinsomstandigheden en andere dingen hebben we ten onrechte aangezien voor het grootste goed, en we wisten weinig van wat werkelijk in ons is. We moeten de grootsheid gaan beseffen van onze eigen bestemming en van de krachten waarmee we op ons dagelijks pad te maken hebben. We moeten leren dat de dingen die we zo op prijs stellen ten dele de steeds wisselende verschijningsvormen van de uiterlijke bekleedselen van ons wezen zijn en gedeeltelijk het eveneens steeds veranderende toneel van onze reis – de prins van dit leven kan de bedelaar zijn in het volgende. Ze komen en gaan als de getijden van de zee, want onze kosmische weg gaat door alle ervaringen. We moeten het vermogen ontwikkelen er innerlijk boven te staan, terwijl we intussen uiterlijk onze volle plicht doen. Veel van onze verwarring is het gevolg van de ondoelmatigheid waarmee we tegenwoordig omgaan met onze situatie in de kosmos en veel daarvan komt voort uit onbekendheid met onze ware natuur.

Religies kunnen helpen als ze goed worden begrepen. De wereldgodsdiensten zijn van oorsprong een dynamische spirituele poging om invloed uit te oefenen op het bewustzijn van de mens. Als we proberen hun leringen te volgen is dat de eerste oefening om de emoties en het denken te beheersen en ons geleidelijk te bevrijden van ons intens opgaan in materiële zaken. Maar bij de studie van een godsdienst moeten we voorzichtig te werk gaan en ons onderscheidingsvermogen gebruiken, want zonder uitzondering hebben ze in de loop van de eeuwen alle sterk geleden door verminkingen, verkeerde vertalingen en wanbegrip.

Het schijnt dat we in deze tijd spiritueel volkomen aan onszelf zijn overgelaten, maar dat is grotendeels een illusie. De krachten van het licht zijn altijd voor ons aan het werk, maar we moeten volledig meewerken, anders is hulp nooit doeltreffend. Als we teveel gesteund worden, zijn we nooit van enige waarde als levende krachten. Het initiatief ligt bij ons.

Enkele regels van Rabindranath Tagore zijn hier op hun plaats:

Laat mij niet bidden om bescherming tegen gevaren maar om ze onbevreesd tegemoet te treden.

Laat mij niet vragen om verzachting van mijn pijn maar om die moed die haar kan doorstaan.

Laat mij niet uitzien naar helpers op het slagveld van het leven maar naar mijn eigen kracht.

Laat mij niet in angstige vrees smeken om redding maar hopen op geduld mijn vrijheid te vinden.

Geef mij dat ik geen lafaard ben en alleen in voorspoed uw genade voel; maar laat mij als ik faal uw handdruk voelen.      – Fruit-Gathering, 79

Ons leven is een daad van inkeer. Of we ons ervan bewust zijn of niet, of we het prettig vinden of niet, iedere daad en gedachte, het aannemen van een geesteshouding, is een mystieke daad van inkeer, en trekt ongeziene krachten aan die ons helpen of doen ondergaan; daarom is de plaats die wij innemen er een van onmetelijke kracht en mogelijkheden, zelfs nu.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1990

© 1990 Theosophical University Press Agency