Afgeleid van een lezing gehouden op 5 april 1989
aan het Internationale Hoofdkwartier van de Theosofische Vereniging
(Adyar), Madras, India. Een iets andere versie werd gepubliceerd in
The Theosophist, oktober 1989.
Het begrip ecologie is tegenwoordig algemeen bekend, maar niet iedereen
weet precies wat ermee wordt bedoeld. In de eerste plaats bestudeert
de ecologie de relatie tussen planten, dieren en de zogenaamde niet-levende
omgeving, die de structuur en chemische componenten van de bodem, de
waterhuishouding en de atmosfeer omvatten. Maar dit zijn allemaal relaties
op het materiële vlak: van eten en gegeten worden, voortplanting
en vernietiging. Ik ben opgeleid als ecoloog en ging naar Zuid-Amerika
om de savannes van Suriname te onderzoeken. Toen ik daar alleen verbleef
in de savanne en het bos werd ik me ervan bewust dat de hedendaagse
wetenschap ons een heleboel leert over classificatie en over voedselkringlopen,
maar niets over de natuur als levende ervaring of over het leven zelf.
Als de wetenschapper een plant wil bestuderen, moet hij die eerst plukken,
doden, drogen en vergelijkt vervolgens het gedroogde plantenlichaam
met de informatie in zijn boeken. Het leven verdrijven om het leven
te bestuderen, hoe is dat mogelijk?
Ecologen zijn in het algemeen meer bezorgd over het milieu. Ze zien
om zich heen de vernietiging van de tropische bossen, verontreiniging
van lucht en water, zure regen en vele andere problemen, en besluiten
daar iets aan te doen. Ze vormen actiegroepen en natuurbeschermingsorganisaties.
Ze protesteren tegen vele vormen van menselijk gedrag en produceren
educatief materiaal om de aandacht van het publiek te trekken –
en van sluimerende experts – voor de gevaarlijke situatie. Een
groot aantal mensen uit verschillende disciplines geven al hun beschikbare
tijd aan de verbetering van de omstandigheden voor plant, dier en mens,
vaak als onbetaalde vrijwilligers. Uit de ervaring van het deelnemen
aan vele vergaderingen weet ik dat ze zich verbonden voelen in een onzichtbaar
netwerk dat de hele aarde omspant.
De meesten van hen zien echter alleen de materiële zijde van de
natuur. Ze denken aan de atmosfeer in termen van chemicaliën, onbewust
van het feit dat er ook zoiets bestaat als een mentale atmosfeer, en
dat de mentale verontreiniging de oorzaak is van de handelingen die
leiden tot milieuverontreiniging en -vernietiging, evenals andere problemen
waarmee de mensheid te kampen heeft. Er is echter een groeiende groep
van mensen, die zich eco-filosofen noemt of iets dergelijks, die alle
manifestaties van leven als één continue en samenwerkend
geheel ziet: we kunnen geen schade doen aan een deel van de natuur zonder
schade te doen aan het geheel.
Een biologische theorie die ongeveer in de laatste tien jaar is ontwikkeld
staat bekend als de Gaia-theorie. Gaia is de Griekse godin van de aarde.
De man die deze theorie heeft opgesteld, James Lovelock, is een klassieke
scheikundige, die jaren voor de NASA en voor een grote oliemaatschappij
werkte. Tijdens zijn onderzoek naar bepaalde synthetische stoffen in
de atmosfeer die van invloed zijn op de ozonlaag, vond hij dat verwante
stoffen ook werden geproduceerd door bepaalde zeewieren op de continentale
platten. Wat weten zulke kleine plantjes onder water van de ozonlaag
die het leven op land moet beschermen? Verder onderzoek en denkwerk
onthulde vele voorbeelden van evenwichthandhavende factoren op aarde,
die deze evenwichten even stabiel houden als bijvoorbeeld onze bloeddruk
of onze lichaamstemperatuur. Maar wij mensen zijn levende wezens met
een ziel die het lichaam beheerst. Veel van Lovelocks lezers trokken
dan ook een voor de hand liggende conclusie: de aarde zelf is ook een
levend wezen, met een ziel en een intelligente organisatie. Voor de
wetenschappelijke wereld betekent dit wellicht een geweldige doorbraak
in het denken over onze planeet en alles wat zich daarop bevindt. Het
is van het grootste belang voor het overleven van de wereld dat wetenschappelijke
denkers zich bewust worden van de aspecten van de natuur die van een
subtielere aard zijn dan de materie, en dat herkend wordt dat bewustzijn
en intelligentie in een of andere vorm alomtegenwoordig zijn in het
heelal.
Als we op beknopte wijze de basisleerstellingen van de theosofie bekijken,
zien we allereerst de hiërarchische structuur van het heelal, van
de mens en van alle levensvormen in het algemeen, die allemaal innig
met elkaar verbonden zijn. Aldus zien we de diverse natuurrijken: de
wetenschap herkent alleen het planten-, het dieren- en het mensenrijk,
en beschouwt in het algemeen zelfs de mens als onderdeel van het dierenrijk;
de rest wordt beschouwd als niet-levende materie. De theosofie onderkent
verscheidene natuurrijken zowel onder het plantenrijk als boven het
mensenrijk en ontkent het bestaan van dode materie – zelfs het
kleinste atoom is begiftigd met leven. Beneden het plantenrijk treft
men het mineralenrijk en daar weer onder drie elementalenrijken, die
onbekend zijn aan de westerse wetenschap omdat ze onwaarneembaar zijn.
Boven het mensenrijk zijn de rijken van de goden en halfgoden, even
ver voorbij de mens in evolutie als de mens is gevorderd voorbij het
dierenrijk, en omdat ook deze onzichtbaar zijn, worden ze niet erkend
door de wetenschap. Toch zijn ze van het uiterste belang voor ons omdat
ze onze toekomst vertegenwoordigen, het doel van onze evolutie zijn
en ook op dit moment deel van onze eigen hogere natuur uitmaken, die
weliswaar grotendeels sluimerend is in ons bewustzijn, maar volledig
ontwaakt in hen. De goden kenmerken zich door mededogen en als de tijd
daarvoor rijp is kunnen ze afdalen en onder de mensen leven om ons te
onderwijzen. Zulke wezens zijn in het Sanskriet bekend als avatara’s,
‘zij die afdalen.’
Zij die de impulsen van het hogere denkvermogen dat zichzelf heeft
opengesteld voor hogere wijsheid volgen, en die een volledige controle
hebben over hun lagere natuur zijn de mensen die we allemaal kunnen
worden als we onze edele kwaliteiten ontwikkelen. Boven hen staan de
goden, de wijste en meest verantwoordelijke deelnemers aan het ecosysteem.
Aldus zijn de zichtbare rijken van de natuur en het innerlijk van de
mens hecht met elkaar verbonden. Als we het dierenrijk binnenin ons
tegemoet treden in harmonie met de hogere wetten van de natuur, helpen
we daarmee ook het zichtbare dierenrijk. Als we verheven gedachten denken,
helpen we daarmee onze medemensen, zelfs als die gedachten nooit onze
lippen bereiken. Als we een nobele levenswijze betrachten en luisteren
naar de stem van de stilte in het hart van ons hart, helpen we daarmee
het hoge doel van de goden te verwezenlijken.
Uit dit alles volgt dat als we werkelijk om ecologie geven en we de
natuur willen helpen, we niet alleen controle moeten krijgen over onze
gewoonten, maar ook over onze verlangens en zullen we ons denken en
ons wezen moeten afstemmen op de goden. Als de wetenschappelijke en
milieu-ecologen iets zouden kunnen opvangen van het geestelijke, werkelijk
intuïtieve aspect zowel van de menselijke als van de zichtbare
natuur, zou dit een geweldige sprong voorwaarts zijn. De mensen zouden
dan niet langer hun jongere broeders en zusters moedwillig doden voor
voedsel of zelfs voor hun genoegen, of bomen kappen voor uitsluitend
economisch gewin, maar daarentegen van hun schoonheid genieten en ze
vereren als goddelijke manifestaties en leraren in de wetten en gewoonten
van de natuur.
In ieder ecosysteem – een bos of een meer bijvoorbeeld –
is alles met alles verbonden en elk aspect bevat in meer of minder ontwikkelde
vorm alle andere aspecten. Onze wereld is niet alleen een ecosysteem
van stoffelijke lichamen, maar ook een ecosysteem van gedachten. In
de ecologie bestuderen we de cyclussen en ritmen van de natuur. Cyclussen
zien we overal: dag en nacht, de seizoenen, de bewegingen van hemellichamen
en van atomen. Voor de Noord-amerikaanse Indianen is de cirkel het heiligste
van alle symbolen, want hij vertegenwoordigt de Grote Geest in zowel
zijn gemanifesteerde als ongemanifesteerde aspect, zowel als broederschap,
eenzijn en eenheid. Om de heiligheid van dit symbool te onderstrepen,
rangschikken sommige stammen hun tipi’s (tenten) in een cirkel.
Moderne wetenschappers onderscheiden ook vele cyclische bewegingen
en processen in de natuur, maar ze zien dat niet als een universele
wet. In hun zienswijze is evolutie een lineair proces van dode materie
naar primitief leven, van daar naar het planten- en dierenrijk, de mens
en tenslotte, wellicht, zelfvernietiging. Met de Amerikaanse Indianen
zeggen we: wij allen zijn van de Grote Geest, onze Vader gekomen en
naar de Grote Geest zullen we allen terugkeren; terwijl veel wetenschappers
het individuele leven als een eenmalige, unieke gebeurtenis beschouwen.
Het begint allemaal met het mannelijk zaad, dat min of meer bij toeval
de eicel van een vrouw bereikt; dan geboorte, groei, ontwikkeling en
uiteindelijk de dood, het absolute einde en de mislukking van het leven.
Geen wonder dat er zoveel wanhopige menselijke wezens rondlopen op deze
aarde, die hun toevlucht nemen tot criminaliteit, zelfmoord, of het
gebruik van vernietigende drugs, als het huidige leven alleen lijden
betekent en daarna niets.
Hindoes, boeddhisten, jains, Amerikaanse Indianen en de oude Grieken
en Egyptenaren onderwezen allemaal de leer van wederbelichaming –
een beter woord dan reïncarnatie, dat letterlijk ‘in het
vlees komen’ betekent en dus alleen van toepassing is op dieren
en mensen. Wederbelichaming is een universeel proces: niet alleen mens
en dier, maar alles in de natuur, met inbegrip van sterren, planeten,
atomen en goden gaat door cyclussen van involutie in de materie en dan
evolutie uit de materie, zich uitend in steeds spirituelere uitdrukkingswijzen.
De hoogste geestelijke essentie van ieder individueel schepsel zowel
van de natuur als geheel, ontwikkelt de materiële vormen die zij
belichaamt als voertuigen van haar expressie vanuit haarzelf.
Als het laagste punt van de evolutionaire levenscyclus is bereikt,
zwaait de richting omhoog naar het spirituele, zodat tenslotte allen
weer samenvloeien in hun monadische essentie: dan zullen we zijn teruggekeerd
tot onze Vader en Grootvader Grote Geest. Tegelijkertijd zijn alle individuele
bewuste wezens, en dat betekent alles in het heelal, vergeestelijkt
door de goddelijke essentie die zich in hen had geïnvolueerd en
zich met hen had ingelaten. Vergelijk deze kijk op de dingen eens met
de duistere wolken die hangen over het denken van die mensen die de
kracht achter de evolutie alleen zien als de strijd om het bestaan en
het overleven van de sterkste – met andere woorden, volkomen zelfzuchtigheid.
Volgens de theosofie is de kracht achter de evolutie mededogen, volkomen
onzelfzuchtigheid. Alle levens zijn daarom verbonden door en ingesloten
in een oneindig netwerk van mededogen, waarbij het geestelijke zijn
stralen uitzendt om licht te brengen aan hen die nog niet zover geëvolueerd
zijn. Dit onzichtbare netwerk is het meest edele en meest stimulerende
aspect van het geestelijke ecosysteem.
In de ecologie spreken we ook over interactie, in die zin dat iedere
gebeurtenis die plaatsvindt in een ecosysteem andere componenten beïnvloedt
en daarmee het geheel. Het ecosysteem is een dynamisch, altijd veranderend
patroon van interacties. Wetenschappers herkennen dit op stoffelijk
niveau, maar het is het menselijk denken als deel van het geestelijk
ecosysteem dat de grootste invloed heeft. Als we leren ons denken te
controleren in voortdurende herinnering aan onze verantwoordelijkheid
ten aanzien van alle wezens, doen we het beste wat we kunnen voor de
natuur. Er is wel gesteld dat dankzij de hechte verbinding die er bestaat
tussen onze innerlijke en de ons omringende natuur, de zogenaamde wreedheden
in het dierenrijk belangrijk zouden afnemen in gelijke mate met de vermindering
van onze menselijke hartstochten van wreedheid en egoïsme.
Een ander zeer belangrijk idee, hoewel minder bekend dan de leringen
over karma, wederbelichaming en evolutie, staat bekend onder de Sanskrietterm
svabhava, wat betekent ‘zelf-wording’: de ontwikkeling
van binnen uit naar buiten van de fundamentele karakteristiek van een
soort of wezen. Dit begrip is erg belangrijk als we de variatie in de
natuur willen begrijpen. We zijn omringd door honderdduizenden soorten
dieren, planten, variëteiten van mineralen enzovoort; onder de
mensen zien we in de duizenden gezichten evenveel verschillende denkers,
verschillende specialisaties. Bijvoorbeeld, kunnen we zeggen dat de
ene vogelsoort beter is dan de andere? Nee, ieder wezen heeft zijn eigen
svabhava, zijn eigen essentiële karakter, en dezelfde graad van
perfectie op het eigen gebied. Alles bestaat in Brahman, het Ene. Waarom
zijn er dan zoveel uitdrukkingsvormen van het goddelijke, waarom zo’n
enorme diversiteit aan soorten op aarde? Waarom moeten we die diversiteit
beschermen? Zou het niet economischer zijn om de hele aarde te bedekken
met voedselgewassen en naaldbomen of eucalyptussen? Sommige particuliere
en overheidsinstellingen willen de rijke natuurlijke bossen kappen en
ze vervangen door een paar boomsoorten die van economisch belang zijn.
Om inzicht te verkrijgen in die belangrijke vraag moeten we serieus
aandacht schenken aan het theosofische gezichtspunt dat de hele constitutie
van iedere individuele expressie van Brahman, van Goddelijkheid, is
opgebouwd uit dezelfde zeven kosmische elementen, waarvan ieder weer
is onderverdeeld in zevenen, en deze opnieuw is onderverdeeld. Dus eindeloos
veel combinaties zijn mogelijk waarbij de ene uitdrukkingsvorm meer
van het ene element heeft en minder van het andere; maar alle elementen
en subelementen zijn aanwezig. Ieder van al die miljoenen zielen vindt
in zijn eigen unieke fase van evolutie in een van de soorten een voertuig
dat geschikt is; als een vorm niet beschikbaar is omdat die door de
mens vernietigd is, moet de ziel een andere, misschien minder geschikte
vorm zoeken en dat kan misschien een ernstige belemmering voor de evoluerende
ziel veroorzaken.
Het mooiste aspect van de ecologie is de ingebouwde mogelijkheid van
het ecosysteem om zichzelf te kennen. Omdat het denken een onafscheidelijk
deel is van de natuur, speciaal tot ontwikkeling gekomen in de mens
en hogere wezens, kan de wereld zichzelf door middel van die mens –
de drager van het denkvermogen – bestuderen. In werkelijkheid
is er geen verschil tussen ecologie en theosofie: beide gaan over de
eenheid van en de onderlinge relaties tussen bewuste wezens. In feite
is de natuur zelf onze grootste leraar. Als we ons oog binnenwaarts
richten, vinden we in onszelf alles wat we kunnen zien en ervaren in
de natuur rondom ons. Als we naar de innerlijke stilte luisteren, kunnen
we misschien de harmonie gewaarworden die eigen is aan onze samengestelde
natuur, net zoals we die kunnen voelen in de stilte van een bos of wanneer
we luisteren naar het breken van de branding op een rotsachtige kust.
Door studie en volhardende oefening in innerlijke kalmte leren we de
subtiliteiten van ons eigen geestelijke denkvermogen als manifestaties
van kosmisch denkvermogen kennen en worden het inderdaad. Omdat we intelligent
zijn in het uitdenken van materiële en functionele structuren,
kunnen we in de wijze waarop de natuur is gebouwd en waarop ze werkt
een bewijs zien van een intelligentie die veel groter is dan de onze.
We zien dat begeerte en hartstocht aanwezig zijn in onszelf en in anderen
en dat zowel de conflicten in ons als om ons heen worden weerspiegeld
in het dierenrijk en ten dele in de planten. Ik denk dat als we zouden
beginnen de grootsheid van onze eigen innerlijke god te realiseren,
onze bescheidenheid en ons respect voor zowel onze innerlijke als uiterlijke
natuur evenredig groter zouden worden. Dan worden we ‘ecologen’
in de werkelijke zin van het woord: eco-filosofen die leven met de natuur
in ieder aspect van hun wezen, waarbij we onze rechtmatige plaats in
het systeem innemen, zowel geestelijk als lichamelijk, mentaal als psychologisch,
waarbij we tegelijkertijd ons begrip verdiepen van de heelheid waartoe
we behoren.