De
muziek der sferen
I.M. Oderberg
Boekbespreking: Longing for the Harmonies: Themes and Variations
from modern Physics [Verlangen naar Harmonieën: Thema’s
en Variaties uit de Moderne Natuurkunde], Frank Wilczek, en Betsy Devine,
W.W. Norton and Company, New York en Londen, 1988; 361 bladzijden, aantekeningen
en index.
Het heelal is een combinatie van duizend elementen
en toch de uitdrukking van een enkele geest – een chaos voor
de zinnen, een kosmos voor de rede.
– H.P. Blavatsky, Isis Unveiled,
1:xvi
De westerse wetenschap heeft in deze eeuw niet alleen een veelheid
van deeltjes en krachten ontsluierd, maar heeft in haar opmars de uiterste
grenzen van de verschillende disciplines bereikt. Vroeger werden de
gebieden waarin de afzonderlijke wetenschappen hun onderzoek verrichtten
binnen vastgestelde grenzen gehouden, die niet mochten worden overschreden.
Nu echter heeft bijvoorbeeld het scheikundig onderzoek zich noodgedwongen
begeven op het terrein van de biologie en dit geldt ook voor de natuurkunde.
In zijn Zeventig Verzen over Sunyata zegt de boeddhistische
wijze Nagarjuna, ‘Het zijn ontstaat niet, want het is . . .’
Op dezelfde wijze kunnen we zeggen dat de geest is, en als wij mensen
aan de eigenschappen daarvan uitdrukking geven, dan moeten de essentie
en de kenmerken van de geest een deel vormen van onze kosmische bron.
David Bohms theorie over de ‘impliciete orde’ binnen de
werkingen van de natuur suggereert dat waargenomen verschijnselen zich
niet alleen voordoen als ze een object worden voor onze zintuigen.
Het is eerder zo dat ze voortkomen uit een subjectieve toestand of omstandigheid,
die de mogelijkheden bevat in een latente, maar niettemin werkelijk
bestaande toestand, die alleen wacht op de juiste omstandigheden
om zich te openbaren. Binnen de expliciete orde van dingen en wezens
in onze vertrouwde wereld bevindt zich dus de impliciete orde waaruit
ze alle op hun tijd te voorschijn komen.
Het is duidelijk dat onze zon met zijn familie van planeten functioneert
overeenkomstig de natuurwetten. De nauwkeurigheid van de omloopbanen
en electromagnetische processen is ontzagwekkend; ze verenigen de functies
van de kleinste subdeeltjes en van de grootste families van zon-sterren
in hun melkwegstelsels en zelfs daarbuiten in één veld
van werking. Deze afzonderlijke entiteiten zijn tot een duidelijke eenheid
verbonden, die we kunnen vergelijken met de oceanen van onze planeet:
ontelbare aantallen watermoleculen die zich aan ons voordoen als één
enkele substantiële massa. Op zoek naar het laatste deeltje, de
bouwsteen van de kosmos, zagen sommige onderzoekers zich geplaatst tegenover
een mysterie: wat is het dat de eenheden bij elkaar houdt in een organisme
– elk organisme?
Net als in de muziek, die bestaat uit een harmonie van vele tonen die
innerlijk zijn verbonden, moet er ook een harmonie zijn die alle kinderen
van het heelal omvat. Een kortgeleden verschenen boek is zelfs getiteld
Longing for the Harmonies: Themes and Variations from modern Physics
geschreven door Frank Wilczek, een vooraanstaand fysicus en zijn vrouw
Betsy Devine, ingenieur en freelance schrijfster. Het onderwerp van
hun boek wordt in hun eerste paragraaf uiteengezet:
Vanaf Pythagoras, die de harmonieën berekende
op de snaar van de lier, tot R.P. Feynman, die de salsa trommelde
op zijn bongo’s, zijn er heel wat geleerden die van muziek houden.
Deze liefde wordt niet altijd beloond met volmaakt meesterschap. Albert
Einstein, een verwoed amateur op de viool, bracht een meer begaafde
speler ertoe hem toe te roepen: ‘Einstein, kan je niet tellen?’
Muziek en wetenschappelijk onderzoek, zo schreef
Einstein, ‘worden gevoed uit dezelfde bron van verlangen en
ze vullen elkaar aan in de bevrijding die ze bieden.’ Ook ons
schijnt het toe dat het geheimzinnige verlangen achter het zoeken
van een wetenschapper naar het waarom der dingen, hetzelfde is als
dat wat de scheppingsdrang in de muziek, beeldende kunsten of al wat
de rusteloze mens verder onderneemt, inspireert. En de bevrijding
die ze schenken is dat we, al is het maar een ogenblik, vertoeven
op het raakvlak tussen de eenzame wereld van het subjectieve en het
gemeenschappelijke heelal van de uiterlijke werkelijkheid. –
blz. xi
In een zeer heldere tekst laten Wilczek en Devine ons zien dat de wetten
van de natuur en de structuur van het heelal met al zijn samenstellende
delen, zo weergegeven kunnen worden dat het geheel zich laat vergelijken
met een muzikale compositie, die thema’s bevat die met elkaar
zijn verweven. Een van de eerste hoofdstukken begint met de beroemde
regels van de grote astronoom Johannes Kepler, die in 1619 verwees naar
de muziek van de sferen:1
De bewegingen aan de hemel zijn niets dan een voortdurend
gezang van meerdere stemmen (waargenomen door het intellect, niet
door het gehoor); muziek die, door disharmonische spanningen, door
sincopen [sic] en cadansen, als het ware (zoals de mens die gebruikt
bij het nabootsen van die natuurlijke dissonanten) voert naar bepaalde
van te voren bedachte, schijnbaar zes-stemmige passages en daardoor
bakens plaatst in de oneindige gang van de tijd.
Wilczek en Devine, die het in de tijd van Kepler heersende bijgeloof
en de ongefundeerde bespiegelingen die een belemmerende muur vormden
die hij moest doorbreken om tot inzicht te komen, merken op dat Keplers
obsessie, namelijk het denkbeeld dat de harmonie van de wereld in feite
is geworteld in de theorie van Pythagoras dat de structuur van het heelal
op getal berust, een opvatting is uit de Orfische mysterie-religies
van Griekenland. Het gaat om de gedachte dat ‘de werkingen van
de wereld worden beheerst door harmonische verhoudingen en dat in het
bijzonder de muziek verband houdt met de beweging van de planeten –
de muziek van de sferen.’ (Wilczek en Devine, blz. 13). Schrijvende
over Kepler en zijn werk beweerde Arthur Koesder dat de astronoom probeerde
het laatste geheim van het heelal te onthullen in
een alomvattende synthese van meetkunde, muziek, astrologie, astronomie
en epistemologie [een tak van de filosofie die de oorsprong, aard,
methoden en grenzen van de menselijke kennis onderzoekt]. –
The Sleepwalkers, blz. 389
In Longing for the Harmonies verwijzen de schrijvers naar
de ‘muziek der sferen’ als een denkbeeld dat in het verleden
werd beschouwd als ‘vaag, mystiek en rekbaar.’ Omdat de
grondslagen van de muziek ritme en harmonie zijn, herinneren ze ons
eraan dat volgens Kepler de planeten zich rond de zon bewegen ‘in
één enkel kosmisch ritme.’ Er zijn aanwijzingen
dat hij banden had met een ‘neo-Pythagorische’ beweging
en dat hij, door de godsdienstig geïnspireerde oppositie tegen
onorthodoxe geloofsvormen, zijn ideeën onder allegorie en beeldspraak
verborgen hield.
Ook Shakespeare heeft zich uitgesproken over de gedachte dat de door
de planeten en sterren uitgezonden tonale trillingen de ‘muziek
der sferen’ vormen en hij vergeleek de tonen met die van het ‘hemelse
koor’ van engelen. Dit herinnert ons aan het feit dat Plato’s
Kratylos (397d) de planeten theoi noemt, van theein,
wat ‘hardlopen, bewegen’ betekent. Beweging doet denken
aan bezieling, of wezens die vervuld zijn van leven, en inderdaad zijn
de planeten levende entiteiten, zo veel grootser dan mensen dat de Grieken
en andere volkeren ze ‘goden’ noemden. Niet de stoffelijke
lichamen werden bedoeld, maar de essentie daarbinnen, zoals een mens
wordt gekend aan zijn innerlijke kwaliteiten, die tot uitdrukking komen
door zijn persoonlijkheid.
Wanneer klassieke schrijvers over planeten en sterrenentiteiten spraken
als ‘animalen’, dan doelden ze niet op dieren, zoals wij
die op aarde kennen, maar op het feit dat de hemellichamen een ‘anima’
(ziel) bezaten en energieën belichaamden die van de zon en van
de kosmos werden ontvangen en die ze doorgaven na toevoeging van hun
inherente kwaliteiten.
Er openen zich veel wegen tot nadenken over de aard van de kosmos en
onszelf en ons onderlinge verband als we ons verdiepen in de structuur
van de natuurwetten zoals Wilczek en Devine ze weergeven. De studie
van deeltjes bijvoorbeeld, van hun wisselwerkingen en van het feit dat
ze met deze wetten overeenstemmen, is verhelderend zowel binnen dat
bestek als daarbuiten, op grond van hun algemene toepasbaarheid. De
betreffende processen vinden hier op aarde plaats en klaarblijkelijk
ook binnen het zonnestelsel en daarbuiten, waardoor bepaalde verschijnselen
die om opheldering vroegen, worden verklaard.
De studie hier op aarde van atomen en van hun vele deeltjes en subdeeltjes
heeft de onderzoekers in staat gesteld daaruit af te leiden hoe sterren
worden geboren, hoe en waarom ze schijnen en hoe ze sterven. Sommige
onderzoekers zijn nu bezig na te gaan wat het is, een proces of een
kracht, dat het onmetelijk kleine verbindt met de zeer grote kosmische
lichamen die we nu kennen. Als de natuur oneindig is, moet dat in kwalitatieve
zin zijn en niet louter in kwantitatieve.
Een van de vragen die het denken van kosmologen bezighoudt is of de
universele energie uitgeput raakt, zoals het geval is met het mechanisme
van een Zwitsers horloge, of dat er voldoende massa aanwezig is om de
uitstoot te vertragen, veroorzaakt door de big bang waarvan wordt aangenomen
dat hij ons heelal aan de gang heeft gemaakt. Met andere woorden, ervaart
ons heelal entropie – sterft het als de energie ervan is opgebruikt
– of zal er een ‘rem’ worden gezet op de uitdijing,
wat mogelijk zou kunnen leiden tot een terugkeer naar de oorsprong van
de oerexplosie, miljarden jaren geleden? Kosmologen zoeken naar voldoende
‘donkere massa’ om als zo’n rem te werken.
Tot de actuele onderwerpen die door Wilczek en Devine worden behandeld,
terwijl ze hun weg zoeken langs vele thema’s en variaties van
de moderne natuurkunde, behoort wat bekend is als het massa-voortbrengende
Higgsveld. Dit is een stelling, geformuleerd door een Schotse natuurkundige,
Peter Higgs, die ervan uitgaat dat er een elektromagnetisch veld bestaat
dat de kosmos doordringt en dat overal de elektrondeeltjes van massa
voorziet.
Het Higgsveld op de achtergrond moet overal in het
heelal precies dezelfde waarde hebben. We weten, per slot van rekening
– uit het feit dat het licht van ververwijderde melkwegstelsels
dezelfde spectraallijnen bevat als het licht op aarde – dat
elektronen overal in het heelal dezelfde massa hebben. Als dus de
elektronen hun massa van het Higgsveld ontvangen, dan moet dit veld
eenvoudig overal dezelfde kracht bezitten. Wat is de betekenis van
dit allesdoordringende veld, dat bestaat zonder een duidelijke oorsprong?
Waarom is het er? – blz. 244
Wat is nu werkelijk de betekenis? Waarom is het er?
Deze vragen behoren tot de belangrijkste die gesteld kunnen worden.
Ook al kunnen de natuurkundigen diepzinnige wiskundige vergelijkingen
verschaffen, ze geven daarmee alleen nog wat nauwkeuriger details over
wat er gebeurt. We krijgen geen antwoord op het ‘hoe’ en
‘waarom’ zonder onze toevlucht te nemen tot de metafysica,
achter het terrein van de verstandelijk bedachte definities.
De menselijke geest is in zijn huidige staat van evolutie beperkt.
Hij ziet wel de logische noodzaak van oneindigheid met betrekking
tot ruimte en tijd; want als er geen oneindigheid bestaat, wat is er
dan aan de andere kant van de ‘muur’ die onze uiterste begrenzing
vormt? Maar al kan het eindige denken de logische noodzaak van het oneindige
zien, het kan de grenzeloze gebieden van ruimte, tijd en substantie
niet omvatten.
Als wij mensen een veelheid vormen in onze samenstelling en we ons
bestaan en ons onderhoud uiteindelijk aan het heelal ontlenen, moet
onze totale natuur ontleend zijn aan de bronnen van leven, substantie
en energie, waarin ons leven en alle andere kosmische levens zijn opgenomen.
De schrijvers besluiten hun boeiende werk als volgt: ‘De werelden
die zich voor onze blik openen, zijn begunstigd met een prachtige symmetrie
en uniformiteit. Als we ze leren kennen, hun vele harmonieën naar
waarde leren schatten, is het alsof we onze kennismaking met een groots
en waardevol muziekstuk verdiepen – zeker een van de mooiste dingen
die het leven te bieden heeft.’
Noot
- De Harmonie van de Wereld (Harmonice
mundi).