Inspiratie uit oude Japanse poëzie
Bas Rijken van Olst

 

De natuur of de liefde zijn vaak bronnen van inspiratie voorr meditatie over de schoonheid van het leven en het bestaan. Oude Japanse gedichten met hun milde wijsheid hebben dit inspirerende vermogen. De dichters hebben echter meestal hun inzichten op een min of meer verborgen manier weergegeven. Hun gedichten kunnen op twee verschillende niveaus worden gelezen: vaak betreffen ze het dagelijks leven, maar ze hebben ook een diepere betekenis.

De Japanse kunst is sterk beïnvloed door de boeddhistische spiritualiteit, die de nadruk legt op het voorbijgaande en de bedrieglijke aard van het stoffelijke leven. Het boeddhisme bereikte Japan in 538 n.Chr. Binnen een eeuw had het daar als religie een vooraanstaande positie gekregen. Veel keizers waren het gunstig gezind. Sommigen van hen werden zelfs vrome boeddhisten. Keizerin Suiko (592-628) bijvoorbeeld verleende het boeddhisme staatsbescherming.

Toen Keizer Daigo over Japan regeerde, van 897 tot 930, gaf hij opdracht om een officiële verzameling van Japanse gedichten samen te stellen. Het selecteren van de gedichten voor deze keizerlijke bloemlezing, die bekend staat als de Kokinshu, moet een geweldig werk zijn geweest. De uiteindelijke keuze door de vier samenstellers omvatte 1.111 gedichten. Deze verzameling is de voornaamste bron van de fragmenten die hieronder worden gegeven. Ki no Tsurayuki, de belangrijkste samensteller van deze keizerlijke bloemlezing, schreef ook een gefingeerd dagboek in dichtvorm, genaamd de Tosa Nikki, waarin hij ons duidelijk uiteenzet dat de kunst een centrale plaats inneemt in het leven. De vrouw aan wie het dagboek wordt toegeschreven zegt: ‘Ik schrijf deze woorden niet neer, en ik heb het gedicht evenmin gemaakt uit pure liefde tot het schrijven. Zowel in China als in Japan is kunst ongetwijfeld dat wat wordt geschapen als we niet meer in staat zijn onze gevoelens te onderdrukken.’1

In het gedeelte van de Kokinshu waarin liefdesgedichten voorkomen, is het duidelijk dat voor de dichter liefde, droom en werkelijkheid zich vermengen en deel zijn van een grote werkelijkheid. Bij een gesprek tussen de priesteres van de Ise Tempel en Narihira, schrijft de dichteres (13: 645):

Mijn geest is verblind —
Kwam je om mij te bezoeken?
Ging ik naar jou?
Was onze nacht een droom? Werkelijkheid?
Sliep ik? Of was ik wakker?

En Narihira antwoordt:

Door de zwartste schaduw
Van de duisternis van het hart dwaal ik
In verbijstering —
Jij die de wereld van de liefde kent, zeg me:
Is mijn liefde werkelijkheid of droom?2

In de Kokinshu worden de verschillende stadia van een liefdesgeschiedenis weergegeven vanaf het eerste ogenblik dat een man en een vrouw elkaar ontmoeten tot ze uiteengaan. Zowel het leven als de liefde zijn kortstondig en ze schijnen voortdurend te veranderen, zoals de opeenvolgende jaargetijden. De vier jaargetijden nemen een vooraanstaande plaats in in de Kokinshu verzameling die is verdeeld in twintig delen; zes daarvan gaan over de jaargetijden en vijf over de liefde. De lentegedichten geven de geboorte van nieuw leven aan en wijzen op de schoonheid van de pruime- en de kersebloesem. Herfstgedichten hebben dood en verval als onderwerp. In één deel over het uiteengaan treffen we beschouwingen aan over de onbestendigheid van de uiterlijke vorm, zowel in de natuur als bij menselijke relaties. We kunnen alleen in ons verdriet worden getroost indien we afstand nemen en het grotere perspectief van de hele kringloop van alle jaargetijden overzien.

De lente is het jaargetijde van de hoop, wanneer de hele natuur zich vernieuwt. Toen ze de velden zag, afgebrand vóór het gewas opnieuw werd geplant, schreef Ise, de gemalin van keizer Uda:

Als ik mijn lichaam
Beschouw als de velden
Verschrompeld door de winter,
Kan ik dan hopen, hoewel ik ben verbrand,
Dat de lente zal terugkeren?3

In dit lentegedicht van Ki no Tomonori (Kokinshu, 1:38) zijn pruimebloesems een uiterlijk bewijs van de innerlijke schoonheid van het leven:

Ik weet niet
Aan wie ik het moet zeggen
Als ik niet aan jou de pruimebloesems
kan laten zien;
Van zulke schoonheid en zulke geurigheid
Kan alleen de beste kenner een kenner
worden genoemd.4

Het volgende anonieme fragment komt uit een verzameling gedichten uit de achtste eeuw, de Man’Yoshu genoemd:

Dat je me niet aardig vindt,
Het kan best zijn —
Maar wil je toch niet komen
Zelfs niet om de sinaasappelboom te zien
Die bloeit in mijn voortuin?5

Een gevoel van vluchtigheid doordringt de poëzie van Japan, zoals in dit oude gedicht (ook anoniem):

Als ze bloeien, vallen ze
Als ze niet bloeien, verlangen we
Naar kersebloesems in de bergen . . . 6

De grote betekenis van lentebloesems voor de Japanners blijkt duidelijk als we bedenken dat Keizer Shomu (724-49) opdracht gaf tot de bouw van de Tempel van de Dharma Bloesem (Hokkeji), de hoofdtempel van alle nonnenkloosters van de provincie, waarvan de naam dit symbool bevat van een zich eeuwig vernieuwend leven, zowel geestelijk als stoffelijk.

In het voorwoord van de Kokinshu beschrijft Ki no Tsurayuki duidelijk zijn waardering voor de Japanse poëzie:

De poëzie van Japan neemt het menselijk hart als zaadje en bloeit in de ontelbare bladeren van woorden. Omdat mensen voor zoveel verschillende dingen belangstelling hebben, geven ze in poëzie uitdrukking aan de overdenkingen van hun hart, uitgedrukt in de beelden die voor hun ogen verschijnen en de geluiden die hun oren opvangen. Hoor de tuinfluiter zingen tussen de bloesems, en de kikker die in het water woont — bestaat er iets levends dat niet houdt van zang? Alleen poëzie beweegt moeiteloos hemel en aarde, roert de gevoelens van goden en geesten die onzichtbaar zijn voor het oog, verzacht de relaties tussen mannen en vrouwen en geeft rust aan de harten van woeste krijgers.7

Poëzie wordt geschapen volgens het cyclische patroon van de natuur of van de kosmos. Uit haar bron, het hart van de mens, bloeit ze op als lentebloesem. Spreken we over het menselijk hart, dan kunnen we dit opvatten als het orgaan van emoties en warme gevoelens van de dichter – het straalt de woorden en gedichten uit. We kunnen het hart ook zien als de kern of de essentie van de mens of de mensheid. We hebben ons ontwikkeld uit het zaadje dat onze innerlijke kern is; op dezelfde manier hebben de woorden en zinnen van de dichters van Japan zich ontwikkeld als de uitdrukking van ‘de meditaties van hun hart.’

 

Noten

  1. Earl Miner, Hiroko Odagiri, en Robert E. Morrell, The Princeton Companion to Classical Japanese Literature, blz.7.
  2. Ibid., blz.29.
  3. Donald Keene, redacteur, Anthology of Japanese Literature, blz.79.
  4. The Princeton Companion, blz.28.
  5. Anthology of Japanese Literature, blz.53.
  6. The Princeton Companion, blz.30.
  7. Ibid., blz.6.
 
Andere artikelen over oude culturen: Azië
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency