Ketterij door de eeuwen heen
Ina Belderis

 

Meestal denken we aan ketterij als iets dat staat tegenover orthodoxie. Ketterij of heresie komt echter van het Griekse woord hairesis, dat keuze betekent. Oorspronkelijk werd het niet in een ongunstige betekenis gebruikt, maar als een technische aanduiding voor een filosofische school of voor de leerstellingen van een religie. In het gewone taalgebruik is ketterij een geloof of een opvatting die tegengesteld is aan wat algemeen wordt aanvaard, speciaal in de religie en in het bijzonder in tegenstelling tot de orthodoxie van de christelijke kerk. Orthodoxie is afgeleid van twee Griekse woorden: orthos (recht of waar) en doxa (mening), zodat orthodoxie betekent: ware of juiste mening, als regel in religieuze zin.

Wie bepaalt wat de juiste mening is en wat niet? Eeuwenlang heeft de kerk in het Westen beslist wat voor de mens juist was. Haar aanspraken op het hebben van de juiste mening waren gebaseerd op haar interpretatie van de bijbel en de tradities van de kerk zelf. Deze interpretaties hebben de opvatting versterkt dat de kerkgeschiedenis, de kerkleer en de kerkelijke hiërarchie alle zijn gebaseerd op een ononderbroken traditie die afkomstig zou zijn van Jezus Christus. Het bestaan van talrijke ketterijen duidt er echter op dat er veel alternatieve opvattingen zijn.

Het probleem bij het terugvoeren van tradities tot Jezus is, dat de verhalen over zijn leven en zijn leer pas jaren na zijn dood werden geschreven. De oudste geschriften in het Nieuwe Testament zijn brieven van Paulus, die dateren van tussen 50 en 60 n.Chr., en Paulus heeft Jezus nooit gekend. Het oudste evangelie is van ongeveer 70 n.Chr. Er waren in feite veel andere verhalen over het leven van Jezus, buiten de enkele die tenslotte in het Nieuwe Testament werden gehandhaafd, bijvoorbeeld de zogenaamde apocriefe geschriften, waaronder brieven en andere evangeliën. Deze werden in de eerste vier eeuwen aanvaard, maar later verworpen. Ontdekkingen zoals die uit Nag Hammadi hebben ons een overvloed van materiaal verschaft dat een ander licht werpt op het leven en de leer van Jezus.

De beslissingen, welke geschriften in het Nieuwe Testament op te nemen en welke erbuiten te laten, werden genomen door de raad van bisschoppen. Bepaalde aspecten van de leerstellingen en de tradities van de kerk werden door deze eerste kerkvaders ingevoerd:

– Cyprianus ontwikkelde de gedachte dat de kerk de bemiddelaar is bij de verlossing van de mens;

– Ignatius van Antiochië verklaarde dat het ambt van bisschop een goddelijke instelling is;

– Eusebius schreef de geschiedenis van de kerk;

– Origenes probeerde de klassieke filosofie in overeenstemming te brengen met de christelijke religie, en

– Augustinus hielp bepaalde leringen over de drie-eenheid, de natuur van Christus en de voorbeschikking te omschrijven.

De besluiten van deze en andere bisschoppen op het gebied van geschiedenis, hiërarchie en echtheid van de teksten werden eeuwen na de dood van Jezus en zijn leerlingen genomen. Ze zijn de uitkomst van verhitte debatten en vaak langdurige twisten. Het is van belang dat men zich realiseert dat degenen die de beslissingen namen, mensen waren, met goede bedoelingen misschien, maar niet onfeilbaar of volkomen vrij van machtsmisbruik. Er waren disputen tussen bisschoppen, godsdienstige leiders en anderen met tegenovergestelde opvattingen – binnen en buiten de kerk. Het grootste deel van de geschiedenis daarvan heeft ons bereikt gezien door de ogen van de winnende partij. De verliezers werden ketters genoemd, de winnaars noemden zich orthodox, dat is rechtzinnig. Het is ongetwijfeld in het belang van de winnaar om deze conflicten als onbetekenend voor te stellen en vol te houden dat er van het begin af altijd één hoofdlijn van onbetwiste orthodoxie is geweest. Eusebius deed dit in zijn Geschiedenis van de Kerk, ofschoon er heel weinig bewijzen waren om zijn opvattingen te ondersteunen.

Vóór de eerste helft van de derde eeuw kan men niet spreken van een overheersend type christendom. Pas in de vierde eeuw ontwikkelden zich opvattingen over de drie-eenheid en bepaalde andere dogma’s, terwijl discussies over voor de bijbel acceptabele teksten tot de vijfde eeuw voortduurden. Tenslotte werd in 451 op het concilie van Chalcedon de apostolische geloofsbelijdenis aanvaard. Er was geen geschreven geschiedenis van de kerk tot Eusebius in de vierde eeuw de zijne schreef. Maar zelfs toen was er over veel andere leerstellige zaken, geloofspunten en de christelijke filosofie nog geen beslissing genomen. Het christendom in de eerste paar eeuwen was meer heterogeen dan nu, met veel volstrekt verschillende opvattingen die met elkaar concurreerden. In die tijd was er noch orthodoxie, noch ketterij.

Deze strijdpunten draaiden om wezenlijke vragen, en de oplossingen van de kerk bevredigden niet iedereen. Vaak ging het om meningsverschillen tussen twee bisschoppen die hartstochtelijk elkaars opvattingen afwezen – en elk had zijn vurige aanhangers. Er waren veel partijen van elkaar bestrijdende bisschoppen die hun eigen interpretaties van bepaalde geschriften volgden. Slechts wanneer een groep de steun kreeg van wereldlijke machten, had het uitspreken van de banvloek enig gevolg, omdat de wereldlijke machten dit aanmoedigden en hielpen afdwingen. De winnende partij, die zich orthodox noemde, brandmerkte mensen met andere opvattingen als ketters, en veel oprechte bisschoppen werden uit de kerk gezet. Nadat er in de vierde eeuw in de persoon van keizer Constantijn steun van de wereldlijke macht was gekomen, riepen keizers vaak kerkconcilies bijeen om te beslissen over zaken van geloof, omdat ze onder druk stonden van een of beide strijdende partijen. De verliezende partij, gewoonlijk geleid door een charismatisch persoon, stichtte vaak haar eigen kerk of sekte.

Er was een groot aantal twistpunten, maar het volgen van bepaalde hoofdlijnen kan heel verduidelijkend zijn. Een van de belangrijkste problemen betrof de natuur van Christus. Moet de nadruk liggen op Christus als een stoffelijk wezen dat werd geboren, leefde en werd gekruisigd en dat lichamelijk opstond, en dit alles met het doel om de zonden van de mensen af te lossen? Of moet het verhaal van Christus worden gezien als een allegorie over het geestelijke ontwaken van iedere mens, zoals veel van de gnostische groepen beweerden? Volgens deze redenering is iedereen in staat – door kennis (gnosis) en bewuste inspanning – om zijn hogere zelf of Christusnatuur te ontwikkelen. Jezus werd beschouwd als een leraar, die een voorbeeld was en leiding gaf om dit doel te bereiken. In ieder geval was zijn werkelijke stoffelijke bestaan veel minder belangrijk, en werd zelfs door sommige groepen ontkend. Anderen huldigden de opvatting dat het lichaam van Christus een geestverschijning was, dat hij slechts schijnbaar mens was en dat de kruisiging en zijn lijden alleen maar uiterlijke verschijningsvormen waren. Dit noemt men docetisme, van het Griekse dokein — schijnen of lijken. Een gevolg van deze zienswijze over Christus is, dat het denkbeeld van Maria als de moeder van god zijn geldigheid verliest. Als Christus niet echt lichamelijk was, dan was Maria niet zijn moeder maar een gewone vrouw. Volgelingen van deze richting verwierpen daarom de verering van Maria.

Een ander aspect van het gnostische denken is dat de mens zijn eigen verlosser moet zijn, dat hij een vonk van het goddelijke in zich heeft, die hem het vermogen verleent zichzelf te verlossen. Dit leidt tot de gedachte van de gelijkheid van de geslachten: ieder die gnosis heeft bereikt en min of meer verlicht is, kan leraar worden, man of vrouw. De nadruk werd gelegd op een hoogstaande ethische en morele opvatting; deze was bepalend voor het lidmaatschap van deze groepen. In de orthodoxe kerk kon de ziel alleen worden gered door de bemiddeling van de gewijde geestelijkheid, die altijd uit mannen bestond, en de vereisten voor lidmaatschap waren doop en geloofsbelijdenis.

Het kerkconcilie van Chalcedon bepaalde dat Christus twee naturen had, een menselijke en een goddelijke. Dit was de oplossing voor de kerk van het probleem of Christus god, mens of beide was. Er was echter de tegenovergestelde opvatting dat Christus maar één natuur kon hebben: een goddelijke. Volgelingen van deze gedachte noemde men monofysieten; na het concilie van Chalcedon werden deze tot ketters verklaard. Een beroemd voorbeeld van een monofysiet is bisschop Nestorius, die in de vijfde eeuw een groot aantal aanhangers in het Midden-Oosten had. Er bestaan in dat gebied nog steeds nestorianen.

Een twistpunt in de vierde eeuw, dat eveneens betrekking had op de natuur van Christus, hield de vroege kerk tientallen jaren in zijn greep: de Ariaanse controverse. Arius leerde dat de Zoon onmogelijk dezelfde kon zijn als de Vader. Hij zou na deze komen, omdat de Zoon was verwekt en dus een begin had. God was echter ondeelbaar. Christus was dus gelijkend op de vader (Grieks homoi-ousios), maar niet dezelfde. Bisschop Athanasius viel Arius aan met de opvatting dat Christus de logos is, volledig god en van dezelfde substantie als de Vader; dit komt tot uiting in de term homo-ousios. Jarenlang redetwistten zij en hun aanhangers over één jota (de i in homoi). Tenslotte won Athanasius toen het concilie van Nicea in 325 besliste ten gunste van homo-ousios – de Zoon zou van dezelfde substantie zijn als de Vader. Niettemin was het Arianisme in de vierde eeuw wijdverspreid in het oostelijke keizerrijk en bleef in sommige gebieden tot de zevende eeuw voortbestaan. Keizer Constantijn werd dan ook door een Ariaanse ketter tot het christendom bekeerd. In die tijd was de kwestie voor de meeste christenen niet erg duidelijk en werd als weinig meer dan Griekse haarkloverij beschouwd.

Een veel voorkomende bron van onenigheid was ook de kwestie van goed en kwaad. Als god goed is, waar komt het kwaad in de wereld dan vandaan? Als god niet verantwoordelijk is voor het kwaad, dan moet er een andere macht zijn die dat wel is, wat een machtsstrijd teweegbrengt tussen de krachten van het goede en van het kwade. De opvatting van de kerk over de zondeval van de mens en de hof van Eden is welbekend. In veel gnostisch-dualistische kringen geloofde men echter dat er een onbekende god is, dat de wereld werd geschapen door een lagere god, die de demiurg, de schepper of bouwer werd genoemd, en vaak zelfs de duivel of Satan. De zielen van de mensen behoren aan de onbekende god, maar ze zijn door de demiurg gekerkerd in lichamen van stof. Veel mythen bevatten variaties op dit thema. Ontsnapping aan de macht van de demiurg en terugkeer tot de onbekende god was onontbeerlijk. Dit dualisme in zijn gematigde vorm nam aan dat de onbekende god uiteindelijk de donkere machten zou overwinnen. In de radicale vorm van de leer was er een eeuwige worsteling tussen goed en kwaad. Deze opvatting leidde tot het verwerpen van het Oude Testament als het boek van de schepper of demiurg.

Deze dualistische gedachten zijn heel oud – zeker even oud als het christendom zelf, en in hun grondvormen veel ouder. Enkele bekende aanhangers van deze manier van denken waren Marcion, Valentinus en Basilides in de tweede eeuw en Mani in de derde. Men kan de weg van het dualisme volgen van Perzië naar Klein-Azië en Thracië in Griekenland, waar de Pauliciërs in de zevende eeuw en later actief waren. Daarna verspreidde het zich over de Balkan, werd heel sterk en manifesteerde zich in de tiende eeuw onder de zogenaamde Bogomilen. De Balkan was eeuwenlang dualistisch en had zijn eigen kerken en bisschoppen. Enige tijd was het dualisme de belangrijkste religie in Bosnië (dat nu deel uitmaakt van Joegoslavië). Deze beïnvloedde voornamelijk het gewone volk, want de adel en de heersers volgden gewoonlijk de orthodoxe christelijke richting. Van de Balkan drong het dualisme door tot Noord-Italië en Zuid-Frankrijk, waar het in de 12de en 13de eeuw bloeide in Languedoc en in de Provence. Hier noemde men de dualisten Katharen of Albigenzen. De volledige cultuur in dit gebied werd beïnvloed door het dualisme, waarbij de hele bevolking was betrokken, van de adel tot het gewone volk – tot het zo overweldigend en machtig werd dat het het orthodoxe christelijke geloof begon te verdringen. Dit vormde een ernstige bedreiging voor de kerk, die de hulp inriep van wereldlijke machten – in dit geval de koning van Frankrijk – om het te verpletteren. Het gevolg was de kruistocht tegen de Albigenzen. Met hulp van de inquisitie werd het dualisme in het zuiden van Frankrijk systematisch aangevallen, vernietigd en praktisch weggevaagd. Vanuit Frankrijk hadden deze opvattingen zich verspreid naar Spanje, Vlaanderen, Duitsland en zelfs Engeland. Ze bleven op verschillende plaatsen in Europa bestaan en enkele van deze gedachten werden door de Reformatie overgenomen.

Een ander belangrijk strijdpunt leidde tot verdere beschuldigingen tegen ketters: de leer van de erfzonde en de voorbeschikking. In de vierde eeuw verwierp Pelagius de voorbeschikkingsleer van Augustinus en wees hij iedere gedachte aan de zondeval van Adam en Eva af. Volgens Pelagius worden de fouten van de mens niet veroorzaakt door ingeboren slechte neigingen, maar door het vermogen om te kiezen. Wanneer men dit vermogen niet goed gebruikt, is men schuldig: zonde is een zaak van de wil. Pelagius verwierp de opvatting van Augustinus dat de mens was verdoemd tengevolge van de daden van Adam; hij beschouwde de dood als iets natuurlijks, niet als een straf. Het Pelagianisme werd in de zesde eeuw in de ban gedaan.

Het zal nu wel duidelijk zijn dat wat we het orthodoxe christendom noemen, in feite een verzameling van keuzen is, gedaan door mensen in machtsposities. De gnostici en de volgelingen van andere ketterse bewegingen maakten eenvoudig andere keuzen. Het is opmerkelijk dat deze alternatieve ideeën vanaf de tijd van Christus en zelfs de hele middeleeuwen door hebben bestaan, en nog steeds niet werkelijk zijn verdwenen. Waarom? Omdat ze te maken hebben met de niet te onderdrukken speurtocht naar de waarheid, het geestelijke onderzoek van mannen en vrouwen, onze zoektocht naar de antwoorden op de laatste vragen: wie zijn we, waar komen we vandaan en wat is onze bestemming?

Vanaf onheuglijke tijden is er een wijsheidstraditie geweest die de mensheid heeft geholpen om deze antwoorden te vinden. Volgens deze traditie ligt de uiteindelijke werkelijkheid of de laatste waarheid buiten het bevattingsvermogen van de mens, maar fragmenten ervan kunnen overal worden gevonden. Soms verwijzen deze naar het geheel, maar vaak zijn ze verwrongen en verkeerd begrepen. Deze wijsheid kan in praktisch elke religie en elk filosofisch stelsel op aarde worden gevonden. Ze bestaat in het orthodoxe christendom, maar veel ervan is door dogma’s verduisterd. Het is heel interessant dat veel oude wijsheid in de verschillende ketterijen aanwezig is.

Het zien van Christus als een geestelijk wezen en leraar, iemand die de weg wijst naar een zelfgeleide geestelijke evolutie, is een echo van de lering van de esoterische filosofie dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen geestelijke ontwikkeling. Van tijd tot tijd verschijnen er wereldleraren op aarde om ons hieraan te herinneren, en Jezus was een van hen. De eeuwige filosofie spreekt ook over het bestaan en de ontwikkeling van deze aarde door zogenaamde bouwers of scheppende krachten, die worden geleid door hogere wezens of ontwerpers. Er is geen absoluut goed of kwaad, alleen wezens die min of meer in harmonie met het geheel zijn. Lichamen of vormen worden voortgebracht door de minder volmaakte scheppers, terwijl de verstandelijke en geestelijke aspecten worden bezield door meer ontwikkelde wezens. De leringen van talrijke gnostisch-dualistische groepen tonen duidelijke parallellen met deze gedachten, waarvan sommige in zuiverder vorm bewaard zijn gebleven dan andere.

In de oudheid werd deze wijsheid onderwezen in mysteriescholen, maar pas nadat de mensen waren ingewijd en nadat ze plechtig hadden beloofd haar geheim te houden. Veel van de eerste leraren en zelfs enkele van de eerste bisschoppen waren ingewijden in deze scholen, en kennis over de esoterische filosofie blijkt dikwijls uit hun geschriften. Toen de kerk een officiële macht was geworden met bepaalde wereldlijke doeleinden, werd bij de leringen de nadruk meer exoterisch dan esoterisch. De ware betekenis ervan raakte geleidelijk verloren en steeds minder mensen werden werkelijk ingewijd en onderwezen. Leringen die oorspronkelijk esoterisch waren, namen een vaste vorm aan, omdat niet-onderwezenen ze probeerden te verklaren. Op dit punt werden de leringen verwrongen en exoterische machtsstructuren eisten in kwesties van de geest het gezag op.

De vraag voor ons nu is: welke keuze impliceert de ware mening? Op grond van de esoterische filosofie beweren veel ketterijen dat wij allen het recht en de plicht hebben om de waarheid in onszelf te zoeken, dat we op onze eigen intuïtie moeten vertrouwen om deze keuzen te doen en dat we geen bemiddelaar nodig hebben om ons in contact met het goddelijke te brengen, omdat we er zelf stralen of vonken van zijn. Als vonken van het goddelijke zijn we allen deel van het grotere geheel en staan we allemaal op talloze manieren met elkaar in verbinding. Daarom moeten we begrijpen dat er plaats is voor iedereen en voor ieders mening over de weg naar ons innerlijke wezen. Meningsverschillen maken niemand ketters of orthodox. De oude traditie staat volkomen anders tegenover ketterij: zij zegt dat er in werkelijkheid maar één ketterij in het leven is, en dat is de overtuiging dat men afgescheiden is van het heelal en alles daarin. We moeten bedenken dat ieder van ons over slechts een deel van de waarheid beschikt en dat de waarheid van één persoon niet meer gezag heeft dan die van een ander. Zo moeten we proberen te vermijden onze eigen mening als de enig juiste te zien. Dit zal ons zeker verdraagzamer maken tegenover onze medemensen, die evenveel waarde hechten aan hun keuzen en meningen als wij aan de onze. De inhoud van deze soort verdraagzaamheid wordt in het kort als volgt door de dichter Edwin Markham uitgedrukt:

Hij trok een cirkel die mij buitensloot — ketter, rebel — een voorwerp van spot;
Maar liefde en ik wisten te winnen — we trokken een cirkel en lieten hem binnen.

 

Bibliografie

  • Borst, Arno, Die Katharer, Hiersemann Verlag, Stuttgart, 1953.
  • Johnson, Paul, A History of Christianity, Penguin Books, Harmondsworth, 1980.
  • Madaule, Jacques, The Albigensian Crusade, Fordham University Press, New York, 1967.
  • Pagels, Elaine, The Gnostic Gospels, Vintage Books, New York, 1981.
  • Rudolph, Kurt, Gnosis, Harper & Row, San Francisco, 1983.
  • Runciman, Stephen, The Medieval Manichee, Cambridge University Press, Cambridge, 1955
  • Sunderland, Jabez, The Origin and Character of the Bible, The Beacon Press, Boston, 1947.
  • Vries, Theun de, Ketters: veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam, 1985.
 
Andere artikelen over religie en filosofie: christendom
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency