Veel van de wijsheid van de Amerikaanse Indianen is neergeschreven
in symbolen – een taal zonder letters of klanken, die dat deel
van onze natuur aanspreekt dat zich weet te herinneren. Jammer genoeg
zijn maar weinigen van ons in staat om in aanraking te komen met deze
ideeën die wellicht in vorige levens alles voor ons hebben betekend.
Het kan een hulp zijn als we nadenken over de mogelijke betekenis van
de prehistorische beeldschrifttekens, die door heel Noord-, Midden-
en Zuid-Amerika te vinden zijn en waarvan vele de vorm hebben van cirkels,
vlakken, kruisen, swastika’s en zinnebeeldig gevormde dieren,
mensen en goden.
In De Geheime Leer geeft H.P. Blavatsky de volgende interpretaties:
de cirkel (ei of schijf) stelt de oneindige ruimte voor; het universum
voor het leven begon, als het ware sluimerend, in een toestand van onbewust
niet-zijn; het Goddelijke waaruit alles voortkomt en waarheen alles
terugkeert. Een stip in een cirkel suggereert de kiem van het geopenbaarde
leven, waardoor de cirkel een omlijnd gebied wordt, beperkt door het
menselijke bevattingsvermogen of door de grenzen van zijn zichtbare
activiteiten – waarachter het onkenbare zich ‘eeuwig’
uitstrekt. De stip tot een lijn uitgebreid, stelt dualiteit voor: geest
en stof, hemel en aarde, en de onnoemelijk vele lichte en donkere yang-yin
eigenschappen die door het hele geopenbaarde bestaan te vinden zijn.
Wanneer de horizontale lijn wordt gesneden door een verticale duidt
dat op menselijk leven. De omtrek kan nu worden weggelaten, zodat het
kruis overblijft, symbool van de afdaling van de geest in de stof, of
van een goddelijk wezen in het aardse bestaan. In sommige culturen symboliseert
het kruis voltooiing, dat evenwicht tussen geestelijke en materiële
krachten waarvan sprake is als een man of vrouw wordt verlicht.
Bij de Amerikaanse Indianen is een deel van de omtrek op zijn plaats
gebleven en vormt dan een svastika – dat eeuwenoude embleem van
de beweging van het leven dat geen begin of einde kent; van cyclische
tijdsperioden; en van de spiraalsgewijs bewegende kosmische krachten.
De hindoes zien deze eeuwigdurende ritmische beweging als de periodieke
uitademing en inademing van Brahma: het ontwaken en inslapen van uitgebreide
wereldstelsels. De Grieken spreken van de Logos of het Woord, dat tegelijk
als klank, trilling en beweging het universele leven wekt.
Zoals Frank Waters in zijn Book of the Hopi1
vertelt, is het frappant te zien hoe de beschrijvingen van Indiaanse
ouderen uit Noord-Arizona verrassende overeenkomsten vertonen met Griekse
en Romeinse, Aziatische, Perzische en andere beschrijvingen van de vernietiging
van opeenvolgende wereld-continentale stelsels, afwisselend door vuur
en overstromingen; van de periodieke omkering van de polen van de aarde;
en van de zes onzichtbare metgezellen van onze aardbol, die te vergelijken
zijn met de onzichtbare zielen of ‘lichamen’ die bestaan
uit geestelijke, mentale, psychische en astrale energie-substanties,
van menselijke en alle bezielde wezens.
In de Hopi traditie begon de schepping vóór de tijd zelf,
toen in de oneindige ruimte er alleen een onmetelijk ledig was in het
denkvermogen van de Schepper, Taiowa. Daarna dacht hij aan het eindige
en zijn gedachte schiep Sótuknang die moest helpen om leven te
scheppen en het heelal vorm te geven volgens het goddelijk plan. Sótuknang
verzamelde vanuit de eindeloze uitgestrektheden van de ruimte de substantie
die zich moest openbaren, gaf daaraan vorm en zorgde voor negen universele
rijken. Hij verzamelde de oerwateren en plaatste die in de heelallen
en ook verzamelde hij de oerluchten en regelde hun circulaties.
Toen ging Sótuknang naar de Eerste Wereld en bracht Spinvrouw
voort – die prachtig symbolische figuur die uit zichzelf de veelsoortige
vormen spint van karmische illusies en daarna voor altijd haar kinderen
helpt en steunt. Spinvrouw schepte wat aarde op, vermengde het met speeksel
en vormde twee wezens. Ze bedekte hen met haar cape van dunne witte
stof en zong het Lied van de Schepping. Toen ze haar cape wegtrok gingen
de tweeling-wezens overeind zitten en vroegen: ‘Wie zijn wij?
Waarom zijn we hier?’
Op aanwijzing van Spinvrouw verhardde een van de Tweelingen de aarde
en vervulde de ander de wereld met muziek, zodat alle vibratie-centra
langs de aardas in harmonie meetrilden. Zo werd de hele wereld een instrument
en werd geluid het middel om boodschappen naar de Schepper over te brengen.
Na dit te hebben volbracht, werd de Tweelingen opgedragen naar de polen
van de aarde te gaan om die in harmonie te laten draaien.
Toen bekleedde Spinvrouw de aarde met bomen en bloemen, vogels en dieren
en, zoals zij de Tweelingen had geschapen, bracht ze acht menselijke
wezens voort uit aarde, in vier kleuren. Sótuknang gaf deze eerste
mannen en vrouwen spraak, wijsheid en het vermogen tot voortplanting.
Hij zei tot hen: ‘Ik geef u deze wereld om in te leven en gelukkig
te zijn. Maar denk eraan de Schepper lief te hebben en te respecteren
in alles wat u doet.’
Met de zuiverheid van hun hart beseften deze mensen dat de aarde een
levend wezen was zoals zijzelf en ze wisten dat, omdat de zon hun Vader
was, zijn levenschenkende kracht en die van de aarde afkomstig waren
van de Schepper. Hoewel ze verschillend van kleur waren, voelden deze
eerste mensen zich één en begrepen ze elkaars behoeften.
Maar geleidelijk aan vergaten ze echter hun Schepper. De dieren trokken
zich terug en werden wild en de verschillende rassen vervreemdden van
elkaar.
Gelukkig waren er in elke groep enkelen die het zich herinnerden en
die probeerden in harmonie met hun broeders te leven. Toen de toestanden
op aarde zo disharmonisch waren dat hij gedwongen was een nieuwe wereld
te scheppen, zei Sótuknang tot die weinigen dat ze gespaard zouden
worden om een nieuw ras te beginnen als ze hun innerlijk weten volgden,
de ‘wijsheid uit het centrum bovenin hun hoofd.’ Toen de
weinigen uit alle delen van de aarde dit hoorden, trokken zij eropuit
om een veilige plaats te vinden. Geleid door innerlijke wijsheid kwamen
ze tenslotte bij een heuvel van het Mierenvolk, waar ze werden verwelkomd
en ondergronds gebracht. Voor het mystieke denken van de in de woestijn
wonende Indianen was een luchtdichte, ondergrondse, welvoorziene voorraadkamer
ongetwijfeld een even geschikt symbool voor de plaats waar de levenszaden
bewaard moesten blijven als de Ark van Noach.
Intussen was alles op het land, in de wateren en in de lucht tot as
verbrand. Er was niets over van de verdorvenheid van de vorige wereld.
Toen er nieuw land was gevormd dat gereed was voor het leven, verschenen
de mensen in een aantrekkelijke, ruimere Tweede Wereld. Hoewel ze zich
in alle richtingen verspreidden, waren ze in de geest dicht bijeen en
in staat elkaar te zien en te spreken door gebruik te maken van hun
bijzondere vermogens. Jammer genoeg vervielen ook zij weer tot ruzie
en onenigheid en de weinigen die in harmonie hadden geleefd werden opnieuw
ondergronds gebracht, beveiligd tegen de catastrofale vernietiging.
Ditmaal werden de Tweelingen teruggeroepen van hun standplaats aan de
polen en de aarde ‘die nu door niemand in bedwang werd gehouden,
raakte uit haar evenwicht, draaide wild om haar as en rolde toen tweemaal
om. Bergen plonsden in de zeeën met groot geraas, zeeën en
meren spoelden over het land; en terwijl de wereld ronddraaide in een
koude en levenloze ruimte bevroor ze tot een ijsklomp’ (blz. 16).
Toen de Tweelingen op hun post terugkeerden en het ijs smolt, werd
er een nieuwe wereld gevestigd. Deze keer bouwden de mensen grote steden
en prachtige beschavingen, maar ze ontdekten dat hoe meer ze zich ontwikkelden,
des te moeilijker het werd zich de wetten van de Schepper te herinneren
en die op te volgen. Velen werden hebzuchtig en verdorven; sommigen
misbruikten hun pas verworven vermogens tot voortplanting, anderen hun
intelligentie. Ditmaal werd de wereld vernietigd door water: ‘golven
hoger dan bergen rolden over het land. Continenten braken in stukken
en verzonken in de zeeën’ (blz. 18). De weinige goede mensen
dreven voort op de vloed in holle rietstengels en op vlotten. Door hun
innerlijke wijsheid te volgen kwamen ze tenslotte in de nieuwe wereld
die Túwaqachi heette, wat ‘Volledige Wereld’ betekent
en er niet alleen op doelde dat de aarde haar laatste toestand van openbaring
had bereikt, maar dat de mens tijdens deze periode ‘volledig’
kon worden.
Toen ze weer tevoorschijn waren gekomen in Túwaqachi, ontmoetten
de Indianen Másaw, Schenker van Vuur en Behoeder en Beschermer
van de Vierde Wereld. Hij vertelde hun dat de tijd was aangebroken om
deel te nemen aan het universele plan van de Schepper door naar de zee
te reizen in noordelijke, zuidelijke, oostelijke en westelijke richting.
Gehoorzaam vertrokken de stammen, sommige gingen in de ene richting,
andere in een andere, maar alle keerden terug naar het Centrum voor
ze een nieuwe richting insloegen. Dit Centrum, gelegen op de nu onvruchtbare
hoogvlakte waar Arizona, New Mexico, Colorado en Utah samenkomen, was
volgens hen het magnetische en geestelijke centrum van de kosmos, gevormd
op het kruispunt van de noord-zuid en oost-west as van de wereld waarlangs
de Tweelingen hun vibrerende boodschappen zenden en de rotatie van de
planeet controleren.
Tijdens deze migraties lieten de stammen signaturen en boodschappen
achter op de rotsen of in de heuvels, waarvan vele nog zijn overgebleven.
Niet alle volbrachten de terugtocht naar het Centrum; sommige vestigden
zich elders en vergaten hun afkomst en verbindingen. Van hen die wel
terugkeerden, begrepen slechts enkelen de bedoeling die de Schepper
met deze reizen had – en dat was, geestelijk gesproken, een zoektocht
naar zuivering, ontdekking en verwerving van de waarheid, schoonheid
en liefde die hen in staat zouden stellen hun volk te helpen.
De Vuur-, Fluit-, Slang- en Zonne- Stammen begonnen hun zwerftocht
samen, vergezeld door twee sprinkhaanachtige Insect-mensen – een
versie van de Gebochelde Fluitspeler, Kókopilau. Afbeeldingen
van deze figuur zijn in heel Amerika gevonden, elk verschillend, maar
alle met een bochel of zak op de rug die de gaven of zaden bevatten
die, als ze uitgezaaid worden, leven voortbrengen en voedsel verschaffen
voor alle levende wezens. Als gevaar of ziekte de stamleden bedreigden,
speelden de twee Insect-mensen zulke tedere melodieën dat het gevaar
werd afgewend, ziekte werd overwonnen en het moreel van de mensen werd
opgevijzeld. Als het voedsel schaars was, versnelde hun muziek de groei
en rijpten de zaden van het graan, de meloenen en de bloemen die ze
plantten uit de voorraad die ze op hun rug droegen.
De stammen die zich aansloten bij de Beer Stam werden vergezeld door
andere kachina’s (Kókopilau wordt gezien als een kachina).
Kachina’s zijn geesten die een menselijke vorm aannemen om deze
vroege zwerftochten te ondersteunen en te leiden. Hun functie was dezelfde
als die van de manasaputra’s (zonen van het denkvermogen)
uit de Hindoe-traditie, die de jonge mensheid leidden, verlichtten en
beschermden. Zij zijn levende symbolen van de universele geest die alles
belichaamt waarnaar wij streven, alles wat wij zullen worden.
Bij hun terugkeer uit het zuiden onderbraken enkele van de stammen
hun tocht om wat de Hopi’s noemen de Grote Rode Stad van het Zuiden
op te bouwen. Volledig omgeven door een hoge muur stond in de stad een
reusachtige vier etages hoge pyramide. Op de eerste verdieping onderwezen
kachina’s leerlingen in de geschiedenis en de betekenis van de
Vier Werelden; op de tweede verdieping werd fysiologisch en psychologisch
onderricht gegeven, zodat neofieten de subtielere krachten van hun denken
konden begrijpen en de wijze waarop de Grote Geest in de mens werkt;
onderricht op het derde niveau legde de nadruk op het medisch gebruik
van planten; en op het hoogste niveau werden geheimen onthuld aan de
best geïnformeerde en betrouwbaarste ingewijden met betrekking
tot de invloeden die hemellichamen hebben op het klimaat op aarde, op
oogsten en op levende wezens; geheimen die te maken hebben met de negen
heelallen: hun levenscyclus, hun bewoners en hun onderlinge betrekkingen;
het geestelijk potentieel van de mensen en de waarde van het openhouden
van de ‘deur bovenin hun hoofd’ om zich met hun Schepper
te kunnen onderhouden.
Toen deze Grote Rode Stad werd opgeheven, trokken de kachina’s,
na hun opdracht te hebben volbracht, zich terug van het zichtbare gebied,
maar beloofden terug te keren als hun hulp nodig was. Volgens een wijdverbreide
overlevering dalen ze elk jaar af uit hun verblijf op de top van de
San Francisco Peaks bij Flagstaff in Arizona, op tijd voor de ceremoniën
van de winterzonnewende, blijven zes maanden en vertrekken aan het eind
van de zomerzonnewende in het laatste deel van juni. Deze onzichtbare
kachina’s verheffen het bewustzijn van allen die hun nabijheid
voelen, waardoor deze, zij het voor korte tijd, in de Vijfde Wereld
(of gebied van bewustzijn) kunnen ‘verschijnen’.
Hoewel we chronologisch gezien nu in de Vierde Wereld of gebied leven,
blijft, volgens de Hopi oudsten, ons bewustzijn in de Derde totdat we
geestelijke verantwoordelijkheid erkennen en aanvaarden. Door dit te
doen zullen we in hogere werelden ‘verschijnen’ en eens
kachina’s worden, ‘achtenswaardige geesten’, zij die
weten dat ze zelf eindige delen zijn van het Oneindige – want
we zijn nauw met elkaar verbonden. Wij en zij hebben ontelbare perioden
van onschuld en verval overleefd, steeds hernieuwde transformaties en
hergeboorten, telkens te voorschijn komend in een nieuw en beter stoffelijk
en psychologisch milieu met nieuwe zich ontwikkelende vermogens. Net
als zij zullen ook wij wellicht terugkeren van onze reizen door verre
werelden, planeten en sterren en gaven meebrengen om onze jongere broeders
te helpen op hun evolutionaire weg. Zoals de Hopi’s zeggen, zal
onze reis ons voeren door elk van de zeven heelallen, waar we tenslotte
de negenenveertig toestanden van onze evolutionaire ontwikkeling zullen
voltooien en opgaan in een Achtste en Negende Wereld, waarvan de aard
buiten ons huidige begripsvermogen ligt.
De gedachte dat er een continuïteit van leven is door vele werelden
is niet nieuw voor hen die zich met vergelijkende godsdienststudie bezighouden:
dat de aarde een veelvormig wezen is, zoals ook wij dat zijn met onze
verschillende innerlijke zielen of ‘lichamen’; en dat de
bol waarop wij leven de vierde is van zeven aardbollen – ‘zij
heeft haar eigen zon, maan en satellieten, die op zichzelf een klein
zonnestelsel vormen’ (blz.165). Op drie ervan hebben we in het
verleden geleefd en op drie andere zullen we in de toekomst leven. Mystici
van alle tijden hebben gezinspeeld op de wonderen aan de andere zijde
als de verre ‘eilanden’, ‘andere woningen’ en
‘wielen binnen wielen.’ De Azteekse Codex Vaticanus
spreekt van de vier voorafgaande ‘werelden’ en maakt melding
van de zeven rondtrekkende stammen die uit de zeven grotten in Aztlán
verschenen (Op.cit., blz. 117).
Deze leringen worden meegedeeld tijdens gewijde ceremoniën in
de ondergrondse Hopi-Kiva’s (wat betekent ‘de wereld eronder’)
waar geen buitenstaander toegang heeft. Daar, in de schoot van de aarde,
wordt de geschiedenis van de schepping van de mensheid en de opeenvolgende
verschijningen opnieuw opgevoerd. Een kleine opening in de vloer van
de kiva symboliseert de plaats van vorige verschijningen, een andere
in het dak verschaft de deelnemers zicht op heelallen die nog niet bekend
zijn, waar ze hun hogere vermogens zullen ontwikkelen. Zelfs nu, zo
wordt hun verteld, is het verschijnen begonnen. De zaden van het nieuwe
leven ontkiemen in de zielen van nederige mensen over de hele wereld
en zaden van dezelfde soort worden in de sterren gezaaid. Dit weten,
dit begrijpen wat het betekent, houdt het te voorschijn treden in de
Vijfde Wereld in.
Wat zijn deze zaden en wat zijn de zaden die Kókopilau zaaide?
Zouden het de waarheden kunnen zijn, de oeroude ideeën die individuen
en rassen hebben geïnspireerd, gevoed en geleid sinds ze voor het
eerst zijn gezaaid in de menselijke ziel; waarheden die overal om ons
heen te vinden zijn – verborgen in de eenvoudigste symbolen?
Noot
- Deze weergave van het Hopi scheppingsverhaal
is ontleend aan Frank Waters opmerkelijke boek over de Hopi overleveringen,
dat voor het eerst in 1963 werd gepubliceerd.