De vloedgolf
H.P. Blavatsky

 

Vertaald en verkort uit Lucifer (5:27), 15 november 1889, blz. 173-8; herdrukt in H.P. Blavatsky: Collected Writings, 12:1-8.


 

‘De vloedgolf van verheven zielen,
Stroomt in ons diepste wezen,
En heft ons onbewust,
Uit onze kleine vrezen.’
   – Longfellow

De grote psychische en geestelijke verandering die nu op het terrein van de menselijke ziel plaatsvindt, is heel opmerkelijk. Ze begon bij de aanvang van het nu snel voorbijgaande laatste kwart van onze eeuw [de 19de eeuw] en eindigt – volgens een mystieke profetie – ten goede of ten kwade voor de beschaafde mensheid, met de huidige cyclus die in 1897 wordt afgesloten. Maar de grote verandering voltrekt zich niet in plechtige stilte en wordt ook niet alleen door de weinigen opgemerkt. Integendeel, ze maakt zich kenbaar onder het oorverdovend rumoer van drukke luidruchtige stemmen, de botsing van openbare meningen; daarmee vergeleken is het onafgebroken, steeds toenemende lawaai van zelfs de luidruchtigste politieke agitatie niet meer dan het geritsel van het jonge gebladerte in een bos, op een warme lentedag.

De geest van de mens, zo lang aan het oog onttrokken en zorgvuldig verborgen, verbannen uit het veld van de moderne wetenschap, is tenslotte ontwaakt. Hij doet zich nu kennen en eist opnieuw met luide stem zijn niet erkende, maar wel steeds wettige rechten op.

Zie om u heen! Denk na over wat u ziet en hoort en trek daaruit uw conclusies. De eeuw van grof materialisme, van blindheid en gestoordheid van de ziel gaat snel voorbij. De doodsstrijd tussen mystiek en materialisme is niet langer ophanden, maar woedt reeds. En de partij die de overwinning behaalt op dit belangrijke moment wordt meester van de situatie en van de toekomst; d.w.z. wordt de onbeperkte heerser en enige beschikker over de miljoenen mensen die al geboren zijn of geboren zullen worden, tot in het laatste deel van de 20ste eeuw. Als men de tekenen van de tijd mag vertrouwen zijn het niet de animalisten [zij die in de mens alleen een dier zien] die de overwinnaars zullen blijven. Daarvoor staan de vele dappere en vruchtbare auteurs en schrijvers garant die in de laatste tijd zijn opgestaan en het recht van de geest om over de stof te heersen, verdedigen. Er zijn vele en strevende zielen die zich nu verheffen als een blinde muur tegen de stroom modderig water van het materialisme. En terwijl ze het hoofd bieden aan de tot nu toe overheersende stroom, die nog steeds de resten van het wrak van de onttroonde, geslagen menselijke geest naar onbekende diepten meevoert, roepen ze nu: ‘Tot hier zijt ge gekomen; maar verder zult ge niet gaan!’

Temidden van al deze uiterlijke tweedracht en ontregeling van de maatschappelijke harmonie; temidden van de verwarring en de zwakke en laffe aarzelingen van de massa, die zich vastklampt aan de bekrompen vormen van routine, fatsoen en kwezelarij; temidden van de tot nu toe volkomen stilte van het menselijk denken, dat elke verwijzing naar ziel en geest en hun goddelijke werking, gedurende het hele middendeel van onze eeuw uit de literatuur had verbannen – doet zich nu een geluid horen. Als een helder, duidelijk, verreikend teken van hoop verkondigt de stem van de grote menselijke ziel, niet langer op bedeesde toon, de opstanding en bijna herrijzenis van de menselijke geest in de massa. Hij ontwaakt nu in de voorste vertegenwoordigers van filosofie en wetenschap; hij spreekt zowel in de laagsten als de hoogsten en spoort allen tot handelen aan. De hernieuwde, levengevende geest in de mens bevrijdt zich dapper van de duistere boeien van het tot nu toe allesoverheersende dierlijke en stoffelijke leven. Zie, zo zegt de dichter, hoe hij, opstijgend op zijn brede, witte vleugels, de gebieden van het ware leven en het ware licht binnenzweeft; vanwaar hij, kalm en goddelijk, met ongeveinsde piëteit, peinst over de vergulde afgodsbeelden van de moderne materialistische cultus met hun lemen voeten, die tot nu toe de ware en levende goden voor de kortzichtige massa verborgen hebben gehouden . . .

Een nieuw tijdperk in de literatuur is begonnen, dat staat vast. Nieuwe gedachten en nieuwe belangen hebben nieuwe intellectuele behoeften geschapen; daarom is een nieuw ras van schrijvers bezig op te staan. En dit nieuwe ras zal geleidelijk en onmerkbaar het oude buitensluiten, die behoudende krachten van vroeger die, al regeren ze nog in naam, dat veeleer doen uit gewoonte dan daartoe te zijn geroepen. Niet hij die halsstarrig en als een papegaai de oude literaire vormen herhaalt en wanhopig vasthoudt aan de tradities van uitgevers, zal aan de nieuwe behoeften kunnen voldoen; niet de man die de voorkeur geeft aan zijn bekrompen partijdiscipline boven het zoeken naar de zo lang verbannen geest van de mens en de nu verloren waarheden; niet zij, maar hij die afscheid neemt van zijn dierbare ‘autoriteit’ en de vlag van de Toekomstige Mens dapper omhooghoudt en met zich voert. Zij zijn het tenslotte die, temidden van de nu algemeen heersende verering van de stof, van materiële belangen en van zelfzucht, dapper hebben gestreden voor de mensenrechten en de goddelijke natuur van de mens, en die, als zij winnen, de leraren van de massa in de komende eeuw en ook hun weldoeners zullen worden.

Maar wee de 20ste eeuw als de nu heersende denkrichting zegeviert, want dan zou de geest opnieuw de gevangene worden en het zwijgen worden opgelegd tot het einde van de nu komende eeuw. Het zijn niet de fanatieke aanhangers van de dode letter die ooit de beschermers en redders van het nu herrijzende denken en de herrijzende geest van de mens zullen worden. Het zijn niet deze te gewillige verdedigers van de oude cultus en de middeleeuwse ketterijen van hen die elke dwaling van hun sekte of partij als een relikwie beschermen, die naijverig hun eigen denken bewaken opdat het, volwassen wordend, geen nieuwere en betere ideeën overneemt – niet zij zijn het die de wijzen van de toekomst worden. Niet voor hen heeft het uur van het nieuwe historische tijdperk geslagen, maar voor hen die hebben geleerd uiting te geven aan de aspiraties en de stoffelijke behoeften van de opkomende generaties en de nu met voeten getreden massa. Om het individuele leven met zijn fysiologische, psychische en geestelijke mysteriën volledig te begrijpen, moet men zich met alle kracht van onzelfzuchtige filantropie en liefde voor zijn medebroeders wijden aan de studie en het leren kennen van het collectieve leven, of de mensheid. Zonder vooroordelen en zonder vooringenomenheid en ook zonder de geringste vrees voor mogelijke gevolgen in de een of andere richting, moet men de diepe en meest innerlijke gevoelens en de aspiraties van het grote en lijdende hart van het arme volk ontcijferen, begrijpen en in herinnering houden. Daarvoor moet men eerst ‘zijn ziel in harmonie brengen met die van de mensheid’, zoals de oude filosofie leert; moet men de juiste betekenis van elke regel en elk woord van de snel omslaande bladzijden van het levensboek van de mensheid grondig leren kennen en doordrongen zijn van de waarheid dat laatstgenoemde als geheel onscheidbaar is van zijn eigen zelf.

Hoeveel van dergelijke ernstige lezers van het leven zijn er te vinden in onze eeuw, die zich beroepen op wetenschappen en cultuur? We bedoelen natuurlijk niet alleen schrijvers, maar eerder de praktische en nog niet erkende, zij het welbekende, filantropen en altruïsten van onze eeuw; de vrienden van het volk, zij die de mens onzelfzuchtig liefhebben, en de verdedigers van het recht van de mens op vrijheid van geest. Het zijn er inderdaad slechts weinigen; want zij vormen de zeldzame bloesem van de eeuw en zijn gewoonlijk de martelaren van de vooringenomen massa en van hen die de huik naar de wind hangen. Net als die prachtige ‘Sneeuwbloemen’ van Noord-Siberië die, om uit de koude bevroren grond op te groeien, zich door een dikke laag hardbevroren sneeuw moeten heenwerken, zo moeten die zeldzame karakters hun hele leven strijd leveren tegen koude onverschilligheid en menselijke wreedheid. Ook zij die reeds een hogere zielenactiviteit vertonen en tegelijk begiftigd zijn met literair talent, zijn het die de plicht hebben de slapende ‘Bella en het Beest’1 in hun betoverde ‘Kasteel van Lichtzinnigheid’ bewust te maken van het ware leven en het ware licht. Laten allen die dat kunnen onbevreesd voortgaan, met die gedachte op de voorgrond, en zij zullen slagen.

Maak gebruik en profiteer van de ‘vloedgolf’ die nu gelukkig de helft van de mensheid overspoelt. Getuig van de ontwakende geest van de mensheid, van de menselijke geest en van de geest in de mens, deze drie in Een en de Een in Alle. Dickens en Thackeray die beiden een eeuw te laat werden geboren – of een eeuw te vroeg – verschenen tussen twee vloedgolven van menselijk, geestelijk denken en al hebben zij individueel goede diensten bewezen en tot bepaalde gedeeltelijke hervormingen aangezet, toch slaagden zij er niet in de maatschappij en de grote massa te raken. Wat de Europese wereld van nu nodig heeft is een dozijn schrijvers zoals Dostojevsky, de Russische schrijver, wiens werken, al zijn ze voor de meesten terra incognita, toch goed bekend zijn op het vasteland en ook in Engeland en Amerika bij de ontwikkelde klassen. En wat de Russische romanschrijver heeft gedaan is dit: – dapper en onbevreesd zei hij de meest onwelkome waarheden tot de hogere en zelfs de ambtelijke klassen – en dit laatste is een veel gevaarlijker handelwijze dan het eerste. En toch, let wel, de meeste bestuurshervormingen in de laatste twintig jaar zijn het gevolg van de stille en onwelkome invloed van zijn pen. Zoals een van zijn critici opmerkt voelden alle klassen de grote door hem geuite waarheden zo levendig en krachtig, dat mensen die opvattingen huldigden die diametraal stonden tegenover de zijne, toch alleen de warmste sympathie konden voelen voor deze dappere schrijver en hem dat ook zeiden.

Het zijn dergelijke schrijvers die in deze tijd van herontwaken nodig zijn; niet schrijvers die om geld of roem schrijven, maar onbevreesde apostelen van het levende woord der waarheid, morele heelmeesters van de pijnlijke zweren van onze eeuw.

Voor het schrijven van romans met een morele strekking, die diep genoeg gaat om de maatschappij te raken, is een groot literair talent nodig. Maar zulke talenten komen in alle landen zelden voor. Maar zelfs als men zulke grote gaven mist, kan men op kleinere en nederigere schaal goeddoen door in onpersoonlijke verhalen van de hemeltergende ondeugden en euvels nota te nemen en ze aan de kaak te stellen, met woord en daad, door publicaties en het voorbeeld. Laat de kracht van dat voorbeeld anderen ertoe brengen het te volgen; en dan, in plaats van onze leringen en aspiraties te bespotten, zullen de mensen van de 20ste, zo niet de 19de eeuw helderder zien, en met kennis van zaken en waarheidsgetrouw oordelen in plaats van vooroordelen te koesteren die beantwoorden aan diepgewortelde misvattingen. Dan en niet eerder zal de wereld genoodzaakt zijn te erkennen dat ze ongelijk had en dat alleen de theosofie langzamerhand een mensheid tevoorschijn zal brengen die even harmonieus en eenvoudig van ziel zal zijn als de kosmos zelf; maar om dat tot stand te brengen moeten theosofen in overeenstemming daarmee handelen. Moeten we, na menigeen te hebben geholpen zijn geest wakker te roepen – een uitdagende tegenstrijdigheid die we met vrijpostigheid uitspreken – nu stoppen, in plaats van met de vloedgolf verder te zwemmen?

 

Noot

  1. De held en heldin uit het sprookje waarin ‘Bella’ om het leven van haar vader te redden erin toestemt bij het ‘Beest’ te gaan wonen, dat door de liefde van ‘Bella’ verandert in een knappe prins en met haar in het huwelijk treedt.
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency