Het boek van Lao-Tzu, de Tao Teh Ching, stond al vele jaren
op de boekenplank voordat het tenslotte werd afgestoft en gelezen. Al
na het eerste hoofdstuk begon ik mezelf te verwijten dit niet eerder
te hebben gedaan. Deze poëtische mengeling van inspirerende geestelijke
ideeën en praktische filosofie voor het dagelijks leven bracht
mij er algauw toe dit belangrijke werk ernstiger te bestuderen.
Het Tao dat kan worden uitgesproken
is niet het Eeuwige Tao.
De Naam die kan worden genoemd
is niet de Eeuwige Naam.
De Naam, in Zijn innerlijk aspect,
is de Levensbron van Hemel en Aarde.
De Naam, in zijn uiterlijk aspect
is de Moeder van alle geschapen dingen.
Daarom: —
Om het mysterie van het Leven waar te nemen,
verlang steeds het innerlijkste te bereiken.
Om de beperkingen van dingen waar te nemen,
verlang er steeds naar ze te bezitten.
Deze twee aspecten van het Leven zijn Eén.
In hun uitingen worden ze verschillend van Naam
maar in hun diepste zin zijn ze Eén.
In de diepte, nog steeds dieper,
is de Deur tot vele mysteriën.1
Deze stanza’s van het eerste hoofdstuk omvatten drie begrippen
die in de overige van de 81 korte hoofdstukken van de Tao Teh Ching
overal tot uitdrukking worden gebracht. Het zijn Tao
,
Teh
,
en Wu
.
Er is tussen deze denkbeelden een wisselwerking die de bladzijden vullen
met de ontwikkelingen van het leven: zoals het te voorschijn komt, zich
tot volle activiteit ontplooit en terugkeert naar zijn oorsprong. De
relatie tussen deze thema’s verleent de Tao Teh Ching
zijn draagwijdte en diepte en om het boek beter in zijn geheel te begrijpen
leek het me nuttig deze drie begrippen los van elkaar te beschouwen.
De Chinese taal leent zich gemakkelijk voor het tot uitdrukking brengen
van filosofische gedachten, omdat ze de termen niet op een beperkte
en strakke wijze definieert. Het Chinese schrift heeft zich ontwikkeld
uit een pictografische en niet een alfabetische bron. Alle karakters
of woorden berusten op 214 grondelementen, die bekend zijn als radicalen
en min of meer als letters worden gebruikt. Deze radicalen kunnen als
zelfstandige ideeën worden gebruikt. Als we dus een samengesteld
karakter ontleden, kunnen we soms een heel interessante verzameling
ideeën aantreffen die ons kunnen helpen het begrip als geheel te
begrijpen. Het karakter Tao
bestaat uit twee fundamentele bestanddelen; het ene,
,
dat verdergaan, in beweging zijn of voortgang betekent, en het andere,
, waaronder
hoofd of intelligentie wordt verstaan. Gecombineerd zou dit karakter
‘toenemende intelligentie’ kunnen betekenen. Tao wordt gewoonlijk
vertaald als de Weg, een woord dat heel toepasselijk de dubbele betekenis
heeft van ‘pad’ en ‘methode’. Maar meestal laat
men het in de onvertaalde vorm als Tao staan.
Hoewel Tao te vergelijken is met de hoogste godheden van de grote religies
en mythologieën van de wereld, lijkt het helemaal niet op het christelijke
begrip van God. Er is in de tekst geen sprake van het vermenselijken
van Tao en toch is het een volkomen toegankelijk, bemoedigend en universeel
denkbeeld.
Het Grote Tao stroomt overal,
Het strekt zich uit naar links en naar rechts
Alle dingen ontvangen Het
om te leven en vrij te zijn.
Het bewerkt de volmaaktheid in hen
hoewel Het geen Naam bezit.
Het beschermt hen met liefde en onderhoudt hen,
maar maakt er geen aanspraak op de Bestuurder van hun
handelingen te zijn. – hfst.34
Een heel goede methode om ons begrip van een filosofie te verdiepen
is nieuwe conclusies te vergelijken met denkbeelden die ons al vertrouwd
zijn. Zij die een studie maken van religieuze teksten of filosofieën
zullen tussen deze verzen en die uit andere tradities enkele heel opvallende
overeenkomsten ontdekken. Een bijzonder belangrijke heeft te maken met
Tao, dat schept en toch van zijn schepping gescheiden blijft of, zoals
eerder gezegd, ‘hen onderhoudt maar niet de bestuurder van hun
handelingen is.’ We vinden deze gedachte bijna woordelijk in het
negende hoofdstuk van de Bhagavad Gita en ook in de Vishnu
Purana; ‘Hij, ofschoon een met alle wezens, staat boven en
is gescheiden van de stoffelijke natuur (Prakriti), van haar voortbrengselen,
van eigenschappen en van onvolmaaktheden’ (Bk. 6, hfst. 5).
Los van elkaar beschouwd, brengen al deze bronnen de oude waarheid
op diepzinnige en suggestieve manier tot uitdrukking, maar als ze in
samenhang worden bestudeerd, verruimt dat ons inzicht aanzienlijk. De
aard en het proces van de schepping, het doel van het zijn en het begrip
goddelijke onpersoonlijkheid zijn slechts enkele van de gedachten die
bij ons opkomen, alleen al door het onderzoek van de aard van Tao. In
hoofdstuk 51 lezen we: ‘Het schenkt hen Leven, maar bezit hen
niet./ Het schenkt hen activiteit, maar is niet van hen afhankelijk./Het
spoort hen aan te groeien, maar bestuurt hen niet.’ Tao heerst
niet over zijn scheppingen met dreigementen en vrees, maar door de wetenschap
dat alle leven is doortrokken van zijn leven en dat de levensuitingen
even heilzaam zijn voor de verlichte als voor de niet-verlichte.
Het is een algemeen kenmerk van filosofische termen dat ze meer dan
een enkel denkbeeld vertegenwoordigen. Dat is het geval met het begrip
Teh. Teh wordt doorgaans vertaald met ‘deugd’, vaak met
excuses omdat dat woord niet toereikend schijnt te zijn om de veelheid
van denkbeelden die dit begrip omvat weer te geven. Een van de radicalen
waaruit dit karakter bestaat is
,
weergegeven als hsin. Het vertegenwoordigt een verscheidenheid
van ideeën, die alle op ons onderwerp betrekking hebben en van
belang zijn. Het kan het ‘stoffelijk hart, ook de zetel van het
denken en dus intelligentie’ betekenen en figuurlijk ‘het
morele hart of de natuur’ (Herbert A. Giles, Chinese-English
Dictionary). In hoofdstuk 38 wordt onderscheid gemaakt tussen het
‘hoge Teh’ en het ‘lage Teh’,2
wat de sleutel bevat tot een ruimere betekenis van dit woord. Het hoge
Teh, zoals we het in de tekst lezen, schijnt te slaan op die zuivere,
harmonische, spirituele eigenschap die zowel in de mens als in de natuur
aanwezig is en komt overeen met het beginsel buddhi in de hindoefilosofie,
terwijl onder het lage Teh wordt verstaan wat men op menselijk niveau
deugd noemt. Het ene betekent het ware weten en wijsheid, terwijl het
andere de eigenschap van trouw, goedheid en het leiden van een moreel
leven voorstelt. Door de werkingen van het lage Teh groeien we naar
de wijsheid van het hoge Teh en vandaar verder naar de volmaakte kennis
en zuivere geest van Tao. Dit uitstijgen boven het lagere is geen ongebruikelijk
thema in het filosofische en religieuze denken. De evolutie, van onze
materiële naar onze geestelijke natuur, werkt echter in omgekeerde
richting tijdens het proces van involutie of schepping.
De Tao Teh Ching geeft in bondige stijl een beschrijving van
dit openbaringsproces in de beginregels van het eerste hoofdstuk. Teh,
‘het morele hart of de natuur’, wordt hier voorgesteld als
‘de Naam in zijn uiterlijk aspect, de Moeder van alle geschapen
dingen.’ Teh is de uitbreiding van Tao en fungeert als schakel
tussen die scheppende, zuivere geest en die wezens die het bestaan in
de stoffelijke rijken nodig hebben. Hoofdstuk 42 verklaart het verschijnsel
dualiteit uit eenheid, als het tevoorschijn treden van het Teh beginsel
en schetst de rol daarvan in dit scheppingsproces.
In Tao is de Eenheid van het Leven,
In de Eenheid is de Dualiteit van het Leven,
In de Dualiteit is de Drieëenheid van het Leven,
In de Drieëenheid hebben alle wezens het Leven.
De relatie tussen Tao en Teh is een van de meest populaire thema’s
in religieuze en mythologische tradities. Hun eigenschappen worden gewoonlijk
uitgebeeld door de rol die de mannelijke en vrouwelijke beginselen in
de natuur spelen. Er zijn tal van voorbeelden te vinden van deze Vader
Tijd (eeuwigheid) en Moeder Natuur (openbaring) die een paar vormen.
Brahma en Prakriti in de hindoe-, Odin en Frigga in de Noorse mythologie
en de Egyptische Osiris en Isis, om er enkele te noemen. Het is interessant
te zien hoe dit ene idee van Teh, dat van de deugd, zijn betekenis ontleent
aan het andere aspect van Teh: dat van een koesterende moeder die haar
kinderen baart en leven schenkt en altijd morele waarden vertegenwoordigt.
Wu
is ontegenzeglijk
een thema waarom alles in deze filosofie draait en wordt misschien het
minst begrepen. Wu wordt gedefinieerd als ‘niet’, in de
zin van ‘zonder’, maar als het in de Tao Teh Ching
wordt gebruikt heeft het ongetwijfeld een veel grotere betekenis. Er
zijn veel meer woorden in het Chinees die een ontkenning uitdrukken
en, het interessante is, dat bij elk van deze woorden een karakter wordt
geplaatst dat de tegenovergestelde betekenis heeft, zoals bij antoniemen.
Het tegenovergestelde idee voor Wu is Yu
,
‘hebben, bezitten’. We vinden het woord Yu in de Tao
Teh Ching voor een begeerte naar aardse bezittingen, onwetendheid
en de minst edele karaktertrekken van de mens. Als we dit in gedachten
houden heeft onze definitie van Wu zich nu ontwikkeld van het eenvoudige
‘niet’, in de zin van ‘zonder’, tot de filosofische
betekenis van ‘geen aardse verlangens hebben’, of onaangedaan
zijn door de eigenschappen van het lager zelf. Als we het karakter ontleden
komen we tot een dieper inzicht indien we elk radicaal definiëren:
Wu |
 |
‘Mens’
(Giles) |
| |
 |
‘Een innerlijke, geestelijke
liefde voor de mensheid’ (Giles) |
| |
 |
Het getal tien, symbool van ‘de
geest die de stof ingaat’ (Mears, Inleiding) |
| |
 |
De Drie-eenheid, waarin ‘alle
wezens Leven hebben’ (Mears, hfst. 42) |
| |
|
‘Vuur of vlam’ (Giles)
met de betekenis van intelligent zelfbewustzijn |
Hoewel Wu meestal in verbinding met een ander woord wordt gebruikt,
om de betekenis te accentueren, wordt het ook alleen gebruikt als een
op zichzelf staand denkbeeld. Een diepzinnig voorbeeld wordt gegeven
in hoofdstuk elf (cursivering toegevoegd):
Dertig spaken omringen een naaf,
het nut van het wiel ligt steeds in dat
lege binnenste [wu].
Men vormt de klei om een schaal te maken,
het nut van de schaal ligt altijd in dat
lege binnenste [wu].
Men hakt deuren en vensters uit om een huis te maken,
hun nut voor een huis ligt steeds in hun
lege ruimte [wu].
Voordeel komt daarom uit de uiterlijke vorm,
maar het nut komt van het lege binnenste.
Wu is het meest bekend door zijn relatie met het woord Wei.
De uitdrukking Wu Wei is helaas letterlijk geïnterpreteerd als
niet handelen, met de bijbetekenis van geen verantwoordelijkheid nemen.
Maar de diepere betekenis ervan, zoals die in zijn filosofische context
wordt gebruikt, is daaraan volslagen tegengesteld. Het karakter Wei
betekent
‘doen, maken of veroorzaken’, vaak vertaald met ‘handelen’.
Als we onze ruimere definities van Wu samenvoegen met Wei, krijgt de
uitdrukking de diepere betekenis van ‘bezit niet de handeling’.
In de hoofdstukken 3 en 63 lezen we Wei Wu Wei, handel, maar
bezit de handeling niet of ‘handel door de werkzaamheid van het
innerlijk leven’. Hoe het ook wordt gezegd, de nadruk ligt duidelijk
op het verrichten van handelingen:
Daarom stelt de zichzelf beheersende mens
zich tot taak te toeven in het Innerlijke Leven;
hij onderricht, niet met woorden, maar met daden;
hij brengt alle wezens tot handelen, hij wijst
hen niet af;
hij schenkt hen leven, maar bezit hen niet;
hij handelt, maar ziet niet uit naar beloning;
hij streeft naar volmaaktheid, maar maakt
geen aanspraak op verdienste.
– hfst. 2
Dit beginsel van Wu Wei doordringt alle gebieden van het leven. Zelfs
Tao openbaart zich door Wu Wei, door te handelen en zich toch niet te
hechten aan de vruchten van het handelen. Zoals wij onze plichten moeten
vervullen zonder gehechtheid aan het resultaat, zo leidt ook de grote
allesdoordringende kracht haar levenswonder. Als Tao ophield met handelen,
zou het heelal en alle leven er niet zijn. Maar gelukkig verricht Tao
wel handelingen en geeft daarmee aan alle leven een evolutionair doel,
een vrije wil en de verantwoordelijkheid van zelfbeschikking.
In het derde hoofdstuk van de Bhagavad Gita vinden we deze
eenvoudige regel: ‘Alle wezens handelen overeenkomstig hun aard;
wat zal daarom dwang uitrichten?’ De grote wijzen hebben ons steeds
aangespoord te handelen, maar om handelingen te verrichten vanuit de
meest heilzame en onzelfzuchtige motieven, want zoals een dam de stroom
van een machtige rivier kan vertragen, zo kunnen wij de stuwkracht van
onze evolutie belemmeren door niet-handelen te beoefenen.
Het komt zelden voor dat men een volledige filosofie vindt die in zo
weinig woorden tot uitdrukking komt. De Chinese taal, die zeer kernachtig
is, vooral zoals die in de Tao Teh Ching is toegepast, heeft
de dubbele eigenschap van verfrissend direct en diepzinnig subtiel te
zijn. Door het schaarse gebruik van woorden heeft dit klassieke werk
zijn integriteit door de eeuwen heen bewaard en komt het op een inspirerende,
moderne wijze op ons over. Lao-tzu’s boodschap gaan we tenslotte
zien als een zeer mystiek werk. Misschien kunnen we er ons op dat niveau
het best mee identificeren, omdat het tot ons komt vanuit ons gemeenschappelijke
verre verleden, dat tijdloze verleden van het eeuwige zijn.
Noten
- Alle aanhalingen zijn uit de Tao Teh King,
vertaling Isabella Mears (1922).
- Ellen M. Chen, The Tao Te Ching, Paragon
House, 1989, blz. 145-9.