Het ontdekken van de Tao Teh Ching
Mark Davidson

 

Het boek van Lao-Tzu, de Tao Teh Ching, stond al vele jaren op de boekenplank voordat het tenslotte werd afgestoft en gelezen. Al na het eerste hoofdstuk begon ik mezelf te verwijten dit niet eerder te hebben gedaan. Deze poëtische mengeling van inspirerende geestelijke ideeën en praktische filosofie voor het dagelijks leven bracht mij er algauw toe dit belangrijke werk ernstiger te bestuderen.

Het Tao dat kan worden uitgesproken
is niet het Eeuwige Tao.
De Naam die kan worden genoemd
is niet de Eeuwige Naam.

De Naam, in Zijn innerlijk aspect,
is de Levensbron van Hemel en Aarde.
De Naam, in zijn uiterlijk aspect
is de Moeder van alle geschapen dingen.

Daarom: —
Om het mysterie van het Leven waar te nemen,
verlang steeds het innerlijkste te bereiken.
Om de beperkingen van dingen waar te nemen,
verlang er steeds naar ze te bezitten.

Deze twee aspecten van het Leven zijn Eén.
In hun uitingen worden ze verschillend van Naam
maar in hun diepste zin zijn ze Eén.
In de diepte, nog steeds dieper,
is de Deur tot vele mysteriën.1

Deze stanza’s van het eerste hoofdstuk omvatten drie begrippen die in de overige van de 81 korte hoofdstukken van de Tao Teh Ching overal tot uitdrukking worden gebracht. Het zijn Tao , Teh , en Wu . Er is tussen deze denkbeelden een wisselwerking die de bladzijden vullen met de ontwikkelingen van het leven: zoals het te voorschijn komt, zich tot volle activiteit ontplooit en terugkeert naar zijn oorsprong. De relatie tussen deze thema’s verleent de Tao Teh Ching zijn draagwijdte en diepte en om het boek beter in zijn geheel te begrijpen leek het me nuttig deze drie begrippen los van elkaar te beschouwen.

De Chinese taal leent zich gemakkelijk voor het tot uitdrukking brengen van filosofische gedachten, omdat ze de termen niet op een beperkte en strakke wijze definieert. Het Chinese schrift heeft zich ontwikkeld uit een pictografische en niet een alfabetische bron. Alle karakters of woorden berusten op 214 grondelementen, die bekend zijn als radicalen en min of meer als letters worden gebruikt. Deze radicalen kunnen als zelfstandige ideeën worden gebruikt. Als we dus een samengesteld karakter ontleden, kunnen we soms een heel interessante verzameling ideeën aantreffen die ons kunnen helpen het begrip als geheel te begrijpen. Het karakter Tao bestaat uit twee fundamentele bestanddelen; het ene,, dat verdergaan, in beweging zijn of voortgang betekent, en het andere, , waaronder hoofd of intelligentie wordt verstaan. Gecombineerd zou dit karakter ‘toenemende intelligentie’ kunnen betekenen. Tao wordt gewoonlijk vertaald als de Weg, een woord dat heel toepasselijk de dubbele betekenis heeft van ‘pad’ en ‘methode’. Maar meestal laat men het in de onvertaalde vorm als Tao staan.

Hoewel Tao te vergelijken is met de hoogste godheden van de grote religies en mythologieën van de wereld, lijkt het helemaal niet op het christelijke begrip van God. Er is in de tekst geen sprake van het vermenselijken van Tao en toch is het een volkomen toegankelijk, bemoedigend en universeel denkbeeld.

Het Grote Tao stroomt overal,
Het strekt zich uit naar links en naar rechts
Alle dingen ontvangen Het
om te leven en vrij te zijn.

Het bewerkt de volmaaktheid in hen
hoewel Het geen Naam bezit.
Het beschermt hen met liefde en onderhoudt hen,
maar maakt er geen aanspraak op de Bestuurder van hun
handelingen te zijn.    – hfst.34

Een heel goede methode om ons begrip van een filosofie te verdiepen is nieuwe conclusies te vergelijken met denkbeelden die ons al vertrouwd zijn. Zij die een studie maken van religieuze teksten of filosofieën zullen tussen deze verzen en die uit andere tradities enkele heel opvallende overeenkomsten ontdekken. Een bijzonder belangrijke heeft te maken met Tao, dat schept en toch van zijn schepping gescheiden blijft of, zoals eerder gezegd, ‘hen onderhoudt maar niet de bestuurder van hun handelingen is.’ We vinden deze gedachte bijna woordelijk in het negende hoofdstuk van de Bhagavad Gita en ook in de Vishnu Purana; ‘Hij, ofschoon een met alle wezens, staat boven en is gescheiden van de stoffelijke natuur (Prakriti), van haar voortbrengselen, van eigenschappen en van onvolmaaktheden’ (Bk. 6, hfst. 5).

Los van elkaar beschouwd, brengen al deze bronnen de oude waarheid op diepzinnige en suggestieve manier tot uitdrukking, maar als ze in samenhang worden bestudeerd, verruimt dat ons inzicht aanzienlijk. De aard en het proces van de schepping, het doel van het zijn en het begrip goddelijke onpersoonlijkheid zijn slechts enkele van de gedachten die bij ons opkomen, alleen al door het onderzoek van de aard van Tao. In hoofdstuk 51 lezen we: ‘Het schenkt hen Leven, maar bezit hen niet./ Het schenkt hen activiteit, maar is niet van hen afhankelijk./Het spoort hen aan te groeien, maar bestuurt hen niet.’ Tao heerst niet over zijn scheppingen met dreigementen en vrees, maar door de wetenschap dat alle leven is doortrokken van zijn leven en dat de levensuitingen even heilzaam zijn voor de verlichte als voor de niet-verlichte.

Het is een algemeen kenmerk van filosofische termen dat ze meer dan een enkel denkbeeld vertegenwoordigen. Dat is het geval met het begrip Teh. Teh wordt doorgaans vertaald met ‘deugd’, vaak met excuses omdat dat woord niet toereikend schijnt te zijn om de veelheid van denkbeelden die dit begrip omvat weer te geven. Een van de radicalen waaruit dit karakter bestaat is , weergegeven als hsin. Het vertegenwoordigt een verscheidenheid van ideeën, die alle op ons onderwerp betrekking hebben en van belang zijn. Het kan het ‘stoffelijk hart, ook de zetel van het denken en dus intelligentie’ betekenen en figuurlijk ‘het morele hart of de natuur’ (Herbert A. Giles, Chinese-English Dictionary). In hoofdstuk 38 wordt onderscheid gemaakt tussen het ‘hoge Teh’ en het ‘lage Teh’,2 wat de sleutel bevat tot een ruimere betekenis van dit woord. Het hoge Teh, zoals we het in de tekst lezen, schijnt te slaan op die zuivere, harmonische, spirituele eigenschap die zowel in de mens als in de natuur aanwezig is en komt overeen met het beginsel buddhi in de hindoefilosofie, terwijl onder het lage Teh wordt verstaan wat men op menselijk niveau deugd noemt. Het ene betekent het ware weten en wijsheid, terwijl het andere de eigenschap van trouw, goedheid en het leiden van een moreel leven voorstelt. Door de werkingen van het lage Teh groeien we naar de wijsheid van het hoge Teh en vandaar verder naar de volmaakte kennis en zuivere geest van Tao. Dit uitstijgen boven het lagere is geen ongebruikelijk thema in het filosofische en religieuze denken. De evolutie, van onze materiële naar onze geestelijke natuur, werkt echter in omgekeerde richting tijdens het proces van involutie of schepping.

De Tao Teh Ching geeft in bondige stijl een beschrijving van dit openbaringsproces in de beginregels van het eerste hoofdstuk. Teh, ‘het morele hart of de natuur’, wordt hier voorgesteld als ‘de Naam in zijn uiterlijk aspect, de Moeder van alle geschapen dingen.’ Teh is de uitbreiding van Tao en fungeert als schakel tussen die scheppende, zuivere geest en die wezens die het bestaan in de stoffelijke rijken nodig hebben. Hoofdstuk 42 verklaart het verschijnsel dualiteit uit eenheid, als het tevoorschijn treden van het Teh beginsel en schetst de rol daarvan in dit scheppingsproces.

In Tao is de Eenheid van het Leven,
In de Eenheid is de Dualiteit van het Leven,
In de Dualiteit is de Drieëenheid van het Leven,
In de Drieëenheid hebben alle wezens het Leven.

De relatie tussen Tao en Teh is een van de meest populaire thema’s in religieuze en mythologische tradities. Hun eigenschappen worden gewoonlijk uitgebeeld door de rol die de mannelijke en vrouwelijke beginselen in de natuur spelen. Er zijn tal van voorbeelden te vinden van deze Vader Tijd (eeuwigheid) en Moeder Natuur (openbaring) die een paar vormen. Brahma en Prakriti in de hindoe-, Odin en Frigga in de Noorse mythologie en de Egyptische Osiris en Isis, om er enkele te noemen. Het is interessant te zien hoe dit ene idee van Teh, dat van de deugd, zijn betekenis ontleent aan het andere aspect van Teh: dat van een koesterende moeder die haar kinderen baart en leven schenkt en altijd morele waarden vertegenwoordigt.

Wu is ontegenzeglijk een thema waarom alles in deze filosofie draait en wordt misschien het minst begrepen. Wu wordt gedefinieerd als ‘niet’, in de zin van ‘zonder’, maar als het in de Tao Teh Ching wordt gebruikt heeft het ongetwijfeld een veel grotere betekenis. Er zijn veel meer woorden in het Chinees die een ontkenning uitdrukken en, het interessante is, dat bij elk van deze woorden een karakter wordt geplaatst dat de tegenovergestelde betekenis heeft, zoals bij antoniemen. Het tegenovergestelde idee voor Wu is Yu , ‘hebben, bezitten’. We vinden het woord Yu in de Tao Teh Ching voor een begeerte naar aardse bezittingen, onwetendheid en de minst edele karaktertrekken van de mens. Als we dit in gedachten houden heeft onze definitie van Wu zich nu ontwikkeld van het eenvoudige ‘niet’, in de zin van ‘zonder’, tot de filosofische betekenis van ‘geen aardse verlangens hebben’, of onaangedaan zijn door de eigenschappen van het lager zelf. Als we het karakter ontleden komen we tot een dieper inzicht indien we elk radicaal definiëren:

Wu      ‘Mens’ (Giles)
  ‘Een innerlijke, geestelijke liefde voor de mensheid’ (Giles)
  Het getal tien, symbool van ‘de geest die de stof ingaat’ (Mears, Inleiding)
  De Drie-eenheid, waarin ‘alle wezens Leven hebben’ (Mears, hfst. 42)
     ‘Vuur of vlam’ (Giles) met de betekenis van intelligent zelfbewustzijn

Hoewel Wu meestal in verbinding met een ander woord wordt gebruikt, om de betekenis te accentueren, wordt het ook alleen gebruikt als een op zichzelf staand denkbeeld. Een diepzinnig voorbeeld wordt gegeven in hoofdstuk elf (cursivering toegevoegd):

Dertig spaken omringen een naaf,
het nut van het wiel ligt steeds in dat
lege binnenste [wu].

Men vormt de klei om een schaal te maken,
het nut van de schaal ligt altijd in dat
lege binnenste [wu].

Men hakt deuren en vensters uit om een huis te maken,
hun nut voor een huis ligt steeds in hun
lege ruimte [wu].

Voordeel komt daarom uit de uiterlijke vorm,
maar het nut komt van het lege binnenste.

Wu is het meest bekend door zijn relatie met het woord Wei. De uitdrukking Wu Wei is helaas letterlijk geïnterpreteerd als niet handelen, met de bijbetekenis van geen verantwoordelijkheid nemen. Maar de diepere betekenis ervan, zoals die in zijn filosofische context wordt gebruikt, is daaraan volslagen tegengesteld. Het karakter Wei betekent ‘doen, maken of veroorzaken’, vaak vertaald met ‘handelen’. Als we onze ruimere definities van Wu samenvoegen met Wei, krijgt de uitdrukking de diepere betekenis van ‘bezit niet de handeling’. In de hoofdstukken 3 en 63 lezen we Wei Wu Wei, handel, maar bezit de handeling niet of ‘handel door de werkzaamheid van het innerlijk leven’. Hoe het ook wordt gezegd, de nadruk ligt duidelijk op het verrichten van handelingen:

Daarom stelt de zichzelf beheersende mens
zich tot taak te toeven in het Innerlijke Leven;
hij onderricht, niet met woorden, maar met daden;
hij brengt alle wezens tot handelen, hij wijst
hen niet af;
hij schenkt hen leven, maar bezit hen niet;
hij handelt, maar ziet niet uit naar beloning;
hij streeft naar volmaaktheid, maar maakt
geen aanspraak op verdienste.
     – hfst. 2

Dit beginsel van Wu Wei doordringt alle gebieden van het leven. Zelfs Tao openbaart zich door Wu Wei, door te handelen en zich toch niet te hechten aan de vruchten van het handelen. Zoals wij onze plichten moeten vervullen zonder gehechtheid aan het resultaat, zo leidt ook de grote allesdoordringende kracht haar levenswonder. Als Tao ophield met handelen, zou het heelal en alle leven er niet zijn. Maar gelukkig verricht Tao wel handelingen en geeft daarmee aan alle leven een evolutionair doel, een vrije wil en de verantwoordelijkheid van zelfbeschikking.

In het derde hoofdstuk van de Bhagavad Gita vinden we deze eenvoudige regel: ‘Alle wezens handelen overeenkomstig hun aard; wat zal daarom dwang uitrichten?’ De grote wijzen hebben ons steeds aangespoord te handelen, maar om handelingen te verrichten vanuit de meest heilzame en onzelfzuchtige motieven, want zoals een dam de stroom van een machtige rivier kan vertragen, zo kunnen wij de stuwkracht van onze evolutie belemmeren door niet-handelen te beoefenen.

Het komt zelden voor dat men een volledige filosofie vindt die in zo weinig woorden tot uitdrukking komt. De Chinese taal, die zeer kernachtig is, vooral zoals die in de Tao Teh Ching is toegepast, heeft de dubbele eigenschap van verfrissend direct en diepzinnig subtiel te zijn. Door het schaarse gebruik van woorden heeft dit klassieke werk zijn integriteit door de eeuwen heen bewaard en komt het op een inspirerende, moderne wijze op ons over. Lao-tzu’s boodschap gaan we tenslotte zien als een zeer mystiek werk. Misschien kunnen we er ons op dat niveau het best mee identificeren, omdat het tot ons komt vanuit ons gemeenschappelijke verre verleden, dat tijdloze verleden van het eeuwige zijn.

 

Noten

  1. Alle aanhalingen zijn uit de Tao Teh King, vertaling Isabella Mears (1922).
  2. Ellen M. Chen, The Tao Te Ching, Paragon House, 1989, blz. 145-9.
 
Andere artikelen over religie/filosofie: taoïsme
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency