De eeuwigheid van het Heelal in toto als
een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen
die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die
‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van
de eeuwigheid’ worden genoemd. ‘De eeuwigheid van de pelgrim’
is als een oogwenk van het Zelf-bestaan (Boek van Dzyan). ‘Het
verschijnen en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij
van eb en vloed.’
– De Geheime Leer, Tweede
Grondstelling, 1:46
Honderden jaren geleden voeren dappere mannen uit in kleine Houten
schepen om nieuwe werelden te ontdekken en in kaart te brengen, werelden
die verder reikten dan waarvan de legenden in hun thuisland hen deden
dromen. In deze eeuw waagt zich een nieuw ras van pioniers met radiotelescopen
buiten de grenzen van het zonnestelsel dat ons tehuis is en van ons
melkwegstelsel, en geeft ons een opmerkelijk beeld van het grotere heelal
waarin wij, zoals Paulus zei, ‘leven, bewegen
en zijn’. (1)
De fantastische beelden van ons heelal, zoals die te zien zijn op de
beeldschermen van supercomputers – reusachtige galactische clusters,
draad- en zeepbelachtige structuren die uit miljoenen melkwegstelsels
bestaan – vestigen op nieuwe wijze de aandacht op de leringen
van de oude wijsheid met betrekking tot de hiërarchieën van
atomen, mensen en goden, waaruit het organisme van ons heelal bestaat.
De ontdekkingsreis van de moderne mens in het grotere heelal kwam goed
op gang in 1923 met het werk van de Amerikaanse astronoom Edwin Hubble,
die vaststelde dat er melkwegstelsels bestaan buiten ons eigen melkwegstelsel.
Zes jaar later bracht Hubble de astronomische wereld opnieuw in opschudding
met zijn ontdekking dat alle melkwegstelsels zich met grote snelheid
van elkaar schijnen te verwijderen en dat ons heelal uitzet, misschien
als gevolg van een oerexplosie van onmetelijke omvang – de Big
Bang. Heel lang werd gedacht dat melkwegstelsels de grootste structuren
waren die zich uit de vurige geboorte van het heelal verdichtten.
Deze opvatting werd ernstig in twijfel getrokken in de dertiger jaren
door de Harvard astronoom Harlow Shapley, wiens gedetailleerde onderzoek
van bepaalde gebieden aan de hemel aantoonde dat melkwegstelsels in
clusters voorkomen. Dat werd in 1956 bevestigd door het onderzoek van
de hele vanaf het Palomar Observatorium waarneembare hemel, waar George
Abell zijn vermaarde catalogus samenstelde van 2712 uit vele melkwegstelsels
bestaande clusters, tot op een afstand van drie miljard lichtjaren.
In de zeventiger jaren leverde de Franse astronoom Gerard de Vaucouleurs
het overtuigende bewijs voor wat hij de Locale Supercluster noemde,
die uit duizenden melkwegstelsels bestaat met een massa gelijk aan miljoen
maal miljard zonnen. Theoretici, zoals de Sovjet astronoom Yakov Zel’dovich,
concludeerde dat dergelijke structuren algemeen zijn in een heelal van
reusachtige stromende slierten van melkwegstelsels die van elkaar gescheiden
zijn door immense leegten.
De ontdekkingen van deze vroege astronomen worden gesteund door waarnemingen
in de tachtiger en negentiger jaren, waarvan vele de oude tradities
met betrekking tot de structuur van ons heelal bevestigen.
In 1987 gebruikte de astrofysicus R. Brent Tully van de Universiteit
van Hawaii een supercomputer die vaststelde dat de Lokale Supercluster
van de Vaucouleurs in feite deel uitmaakte van een uitgestrekt complex
van superclusters, elk bestaande uit miljoenen melkwegstelsels.(2)
Naar welke kant de schotel van de radiotelescoop ook wordt gewend,
het heelal brengt de wetenschappers door zijn steeds grotere structuren
in verbazing. In 1989 vergeleken wetenschappers uit de U.S.A., Brittannië
en Australië de aantekeningen van hun onderzoek van twee smalle
‘kegels’ van waarnemingen, die zich uitstrekten over 2,5
miljard lichtjaren ten noorden en ten zuiden van het vlak van het melkwegstelsel.
De astronomen ontdekten dat melkwegstelsels gegroepeerd
zijn met constante tussenruimten van 400 tot 800 miljoen lichtjaren
in een reeks grote muren, die van elkaar zijn gescheiden door even kolossale
leegten. (3) Astronomen die aan dit onderzoek werkten
stelden zich voor dat het heelal, op de grootste schaal gezien, zou
kunnen lijken op schuimende zeepbellen, schelpen of ingewikkelde honingraten
van melkwegstelsels.
Het doet denken aan de prachtige analogieën van de geboorte van
een heelal in de oude wijsheidstraditie van vele landen, die door H.P.
Blavatsky in haar Geheime Leer worden aangehaald. De
hindoetradities bijvoorbeeld, spreken over het uitzetten (uitademen)
van oermaterie als het karnen van een oceaan van melk, waarbij melkwitte
wrongel door de ruimte stroomt. (4)
De Mundaka Upanishad (I.i.7) beschrijft hoe het heelal voortkomt
uit en terugkeert naar het Onvergankelijke, zoals het web van een spin
tevoorschijn komt en weer wordt ingetrokken. Diezelfde gedachte werd
door Goethe zo uitgedrukt:
Zo werk ik aan ’t razende
weefgetouw van de tijd,
En weef een levend kleed voor de godheid. (5)
Deze oude, nu weer moderne opvatting over het heelal werd in 1990 versterkt
door het werk van Alexander Szalay van de Johns Hopkins Universiteit
in Baltimore, U.S.A., die tot een nooit eerder bereikte afstand van
zeven miljard lichtjaren doordrong in de nog niet in kaart gebrachte
gebieden van de kosmos. De onderzoekingen van dr.
Szalay met zijn ‘pencil beam’ [potloodstraal] toonden groepen
van melkwegstelsels met een onderlinge afstand van ongeveer 420 miljoen
lichtjaren (maar niet direct overeenstemmend met het beeld dat tevoorschijn
kwam bij het onderzoek in 1989), wat erop wijst dat deze indrukwekkende
structuren veel ingewikkelder zijn dan tot dusver was waargenomen. (6)
Ons prachtige thuisheelal, de Melkweg, heeft daarom een ongewone positie
in de broederschap van melkwegstelsels, omdat het zich tussen twee muren
van melkwegstelsels bevindt, op ongeveer tweederde vanaf de noordelijke
begrenzing, bekend als de ‘Grote Muur’, ongeveer 200-400
miljoen lichtjaren naar het galactische noorden. Zoals onze planeet
Aarde om de Zon wentelt, zo draait onze Zon majestueus om de kern van
de Melkweg in 250 miljoen jaar en brengt hij ons zonnestelsel elke microseconde
in nieuwe gebieden van de ruimte. Astronomen van de observatoria van
Carnegie en Wick meldden vorig jaar dat de hiërarchie van het universum
zich uitstrekt over hele families van melkwegstelsels.
Volgens deze recente studie stromen 136 melkwegen in en om ons melkwegstelsel
naar een gebied in de ruimte, ongeveer 147 miljoen lichtjaren ver, dat
sedert 1987 bekend is als de ‘Grote Aantrekker’. (7)
Terwijl onze zon ons meevoert op zijn baan in het ruimere gebied van
het melkwegstelsel, ‘valt’ de hele Melkweg met zijn ontelbare
myriaden van levens naar een entiteit met een doorsnede van ongeveer
300 miljoen lichtjaren, die uit tienduizenden lichtende melkwegstelsels
en een veel grotere hoeveelheid raadselachtige ‘donkere materie’
bestaat. Ergens in de schuilhoeken van ons bewustzijn herinnert deze
ontdekking ons aan de oude leer dat er onder de zonnen zelf een hiërarchie
bestaat in de leiding van het heelal. De theosofische literatuur zinspeelt
op ‘Raja Zonnen’ waaromheen vele zonnestelsels wentelen
zoals de planeten zich om de zon bewegen. De ontdekking van de ‘Grote
Aantrekker’ doet denken aan het bestaan van grotere wezens onder
de melkwegstelsels, waarvan het domein de myriaden levens omvat die
hele galactische clusters bewonen en samenstellen.
Wielen binnen wielen die voortdurend in beweging zijn. Toch lijkt het
er voor ons, nietige wezens, op alsof alles van de ene dag op de andere
in hoofdzaak onveranderd blijft, zoals we eens door de schijn werden
verlokt te denken dat de aarde plat was. Moedige ontdekkingsreizigers
in hun zeilschepen bewezen de onjuistheid daarvan en maakten ons van
de bolvorm bewust; nu dringen onderzoekende zielen met radiotelescopen
miljarden lichtjaren door in de diepten van de ruimte en schenken ons
iets wat op een galactisch bewustzijn begint te lijken. We beginnen
nu de waarheid van de oude leringen te beseffen dat het heelal er één
is van een oneindig aantal reusachtige levende organismen, die zich
uitstrekken van het oneindig deelbare atoom af tot de supergalactische
structuren die we nu zien, en nog verder naar macrokosmische entiteiten.
Theosofische leringen vergelijken onze aarde met een elektron en ons
zonnestelsel met een atoom in het lichaam van een wezen dat zo groot
is dat we het niet kunnen zien. We zien alleen andere atomen, galactische
moleculen en nu nog grotere moleculaire zwermen die ons omringen.
De Melkweg, een compleet en zelfstandig
heelal, is als geheel slechts één kosmische cel in het
lichaam van een superkosmisch wezen, dat op zijn beurt er slechts
één is van een oneindig aantal andere overeenkomstige
entiteiten. Het grote bevat het kleine; het grotere bevat het grote.
Alles leeft voor en met al het andere. Dat is de reden dat afgescheidenheid
de ‘grote ketterij’ is genoemd. Het is de grote illusie,
want afgescheidenheid bestaat niet. Niets kan alleen voor zichzelf
leven. Ieder wezen leeft voor het geheel, en het geheel is niet volledig
zonder dat ene wezen, en leeft daarom voor hem. (8)
Laten we nu de telescoop de andere kant uitdraaien en kijken naar de
microkosmos van miljarden cellen die ons lichaam samenstellen. Op hun
beurt bestaan deze cellen uit moleculen en atomen, elektronen en subatomaire
deeltjes. Als we in ons denken de bewustzijnsverruimende voorstellingen
van de oude wijsheid volgen, is het dan niet mogelijk dat veel van deze
elektronen bewoond zijn door wezens die net als wij nadenken over deze
prachtige ideeën?
Hun heelal is een enkel orgaan
van ons lichaam, en hun melkweg is een enkele molecule van een cel
van dat orgaan. Dit is bewustzijn, atman, niet ‘naam en vorm’
namarupa. . . Bewustzijn heeft geen omvang. Het zal de ruimte vullen,
een atoom vullen, en dingen die onvergelijkelijk veel kleiner zijn
dan een van onze atomen van de scheikunde. Het heeft geen afmetingen,
omdat het geen vorm, geen gedaante, geen rupa, heeft. (9)
Bewustzijn, niet beperkt door stoffelijke afmeting, geeft vleugels
aan de verbeelding die verder reiken dan de dromen van science fiction.
Men zou zich kunnen voorstellen dat het grotere wezen waarvan wij slechts
een deel zijn, niet verder in zijn evolutie is gevorderd dan wijzelf;
omgekeerd, dat hiërarchieën van goddelijk bewuste wezens de
atomen bewonen van ons lichaam, waarvan de ‘werelden en melkwegstelsels’
hun levenscyclus doorlopen en zich weer belichamen in een onderdeel
van een seconde! Als een catastrofe van onvoorstelbare omvang het galactische
wezen zou treffen waarvan wij een nietig deel vormen, dan zouden wij,
oneindig kleine wezens, daar misschien weinig of niets van merken; en
zijn atomen en moleculen, onze werelden, kunnen net zo rondtrekken als
onze levensatomen dat doen, die elk ogenblik bij ons binnenkomen en
ons verlaten.
Wat kunnen deze wetenschappelijke en metafysische beschouwingen betekenen
voor de gewone man, in een wereld van oorlogen en economische teruggang,
waarin de grote meerderheid van de mensen elke dag worstelt om het hoofd
bovenwater te houden? Het feit dat de moderne wetenschap enig begrip
begint te krijgen van de oude waarheid dat we deel uitmaken van een
groter organisme, heeft voor ons allen ethische gevolgen. Het moedigt
ons aan ons af te wenden van voorbijgaande zorgen en de wijdere horizonnen
van de nachtelijke hemel op te zoeken, die getuigen van onze verbondenheid
met de sterren. We zien tussen het oneindig kleine en galactische superclusters
ingewikkelde verbindingen en beseffen dat elk van ons zijn eigen rol
daarin speelt. We gaan ons lichaam, onze omgeving en het heelal zien
als tempels van het leven en onszelf en anderen met eerbied bejegenen.
We beseffen dat onze daden van nu het lot beïnvloeden van planeten
en zonnen in de verre toekomst als wij, als evoluerende wezens, hemelse
vormen zullen bewonen – sterren en melkwegstelsels – en
het milieu verschaffen aan de mensheden van morgen, de geëvolueerde
levensatomen van onze eigen constitutie.
Verwijzingen
De schrijver is erkentelijk voor de hulp van David Doody, Flight Operations
Engineer, Magellan Project, Jet Propulsion Laboratory, Pasadena.
[1] Handelingen 17:28
[2] Galaxies, Voyage through
the Universe, Time-Life Books, Amsterdam, 1988.
[3] ‘Astronews: Sky Surveys
Reveal Regularly Spaced Galaxies’ in Astronomy, juni
1990, blz. 10; J. Kanipe, ‘A Cross Section of the Universe’
in Astronomy, nov. 1989, blz. 44-46; I. Petersen, ‘Seeding
the Universe’ in Science News, 24 maart 1990, blz. 184-7;
D. Johnson, ‘Supercomputing the Universe’ in Astronomy,
december 1989, blz. 48-54; A.P. Fairall, ‘The Biggest Structures
in the Universe’ in 1991 Yearbook of Astronomy, blz.
136-45; R. Cowen, ‘Quasar Clumps Dim Cosmological Theory’
in Science News, 26 jan. 1991, blz. 52.
[4] H.P. Blavatsky, De Geheime
Leer, 1: 98.
[5] Ibid., 1:114.
[6] I. Petersen, ‘Probing
a Universe of Bubbles and Voids’ in Science News, 27
oktober 1990, blz. 260.
[7] P. Muirden, ‘The Great
Attractor’, in 1990 Yearbook of Astronomy, blz. 158-67;
‘Astronews: Best Evidence for the Great Attractor’ in Astronomy,
sept. 1990, blz. 22.
[8] G. de Purucker, Bron van
het Occultisme, blz. 123.
[9] G. de Purucker, Dialogen
van G. de Purucker, ‘Van atomair naar galactisch bewustzijn’,
2:843-5.