Het onderzoek van de krachten in de mens
Sarah Belle Dougherty

 

In het midden van de 19de eeuw bereikte het westerse denken een hoogtepunt van het materialisme. H.P. Blavatsky bond de strijd aan tegen de grove beperkingen waaraan het bewustzijn en de mogelijkheden van de mens waren onderworpen, door te wijzen op het bestaan van gebieden achter het stoffelijke, en op toestanden van bewustzijn die de gewone waaktoestand die onze stoffelijke zintuigen ons doen kennen, ver overtreffen. Ze legde de nadruk op de essentiële verbondenheid van al het bestaande, zowel als op de noodzaak de gebruikelijke opvattingen op stoffelijk en intellectueel gebied, die berusten op het ongefundeerd aanvaarden van afgescheidenheid als grondslag van de werkelijkheid, door betere te vervangen. Een van de doeleinden van de Theosophical Society was en blijft ‘het onderzoek van de krachten die de mens zijn aangeboren’; en net als de twee andere voornaamste doeleinden – de stichting van een actieve universele broederschap en de studie van oude en moderne wetenschap, religie en filosofie – heeft ook dit doeleinde in de honderd jaar na HPB’s dood algemeen ingang gevonden.

Er is tegenwoordig een sterke toename van methoden om de in ieder mens aanwezige latente vermogens te onderzoeken en te ontwikkelen, die hun oorsprong vinden in traditionele bronnen of voortkomen uit moderne onderzoekingen. Boeken, tapes, onderzoekers en leraren beloven persoonlijke groei, gezondheid, geluk, succes, vermogens en/of verlichting te bereiken langs allerlei verschillende wegen. Heel wat mensen met een open geest zijn tot het besef gekomen dat we ons onnodig zelf beperkingen hebben opgelegd en dat gewone mensen in staat zijn tot dingen die eerder als bijzonder of onmogelijk werden beschouwd. We beseffen ook dat eenheid de fundamentele werkelijkheid is, hetzij op menselijk, mondiaal of kosmisch gebied. De theosofie kan veel bijdragen aan deze boeiende opleving, vooral door het weidse perspectief dat ze biedt op de menselijke aard en het menselijk leven.

Het is duidelijk dat ons gewone dagelijkse bewustzijn, dat op de stoffelijke wereld is gericht, slechts één aspect vormt van ons bewustzijn en dat het, als we het zien als de enige bestaanstoestand, de neiging heeft ons te beperken tot een heel klein deel van het totale gebied van wie we zijn. Kosmisch in het diepst van ons wezen, zijn we miniatuurzonnestelsels en melkwegen, belichamingen van solaire en planetaire wezens en krachten. Als we ieder mens zien als een geestelijk bewustzijnscentrum dat zich in een stoffelijke vorm openbaart, zoals HPB deed, betekent de menselijke ontwikkeling de zuivering en oefening van onze tussennatuur, waardoor deze het bewustzijn van het goddelijk zelf onverminkt kan doorlaten en zich daardoor tot het goddelijke kan ontwikkelen. Onze geestelijke en goddelijke aspecten zijn betrekkelijk onsterfelijk, terwijl de minder ontwikkelde aspecten, waaronder de emoties en het lagere denken, na de dood uiteenvallen. Omdat psychomentale en psychische vermogens niet van leven tot leven blijven voortbestaan, en slechts als invloeden en neigingen behouden blijven, is het uiteindelijk zinloos ons leven te wijden aan het perfectioneren van zulke vermogens. Aan de andere kant zijn geestelijke eigenschappen, zoals liefde, een intuïtief waarnemingsvermogen, universaliteit en mededogen, niet alleen van nature de meest krachtige, maar ook de belangrijkste voor de ontwikkeling van de mens omdat zij een blijvende groei betekenen.

Door de eeuwen heen heeft men gestreefd naar de ontwikkeling van het menselijk potentieel, via allerlei soorten van meditatie, zowel als yoga, tantrische, shamanische, ascetische en andere praktijken. Het zich concentreren van het denken, psychologische onthechting aan de voorwerpen van de zinnen, doordringen achter de oppervlakkige stoffelijke aspecten van zichzelf en de wereld, en speciale methoden van verschillende scholen of tradities, gaan vaak vergezeld van verschijnselen zoals visioenen, stemmen of geluiden, het stimuleren van de chakra’s, buitenlichamelijke ervaringen, verschillende talen kunnen spreken, psi verschijnselen, trance-toestanden, extase, communicatie of contact met andere ‘wezens’ en gevoelens van eenheid met een geestelijke werkelijkheid. Deze niet-essentiële ervaringen worden daarom vaak beschouwd als een sine qua non voor menselijke ontwikkeling. Ze kunnen de onvermijdelijke en natuurlijke bijprodukten zijn van een bepaald evolutiestadium, maar worden gewoonlijk teweeggebracht doordat psychofysische brandpunten worden gestimuleerd. Bepaalde ademhalingstechnieken bijvoorbeeld, het ontkrachten of selectief stimuleren van de zintuigen, of bepaalde chemicaliën kunnen tijdelijke veranderingen teweegbrengen in het bewustzijn en/of de bewustzijnsinhoud, maar die geven geen beeld van de werkelijke geestelijke toestand van ons gewone zelf. Er is een duidelijk verschil tussen zulke voorbijgaande verschijnselen en een langdurige innerlijke ontwikkeling, zoals de psychotherapeut Stanislav Grof opmerkt in verband met kundalini:

Ik heb zelf herhaaldelijk, in psychedelische samenkomsten en verschillende niet door drugs veroorzaakte geestestoestanden, verschijnselen waargenomen die sterk overeenkomen met beschrijvingen van het opwekken van kundalini, het openen van de chakra’s en het stromen van de kundalini-energie door de hoofdkanalen, ida en pingala, en door het ingewikkelde netwerk van de nadi’s, dunne vertakte kanalen voor pranische energie, zoals ze worden beschreven en afgeschilderd in tantrische teksten.

Het is echter van belang er de nadruk op te leggen dat deze soort ervaringen – kundalini-achtige verschijnselen die in de overgeleverde Indiase literatuur als pranisch zouden worden omschreven – moeten worden onderscheiden van het werkelijke opwekken van kundalini. Dit laatste is namelijk een ingewikkeld proces met een diepgaande betekenis en een hervormend vermogen en het vergt vaak jaren om dit tot stand te brengen. Vergeleken met op zichzelf staande pranische ervaringen gebeurt een dergelijke opwekking van kundalini maar heel zelden ten gevolge van psychedelische ervaringen of empirische psychotherapie en het schijnt een autonoom verschijnsel te zijn.1

Een ondeskundig gebruik van ontwikkelingsmethoden kan een averechtse uitwerking hebben op de circulatie van deze verfijnde energieën door de menselijke constitutie en een ongezonde lichamelijke en psychologische toestand teweegbrengen. De slechte lichamelijke (en soms psychologische) toestand van veel mystici, vooral in het Westen waar ze dikwijls werken zonder een competente geestelijke leiding, getuigt daarvan.

Vele grote mystici en geestelijke leraren zijn van opvatting dat abnormale verschijnselen en vermogens in feite tot de grootste struikelblokken behoren op het pad van geestelijke ontwikkeling. Johannes van het Kruis, bijvoorbeeld, zei dat deze verschijnselen, onverschillig of ze werken op de stoffelijke, mentale of geestelijke waarnemingsorganen, de aspirant afhouden van zijn zoeken naar God en vaak tot geestelijke trots en gehechtheid aanleiding geven. Zulke ervaringen kunnen verslavend werken, de zoeker wegleiden van het geestelijke en terugvoeren naar verschijnselen en het egocentrische. Ze kunnen ook de aspirant, die zijn ervaringen zonder meer als waardevol beschouwt en er zich door laat leiden, uit zijn evenwicht brengen en misleiden. Verschijnselen kunnen of van God of van de duivel komen, om een christelijke wijze van uitdrukken te gebruiken, en het is zelfs voor de meest oprechte mens die ze ervaart, onmogelijk het één soms van het ander te onderscheiden. In het algemeen zijn ervaringen uitingen van de eigen geest, en alleen de grootste wijzen kunnen altijd zeggen of ze afkomstig zijn van het geestelijke of het beperkte mentaal/emotionele of psychische deel van henzelf.2

Er zijn bovendien in de natuur positieve en negatieve krachten op elk bestaansgebied, het stoffelijke, psychische, emotionele, mentale en geestelijke. Die krachten die uitgaan boven het stoffelijke treden gewoonlijk de astrale of psychische wereld binnen – een enigszins etherischer vorm van stof die invloeden en wezens omvat van de meest ontaarde tot de zeer verhevene. Dit zogenaamde astrale licht, het astrale lichaam van de aarde, vormt de schakel voor het overbrengen van krachten tussen de meer etherische gebieden en de stoffelijke wereld; in zijn lagere delen is het het gebied waar de verdichte lagere psychologische energieën (kamarupa’s of ‘geesten’) verblijven die na de dood verdwijnen. Het bevat de indrukken van alle gedachten, gevoelens en daden van de mensheid sinds de dageraad van de tijd. Deze akasische ‘optekeningen’, die veel weg hebben van de morfische resonanties waarover Rupert Sheldrake spreekt, bestaan in deze ijlere astrale atmosfeer die elk deel van de aarde en van de individuele levens waaruit ze bestaat doordringt. Deze afdrukken worden door affiniteit en trillingsgelijkheid tot mensen aangetrokken: al onze gedachten en gevoelens komen tot ons via dit medium en worden daarin weer teruggebracht na te zijn gebruikt. Als het gaat om mensen in een ongewone toestand van bewustzijn, dan

interpreteren deze personen hun respectievelijke beelden mentaal en emotioneel verschillend, ieder volgens zijn eigen aard.

Hierin ligt een van de belangrijkste oorzaken van de altijd aanwezige onbetrouwbaarheid in wat halfmystici en halfzieners of helderzienden vaak omschrijven als ‘visioenen van waarheid’. Ze kunnen alleen die beelden uit het astrale licht naar het fysieke gebied brengen die ze toevallig ‘zien’ en dan alleen door middel van hun eigen respectieve verbeeldingen. Het grote gevaar ligt in het ten onrechte toeschrijven van spirituele waarheid aan hun astrale visioenen, en daardoor leggen ze verkeerde verbanden en geven dus verkeerde interpretaties. Daarom is hier geen sprake van een werkelijk geestelijk zienerschap; omdat de ware ziener de gevaren en vertekeningen van het astrale licht door en door kent, en zijn doordringende blik op de gebieden van de geest richt waar hij waarheden direct kan zien en ze kan overbrengen naar het wachtende brein. De spirituele adept kan echter in zijn bewustzijn volkomen veilig door elke kamer van de astrale beeldengalerij gaan, en met een zo helder inzicht dat hij precies weet wat hij ziet of voelt, en daarom loopt hij geen gevaar zichzelf te bedriegen, of te worden misleid door de maya van dit bedrieglijkste van alle gebieden van de natuur. Anderzijds verbeeldt iemand die alleen maar helderziende is zich, vaak oprecht, dat wat hij ‘ziet’ de werkingen zijn van de ‘geestelijke wereld’, terwijl het enige wat hij werkelijk ervaart een ronddwalen is van zijn veranderlijke en ongetrainde psychomentale gestel door de verschrikkelijk bedrieglijke en illusoire beeldengalerijen van het astrale licht.3

De meeste mensen die niet gewend zijn zelfbewust in de astrale sfeer te functioneren, zullen nog gemakkelijker worden bedrogen door de schijn en raken nog meer verward dan in de stoffelijke wereld, waar verwarring en gebrek aan zelfbeheersing algemeen zijn. Deuren naar innerlijke werelden die eenmaal zijn geopend, kunnen moeilijk worden gesloten als ongewenste krachten en wezens op de onderzoeker druk uitoefenen. Alleen zij die dergelijke aspecten van zichzelf volkomen beheersen, kunnen deze niet-stoffelijke krachten en wezens op de juiste wijze beoordelen en onder controle houden.

Het bezit van innerlijke kennis van oosterse en traditionele volkeren, die een zo ruim gebied beslaat, werkt als zuurdesem op westerse takken van wetenschap en er is sprake van een opleving van psychische vermogens nu meer mensen bemerken dat zulke eigenschappen zich spontaan of met betrekkelijk gemak ontwikkelen. In 1891 schreef HPB aan de Amerikaanse Afdeling van de Theosophical Society:

Het psychisme, met al zijn verlokkingen en al zijn gevaren, begint zich noodzakelijk bij u te ontwikkelen en u moet oppassen dat de psychische ontwikkeling niet de manasische [mentale] en geestelijke ontwikkeling achter zich laat. Psychische vermogens die door het manasische beginsel volkomen worden beheerst, beteugeld en gestuurd, zijn voor de ontwikkeling waardevolle hulpmiddelen. Maar als die psychische vermogens de vrije teugel worden gelaten, iemand gebruiken in plaats van te worden gebruikt, dan voeren ze de leerling tot de gevaarlijkste waanvoorstellingen en zeer zeker naar morele ondergang. Let daarom nauwkeurig op deze ontwikkeling, die in uw ras en ontwikkelingsperiode onvermijdelijk is, zodat ze uiteindelijk ten goede en niet ten kwade zal uitwerken.4

Omdat innerlijke krachten en bestaansgebieden eeuwenlang zijn ontkend, bleven westerlingen onbekend met de innerlijke aspecten van de natuur en de mens, en waren ze in veel gevallen niet in staat de gevolgen van hun acties op deze gebieden juist te taxeren. Er schuilt gevaar in het blindelings toepassen op een experimentele basis van zeer krachtige technieken, omdat sommige van deze gedegenereerde en tot zwarte magie behorende elementen in hun oorspronkelijke staat bevatten. Er is een Tibetaans spreekwoord dat zegt dat slechts een spinnenweb witte van zwarte magie scheidt: dezelfde training, technieken en eigenschappen worden in beide gevallen gebruikt en de enige verschillen zijn het motief, het gebruik en de voortgebrachte gevolgen. Sprekend over het ondeskundig gebruik door haar leerlingen van meditatietechnieken, gaf HPB de volgende waarschuwing:

Echte concentratie en meditatie, bewust en voorzichtig, op het lager zelf in het licht van de innerlijke goddelijke mens en de paramita’s, is uitstekend. Maar ‘aan yoga doen’ met slechts een oppervlakkige en vaak verkeerd begrepen kennis van de ware beoefening, is bijna altijd noodlottig; tien tegen één, dat de student in zichzelf mediamieke krachten ontwikkelt of tijd verliest en zowel praktijk als theorie gaat verafschuwen. Voor men zich in zo’n gevaarlijk experiment stort . . . doet men er goed aan op zijn minst het verschil te leren tussen de twee aspecten van ‘magie’, de witte of goddelijke en de zwarte of duivelse, en tot het besef te komen dat door ‘aan yoga te doen’, zonder ervaring en zonder gids om hem op de gevaren te wijzen, hij niet elke dag en elk uur de grenzen van het goddelijke overschrijdt om tot het satanische te vervallen.    – H.P. Blavatsky: Collected Writings, 12:603-4

De geestelijke literatuur en tradities benadrukken het belang van bevoegde leiding bij zelfontplooiing. Al duizenden jaren lang zijn er over de hele wereld centra voor hoog geestelijk onderricht, die soms mysteriën of mysteriescholen worden genoemd. Deze scholen, die verscheidene miljoenen jaren geleden zouden zijn gesticht door goddelijke wezens in samenwerking met de geestelijk meest ontwikkelde mensen, hebben allerlei functies: de wijsheid van de goddelijke instructeurs van de vroege mensheid te bewaren als de tijden in toenemende mate materialistisch worden; de mensheid als geheel te dienen door een bron van geestelijk en intellectueel licht te verschaffen en een schakel met de geestelijke krachten van de planeet en de kosmos; en diegenen te helpen die het door hun streven en aspiraties mogelijk maakten dat hun persoonlijke evolutie zich versnelde door systematische training.

We weten heel weinig over de leringen en methoden van de oude mysteriën; de scholen waarvan we iets weten bloeiden in betrekkelijk recente historische tijden, al waren ze toen al in het algemeen verwereldlijkt en op hun retour. Het onderwerp van de mysteriën was de tweede geboorte, het tevoorschijn brengen van de innerlijke, geestelijke mens, bevrijd van de slavernij van het stoffelijk lichaam en de lagere psychologische natuur. Er werden ongetwijfeld verschillende methoden gebruikt om de geestelijke ontplooiing te stimuleren en te versnellen, waarvan vele in onze tijd steeds meer in zwang komen. Tegelijk waren deze openbare mysteriën, hoewel in geheimhouding gehuld, niet de esoterische mysteriën die wel of niet waren verbonden met een exoterische plaats.

De innerlijke mysteriën waren de oefenschool voor de weinigen die hun leven wilden geven aan geestelijke ontwikkeling en die de toewijding en mogelijkheid bezaten dat te doen. Hier lag de nadruk op het worden in plaats van op bepaalde visionaire ervaringen, andere bewustzijnstoestanden, psychische vermogens of de uitwisseling van intellectuele kennis, al hoorden die dingen er ongetwijfeld bij. De bepalende factor was de kwaliteit van de persoon en zijn vermogen uit te stijgen boven de beperkte aspecten van zichzelf. Deze innerlijke mysteriën zijn nooit verdwenen en zouden ook nu nog in de hele wereld, ofschoon in het geheim, functioneren. Ze zijn te vinden bij die personen die door hun evolutionaire ontwikkeling, hun hoge morele aard en onzelfzuchtige aspiraties, een innerlijk en misschien uiterlijk contact onderhouden met hen die van dit oude geestelijke netwerk deel uitmaken.

Net als in de oude mysteriën blijft de tweede geboorte het doel waar het bij de menselijke evolutie om gaat: de groei van het alledaagse zelf totdat het volkomen boven zijn beperkingen is uitgestegen en zelfbewust wordt herboren als de innerlijke god. Ieder mens moet bepalen wat de eigenlijke rol van de verschillende technieken voor hem of haar in dit proces is. We moeten echter onszelf afvragen wat we werkelijk willen en hoe dat het best kan worden bereikt. Voor velen is het criterium ‘werkt het?’ en niet of hun motief of het uiteindelijke resultaat universeel en onpersoonlijk is. Vaak zoeken mensen naar krachtiger middelen om dezelfde beperkte en soms destructieve doeleinden te bereiken. Hoe bruikbaar ook, de op zichzelf gerichte methoden zijn een uitbreiding van egocentrische, wereldse belangen op andere bestaansgebieden en zijn als zodanig geen middelen tot innerlijke groei. Zelfs het streven naar geestelijke ontwikkeling om aan ‘het rad van het bestaan’ te ontkomen of onszelf voldoening te geven is uiteindelijk een uiting van zelfzucht en egoïsme, zij het op een meer geestelijk plan.

Men kan gemakkelijk in de ban komen van de glans van paranormale vermogens en toestanden, als doel op zichzelf en als een middel om vermogens te verwerven of succes te krijgen, stoffelijk of geestelijk. Maar menselijke ontwikkeling is een zaak van innerlijke discipline en groei, die in zijn beginstadia wel of niet kan leiden tot verschijnselen, psychische vermogens, persoonlijk succes of dramatische veranderingen in onze bewustzijnstoestand. Uiteindelijk hangt het af van het volbrengen van de uiterlijk onspectaculaire plichten van het dagelijks leven, van het beheersen van ons karakter en van het altruïsme dat de grondslag van ons bestaan moet worden. In deze samenhang zullen de verschillende krachten en bewustzijnstoestanden, als de tijd daar is, op natuurlijke wijze tot ontwikkeling komen.

Als we kunnen inzien dat het bereiken van deze toestanden en het verwerven van vermogens op zichzelf geen tekenen zijn van innerlijke groei en vooruitgang – dat het pad naar het ware menszijn en tenslotte het goddelijke, wordt gevormd door mededogen en het concentreren van het bewustzijn in de meer universele aspecten van onszelf, terwijl we ons gewone ik tot onze dienaar maken in plaats van onze meester – dan kan het invoeren van deze nieuwe-oude technieken in het moderne westerse leven de terugkeer aankondigen van de meer spirituele en alomvattende atmosfeer van de innerlijke mysteriën, die bepaalde beschavingen uit de oudheid zo gunstig heeft beïnvloed. Deze vergeestelijking van het menselijk leven, op wereld en individueel niveau, was ongetwijfeld de achtergrond van H.P. Blavatsky’s aanmoediging de krachten die de mens zijn aangeboren, te bestuderen.

 

Noten

  1. The Adventure of Self-Discovery: Dimensions of Consciousness and New Perspectives in Psychotherapy and Inner Exploration, State University of New York Press, Albany, 1988, blz. 113-4.
  2. Vgl. ‘Ontwaken en verschijnselen’, Sarah B. van Mater, Sunrise febr. 1979, blz. 80-7, voor een vollediger behandeling van mystieke verschijnselen en geestelijke groei.
  3. G. de Purucker, De Esoterische Traditie, blz. 578-9.
  4. H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies: 1888-1891, 1980, blz. 49.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency