Volgens verschillende geestelijke overleveringen is de reden dat wij
hier zijn, ons bewust te blijven van een sterke kracht die in ons leven
werkt. Die kracht ziet men toegelicht door een zeer bijzondere vriendin
van de hedendaagse geestelijke beweging: een groot zieneres die haar
visie van de waarheid met ons heeft gedeeld. We kennen haar door haar
boeken en door degenen die veel met haar te maken hadden. Ze vertellen
het verhaal van een persoon die zo opmerkelijk is dat ze nog steeds
toenemende aandacht trekt – en toch blijft ze een mysterie. Hoe
goed we ook op de hoogte zijn van de beschrijvingen die van haar zijn
gegeven, we krijgen toch vaak het gevoel dat we haar nooit werkelijk
zullen kennen, omdat ze zo anders was. Verschilde haar vermogen om een
grotere werkelijkheid te zien zoveel van het onze? Of wijst haar gave
op een mogelijkheid die wij allen hebben? Als we ons konden concentreren
op wat haar in staat stelde om de ware grootheid van haar natuur te
ontwikkelen, zou een kort overzicht van haar leven ons misschien kunnen
helpen deze grote kracht in onszelf te zien.
Ons verhaal begint met een buitengewoon kind dat al in het bezit is
van wat velen aanzien voor bovennatuurlijke krachten. Ze kan zich bewust
worden van intelligente wezens achter de sluier van de materie. Ze kan
in hun eigen taal met ze spreken, en ze laten haar zien hoe sterk ze
de stoffelijke wereld beïnvloeden. Haar buitengewone vermogens
van waarneming kunnen nauwelijks gelijke tred houden met haar hartstocht
voor het onderzoeken van het onbekende, voor het zoeken naar de kennis
over de oorzaak van de dingen. Achter deze passie staat een ontembare
wil die vastbesloten is de geest te bevrijden, en die met hart en ziel
in opstand komt tegen alles wat die wil probeert te beperken. Maar één
ding faalt nooit om haar rebellie te verzachten: ze is zo gevoelig voor
menselijke vriendelijkheid dat deze haar altijd van onverdraagzaamheid
en boosheid verlost.
Deze beschermende gevoeligheid is nauw verbonden met een zeer weldadige
tegenwoordigheid die haar vaak leidt en tegen onheil beschermt. Ze herkent
deze tegenwoordigheid als de meester die haar voortdurend in de visioenen
van haar kinderjaren verschijnt. Haar beschermer belichaamt een meedogende
wijsheid die boven haar begrip uitgaat, en heeft de beste eigenschappen
die zo'n wijsheid kan bereiken. Deze welwillende wijze heeft een overheersende
invloed op haar innerlijke groei, en als ze volwassen wordt, ontmoet
ze hem als een levende mens.
Bij deze ontmoeting werd de belangrijkste opdracht van haar leven duidelijk.
Haar medewerking is nodig bij een werk dat zal leiden tot het vormen
van een actieve broederschap die de hoogste belangen van de mensheid
beoogt. Om zich hierop voor te bereiden, gaat ze de wereld verkennen
om uit de eerste hand kennis te verkrijgen van de mysteries van het
zijn. Er zijn mensen die deze geheimen kennen en ze haar leren, omdat
ze haar vermogen opmerken om de waarheid te onderscheiden. Ze doorziet
de grote hoeveelheid vooroordeel tegen de folklore en de religies van
andere volkeren: ze brengt de wijsheidstraditie aan het licht die aan
alle ten grondslag ligt.
Hoever moet ze reizen om deze traditie te vinden? Ze hoeft zich slechts
op één lijn te stellen met de lange reeks van zieners
die deze weg eerder hebben afgelegd en die steeds terugkomen om ons
te leiden. Dit zijn de wakers over onze gemeenschappelijke reis. Zij
waken over ons door de zuiverheid van de stilte, in een verborgen heiligdom,
omringd door de hoogste bergketens van contemplatie. Haar grootste verlangen
is ze te vinden en hun ware leerling te worden. Door dit te verwerkelijken
wordt ze de tussenpersoon tussen deze geestelijke wakers en de stoffelijke
wereld.
Thuis teruggekeerd na deze vele jaren van studie, ondergaat ze een
opmerkelijke verandering in de ontwikkeling van haar vermogens. Ze slaagt
er geleidelijk in haar persoonlijkheid te bevrijden van de aantrekkingskracht
van de ongewenste elementalen die haar wilden omringen. Ze maakt als
ze dat wil een einde aan hun verschijnselen en leert ze te beheersen.
Dit gaat gepaard met veel innerlijke oefening en discipline, want ze
leert de zelfbeheersing die nodig is om met haar hogere natuur te werken.
Onze vriendin is nu klaar om te beginnen met het ontsluieren van iets
van haar kennis aan de wereld, en hier wordt ze zwaar op de proef gesteld.
De wijsheid die haar dierbaar is, wordt vaak verkeerd uitgelegd, betwijfeld,
ontkend en zelfs belachelijk gemaakt. Telkens weer wordt ze gebruikt
om verschijnselen teweeg te brengen om degenen te overtuigen die hun
oordeel alleen op uiterlijkheden willen baseren, en de meesten van hen
schijnen alleen te zijn geïnteresseerd in stoffelijke manifestaties.
Tenslotte wordt ze door haar meester geleid naar enkele werkelijk toegewijde
onderzoekers, en met hun hulp wordt een filosofisch-religieuze vereniging
gevormd. Daaraan ligt het doel ten grondslag de gedachte van een universele
broederschap te bevorderen. Door het bestuderen van oude en tegenwoordige
religies, van wetenschap en filosofie en door de fundamentale waarheden
daarvan bij het publiek bekendmaken, demonstreren de leden van deze
broederschap de wezenlijke eenheid van alles wat is. Het meest belangrijke
is dat deze leden ernaar streven persoonlijke voorbeelden te zijn van
de hoogste moraliteit en geestelijke aspiratie.
Het vormen van zo’n genootschap wordt de moeilijkste toets van
alle. De grote ziel achter deze moderne beweging trekt veel mensen aan
die niet gereed zijn om in overeenstemming met de hoge idealen ervan
te leven. Ze wordt al snel blootgesteld aan onjuiste uitleg, twijfel
en ontkenning vanuit haar eigen genootschap. Er zijn mensen in wie ze
vertrouwen heeft en die zich tenslotte tegen haar keren en waar ze voor
staat. Deze teleurstellingen worden door haar lasteraars gebruikt om
de spottende bewering te ondersteunen dat ze met al haar zogenaamde
vermogens, niet het onderscheidingsvermogen heeft om haar vijanden van
haar vrienden te onderscheiden. Ze heeft hierop geantwoord met woorden
die ons ertoe brengen om verder te kijken dan haar opstandige en opvliegende
temperament, naar een daarachter liggende kern van geduld, verdraagzaamheid,
begrip en vergevingsgezindheid:
‘Wie ben ik dat ik aan iemand, in wie ik nog
een vonk van herkenning zie gloeien voor de Zaak die ik dien, de kans
zou weigeren om deze aan te wakkeren tot een vlam van toewijding?
Wat doen de gevolgen ertoe die mij persoonlijk treffen als zo iemand
faalt en bezwijkt voor de krachten van het kwaad in hem – bedrog,
ondankbaarheid, wraak, wat al niet – krachten die ik even duidelijk
zag als de hoopgevende vonk: al bedekt hij mij bij zijn val met onjuiste
voorstellingen, schande en hoon? Welk recht heb ik om iemand de kans
te weigeren voordeel te trekken uit de waarheden die ik hem kan leren,
zodat hij het Pad kan betreden?’1
Deze verklaring kan worden opgevat als een profetische beschrijving
van de rest van haar leven. Naarmate ze helpt haar gemeenschap in de
hele wereld op te bouwen, worden de aanvallen op haar, de ‘schande
en hoon’, sterker. Maar haar verklaring toont ook de geest van
mededogen waarin ze gedurende jaren van smart volhardt en die zijn tol
eist van haar slechter wordende gezondheid. Die geest ondersteunt haar
lang genoeg om haar in staat te stellen een monumentale erfenis van
geschriften na te laten waaruit we nog steeds kennis en inspiratie putten.
Ten tijde van haar overlijden zijn er in de hele wereld centra waar
mensen de ideeën bestuderen die ze weer invoerde in het gedachtenleven
van de mensheid; en de nieuwe geestelijke impuls heeft doorgewerkt tot
in deze eeuw om steeds meer belangstelling te wekken voor de wezenlijke
eenheid van het leven.
Deze korte schets heeft de aandacht gevestigd op bepaalde hoogtepunten
in het leven van een grote dienares van de mensheid. Hoe bereikt men
zo’n grootheid? Als de waarheden die ze onderwees ons kunnen helpen
hetzelfde pad naar spiritualiteit te betreden, moet er een nauwe verwantschap
zijn tussen haar ontwikkeling en de onze. In plaats van ons zelf terzijde
van haar te zetten, zouden we kunnen proberen haar te zien als een voorbeeld
om na te volgen.
De grootste hinderpaal om dit te aanvaarden is het geloof dat ze was
geboren met bovennatuurlijke vermogens die boven ons verstand of bekwaamheid
liggen, en dat die alleen haar toegang verleenden tot de Meesters en
hun kennis. Toch kon niets verder verwijderd zijn van haar leringen,
waarvan juist het doel is ons te helpen het leven als een geheel te
zien – en dit omvat ook de niet-stoffelijke wereld. Wat als ‘bovennatuurlijk’
wordt opgevat, is evengoed een deel van de natuur als dat wat we met
onze zintuigen waarnemen. In feite werden we eeuwen geleden bij het
begin van het bestaan van de mensheid allemaal geboren met het vermogen
om achter de sluier van de stof te zien. Maar in de loop van onze lichamelijke
en verstandelijke ontwikkeling zijn we zo overdreven afhankelijk van
deze vermogens geworden dat het uitsluitende gebruik ervan onze diepere
gevoeligheid verduistert. Het herontdekken van onze hogere zintuigen
hangt nu van veel meer af dan de veranderende omstandigheden van onze
geboorte – wij moeten onze manier van denken veranderen.
Wij hebben het vermogen om na te denken over de visie van eenheid die
de grote wijzen en zieners ons hebben doorgegeven. Als we hun voorbeeld
willen volgen, moeten we beginnen deze leringen in ons leven te verifiëren
– aan onze eigen innerlijke toetssteen van waarheid. Naarmate
bespiegeling en ervaring ons overtuigen van de eenheid van het bestaan,
begint het verstand een ware eerbied voor het geheel van de natuurlijke
wereld op te wekken. De natuur komt in onze gedachten tot leven, en
we beginnen een veel grotere werkelijkheid waar te nemen. We hebben
een groeiend gevoel voor onzichtbare maar intelligente wezens die inwerken
op alles wat we kennen. We spreken in stille verbazing met hen als we
in contact staan met waar we van houden. En ze nodigen ons uit om het
grote Mysterie in elk levend wezen te ontdekken.
Welke kracht geeft ons de wil om ons te bevrijden van eenzijdige opvattingen?
Hoe verzachten we de hardnekkige standpunten die onze fijnere gevoelens
tenietdoen? Wanneer we ons openstellen voor welke vorm van vriendelijkheid
ook, worden we aangeraakt door een krachtige tegenwoordigheid die ons
altijd dichter bij ons ware zelf brengt. We voelen deze tegenwoordigheid
in onze betrekking met het leven: ze geeft ons onze meest waardevolle
inzichten in wie we zijn en waarom we hier zijn. Ze is onze innerlijke
gids, de belichaming van onze hoogste aspiraties. In werkelijkheid zijn
we de leerling van onze innerlijke Meester, en ons doel is onze leraar
na te streven.
Hoe kan deze meester een levend wezen zijn wiens voorbeeld we kunnen
navolgen? Het antwoord is dat het ervan afhangt hoe goed we zijn voorbereid
om een levende schakel te smeden tussen ons hoogste zelf en onze eigen
menselijkheid. Kunnen we onze nobelste kant naar voren laten komen en
die bezielen met leven? Zijn we bereid dit leven te aanvaarden en alles
wat laag en zelfzuchtig is te laten verdwijnen? . . . Wanneer de leerling
gereed is, verschijnt de meester.
Hier is de weg naar onze innerlijke bron van wijsheid. Het is een reis
die ons meeneemt naar de geheime gebieden van de menselijke natuur:
naar de wortels van vooroordeel, onverdraagzaamheid, ongeduld en tegenzin;
naar de bron van hoogmoed, arrogantie, minachting en spot. Ze komen
alle voort uit illusies van afgescheidenheid en het verkeerde besef
van het zelf, waardoor we denken dat we daar beter van worden. Maar
met de hulp van onze meedogende gids kunnen we leren elke houding te
doorzien die we aannemen tegenover de persoonlijkheden van andere mensen
– tegenover de verborgen Meester in ieder van hen. Daar ligt ons
ware belang, want het is de manier waarop we ons voegen in de rijen
van degenen die kennis van goddelijke dingen hebben. Met zo’n
inzicht krijgen we toegang tot de bewakers van de mensheid – in
het heiligdom van onze diepste contemplatie.
Willen we worden geoefend in het ontwikkelen van onze latente vermogens?
Er ligt geen kracht in het gehecht zijn aan de bekwaamheid van het bereiken
van zichtbare effecten – alleen zwakheid. De oefening die het
meest nodig is om met de natuur te werken is, de zelfbeheersing
die we moeten leren. De opdracht waarvoor de meesters onze medewerking
nodig hebben is dat we met elkaar en met onze hele omgeving leren werken.
Paradoxaal worden echte leerlingen geoefend door ze te misleiden:
bevooroordeeld te zijn tegen verschijnselen, anderen onwaardig te achten
en op hen neer te zien. Dit stelsel van oefening wordt gebruikt om de
hele innerlijke natuur naar voren te halen, om elk aspect te laten zien
dat de ego heeft verborgen en dit te toetsen – zodat de leerling
kan ontdekken hoe hij zichzelf bedriegt.
Dezelfde manier van ontdekken heeft velen van ons ertoe gebracht in
contact te treden met andere gelijkgestemde onderzoekers om ertoe bij
te dragen de theosofische beweging levend te houden. Maar haar leven
hangt er niet vanaf hoeveel filosofie en religie we studeren of hoe
goed we de leringen kunnen uitleggen. Het hangt ervan af hoe toegewijd
we zijn bij het navolgen van het voorbeeld van de grootste vriendin
van de beweging. In plaats van vooroordelen te koesteren over het karma
van een ander, zouden we zo verstandig moeten zijn om iets van de ware
persoon, onze wezenlijke menselijkheid te laten oproepen. We zouden
begrip moeten hebben voor de beproevingen die we allen hebben bij het
ontmaskeren van onze zelfmisleiding. En we zouden ons moeten herinneren
waarom we werkelijk hier zijn – nl. om de geest van mededogen
tot een levende kracht in ons leven te maken.
Noten
- Gravin Constance Wachtmeister, Reminiscences of
H.P. Blavatsky and The Secret Doctrine, blz. 5.