Onze eerste bewuste ervaring met tegenstellingen is gewoonlijk die
van de grote verdeler, die de dag van de nacht scheidt, zus van broer,
zomer van winter. Als dreumes wordt ons geleerd tegenstellingen te herkennen
door naar iets te zoeken dat een bepaalde eigenschap totaal mist. Het
leven heeft echter de hebbelijkheid ons meedogenloos over de grenzen
van de zwart en wit logica te duwen. Naarmate bij het opgroeien de grijze
tinten zich ontwikkelen, worden we ons bewust van multidimensionale
niveaus: in relaties kan men in één opzicht tegenover
elkaar staan (moeder tegenover vader, ouders tegenover kind) en in een
ander opzicht naast elkaar en verenigd (moeder + vader + kind = gezin).
Als het letterlijke denken rijpt tot het overdrachtelijke, breekt de
gedachte door dat tegenstellingen extreme vormen zijn van één
dynamisch geheel. Ze vormen een eenheid waarin elk het potentieel of
de zaden bevat van de ander, zoals in het Chinese yin/yang; zaden die
eens ontkiemen en tot uitdrukking komen. Heraclitus, een Grieks, voorsocratisch
filosoof (omstreeks 500 v.Chr.), zag eenheid in – en de harmonie
van – tegenstellingen. Hij geloofde dat door de wet van eeuwige
beweging en verandering tegendelen voortdurend in elkaar overgaan: ‘Koud
wordt warm, warm wordt koud; nat wordt droog en droog nat. Iets verspreidt
en verzamelt zich, iets komt en gaat.’1
Tegenstellingen zijn gelijk omdat ze elkaar opvolgen en eenvoudig verschillende
polen van hetzelfde continuüm zijn.
In zijn psychologische onderzoekingen herkende C.G. Jung dit beginsel
als enantiodromia2, of
het in de loop van de tijd naar voren komen van het
onbewuste tegengestelde. Dit karakteristieke verschijnsel doet zich
praktisch altijd voor wanneer een extreme, eenzijdige tendens het
bewuste leven beheerst; na verloop van tijd vormt zich een even sterke
tegenstelling, die aanvankelijk de bewuste werking belemmert en vervolgens
de bewuste beheersing doorbreekt.3
Hoe sterker een bewuste emotionele energie zich in één
richting ontwikkelt, des te sneller en krachtiger wordt de tegengestelde
emotie vanuit het onbewuste opgeroepen om het evenwicht te herstellen.
Hoe meer we ons vereenzelvigen met en hechten aan een begeerte, hoe
meer we onszelf uit het evenwicht brengen en van binnenuit het compenserende
deel oproepen voor het herstel van het evenwicht. Dit ligt ten grondslag
aan het boeddhistisch streven naar de middenweg.
Wij zijn een slagveld van tegengestelde en schijnbaar onverenigbare
krachten. Ons werk vraagt om dit, onze ouders vragen om dat, onze kinderen
willen weer wat anders en wij willen meer dan alleen de restjes. Er
wordt van ons verlangd zelf te denken en samen te werken, mee te leven,
maar ons niet te laten inpalmen, behulpzaam te zijn en toch ons niet
te doen gelden. Bij ons streven naar evenwicht en verzoening ontdekken
we leefwijzen die succes lijken te hebben, waaraan we ons opgelucht
hardnekkig vastklampen. Onvermijdelijk komen we in de verleiding ons
met onze successen te vereenzelvigen en die te herhalen. Iets dat we
zeggen of doen werkt en dan raken we gehecht aan die oplossing. Maar
als we op het leven rechtlijnig en uit gewoonte reageren, wordt precies
het tegenovergestelde opgeroepen van wat we bedoelen. Een houding van
samenwerking is prachtig, maar blijven hameren op samenwerken als leiderschap
nodig is, is toch weer een voorbeeld van verstarring. Buitensporige
beleefdheid is grof; het leven alleen met ons verstand en onze rede
tegemoet treden is onredelijk. De gedachte van ‘enantiodromia’
wijst ons op het gevaar ons zo vast te klampen aan een idee of gedragspatroon
dat we onbewust het tegengestelde oproepen. We moeten zoeken naar een
dynamisch evenwicht voor ons leven als geheel, zonder enig deel van
onszelf te negeren – hoe onaantrekkelijk dit ook mag zijn voor
het ik-beeld dat ons voor ogen staat.
Parmenides, ook een voorsocratisch filosoof, stelde zich op het standpunt
dat de fundamentele werkelijkheid blijvend is en niet verandert; dat
verandering een illusie is. Hij doelt hier op het wezen van de geestelijke
gebieden. Wij zijn samengestelde wezens en tegelijkertijd zijn we in
ons diepste zelf, in het centrum van ons bewustzijn, één.
We kunnen investeren in de werkelijkheid van onze keuze. We kunnen
er ook voor kiezen, als we de tijd nemen en geloven dat het totale leven
aandacht verdient, wegen te zoeken om alles wat we zijn te belichamen
en tot uitdrukking te brengen, zonder ons teveel te vereenzelvigen met
één bepaald aspect, of dat te negeren. Bewust en creatief
reageren wil zeggen ons perspectief verbreden en ons openstellen voor
alle mogelijkheden, in plaats van steeds alleen tussen twee mogelijkheden
te laveren. Natuurlijk kiezen we er niet bewust voor niet-creatief te
werken en tot onszelf te zeggen: ‘Vandaag ga ik over op automatische
besturing en werk ik volgens dezelfde afgezaagde inzichten en vooroordelen.’
Het is moeilijk en tijdrovend om wakker, waakzaam en creatief te blijven.
Door ons te vereenzelvigen met onze persoonlijkheid in plaats van met
onze innerlijke goddelijke natuur, zoeken we de oorsprong van alle problemen
buiten onszelf; de ontdekking dat het anders moet doet pijn. Al kunnen
we van anderen leren, we kunnen helaas niet de oplossingen van een ander
lenen; we kunnen niet voorwenden open en creatief te zijn. Als we oprecht
willen handelen komen we tegenover onze eigen veinzerijen te staan.
Onze daden zouden moeten voortvloeien uit wat we werkelijk zijn. Door
ons te dwingen anders te handelen, lopen we gevaar uit te lokken wat
we juist proberen te vermijden.
We moeten ermee leren leven dat verbeelding en feiten
niet overeenstemmen. Men kan beter zeggen, ‘Het doet me pijn,’
dan ‘Dit landschap is lelijk’.4
Als mini-heelallen moeten we weerstand bieden aan de spanningen die
in ons aanwezig zijn. Als deze spanningen bewust worden belichaamd,
scheppen ze de energie en voorwaarden die voor psychische en geestelijke
groei noodzakelijk zijn. We handelen vaak dwangmatig om snel een mogelijkheid
te vinden om af te rekenen met wat ons hindert, maar we kunnen leren
een poosje te leven zonder een oplossing; conflicten een tijdje te laten
‘sudderen’ om onszelf de kans te geven vanuit ons diepste
centrum te reageren. Minnezangers bezongen het nut van een onbeantwoorde
liefde. Ze brandden van hartstocht, maar idealiseerden de kunst begeerten
te beheersen en niet te verwezenlijken, om via en tenslotte boven louter
hartstocht uit te stijgen tot extase en daardoor gelouterd te worden.
Beheersing, en niet ontkenning, niet vervanging, niet verwezenlijking,
maar beheersing zonder oordeelvelling kan het heen en weer glijden tussen
onze emotionele polen verhinderen. Het rustig uitstellen van reacties
maakt dat alle mogelijkheden en niet alleen die welke we graag beheersen
kunnen worden opgeroepen. We moeten alles van onszelf leren
aanvaarden, begrijpen en koesteren omdat aanvaarding alles omvat en
niets uitsluit. De tegenstellingen in onszelf accepteren en beheersen
is een doorgaand proces. We werken naar die soort dynamisch evenwicht
dat door de Ouroboro's in beeld werd gebracht –
de staarteter, waar de tegenstellingen één
zijn: de kop is aan het ene en de staart aan het andere einde. Ze
zijn één maar hebben een tegengesteld aspect, en als
kop en staart, de tegenstellingen, elkaar ontmoeten, ontstaat een
stroom, waarop de alchemisten doelen als het mystieke en goddelijke
water, . . . maar wat ook in veel teksten staat, het levenswater en
de steen [der wijzen] zijn één.5
Die mystieke stroom is het vrijkomen van de creatieve levensgeest die
schijnbaar is gevangen als we uit het evenwicht zijn geraakt.
Als we, ons in de greep bevindend van sterke emoties of gewoonten,
alle energieën rustig in bedwang krijgen en de creatieve oplossing
toch niet komt, wat dan? Misschien helpt het te weten dat in ons dat
stille, evenwichtige, geestelijke centrum bestaat, zelfs als het brandpunt
van ons bewustzijn zich rusteloos verplaatst. Weten dat het er is kan
ons de belofte van vrede brengen, al kost het misschien vele levens
om het te bereiken. Intussen brengt het idee van ‘enantiodromia’
ons de wetenschap dat er voor alles wat we zien als onze negatieve eigenschappen
een zaadje van tegenovergestelde waarde groeit, ook al kunnen we het
niet zien:
In het middernachtelijk uur van volslagen duisternis,
wordt aan de andere kant van de nacht achter het sterrenkruis, de
ochtend geboren.6
Noten
- ‘On Nature’, xxxix, Heraclitus of
Ephesus, vert. G.T.W. Patrick, Argonaut, Chicago, 1963, blz.
93.
- Grieks woord voor ‘het volgen van tegengestelde
wegen, samenkomen, kruisen’.
- The Collected Works of C.G. Jung, deel 6,
Psychological Types, 1971, blz. 426.
- Simone Weil, geciteerd in The Sun, aflevering
121, blz. 40.
- Marie-Louise von Franz, Alchemy: An Introduction
to the Symbolism and the Psychology, Inner City Books, Toronto,
1980, blz. 174.
- Laurens van der Post, Venture to the Interior,
William Morrow, New York, 1951, blz. 242.