Kwam HPB 100 jaar te vroeg?
Grace F. Knoche

 

Toespraak (aangepast voor dit artikel) gehouden op 4-5 mei 1991 in het Pasadena City College, Pasadena, Californië, ter herdenking van de 100ste sterfdag van H.P. Blavatsky.


 

Zoals de lezers van Sunrise weten, hebben theosofen in de hele wereld de honderdste sterfdag van H.P. Blavatsky herdacht en hebben ze niet alleen in toespraken, artikelen, gedichten en andere verbale vormen hun erkentelijkheid betuigd voor haar bijzondere spirituele bijdrage, maar ook in oorspronkelijke muzikale uitingen, in dans, fotografie en beeldende kunst. Het is interessant dat in een aantal landen het jaar 1991 is uitgeroepen tot ‘Het jaar van Tibet’. Als HPB nu nog in ons midden was zou ze dat ongetwijfeld hebben opgemerkt, want een deel van haar training en voorbereiding voor het werk dat ze vanaf 1875 tot aan haar dood, zestien jaar later, zou gaan doen, vond plaats in Tibetaanse boeddhistische lama-kloosters, onder leiding van leraren (zelf geen Tibetanen) die het heilige ideaal van mededogen koesterden, waarvan het leven en het werk van Gautama Boeddha een voorbeeld was.

In 1875, zeven maanden voor de eerste bijeenkomst van wat de Theosophical Society zou worden, schreef ze aan een vriend:

Ik ben door mijn Loge naar dit land gezonden ter wille van de Waarheid in het moderne spiritisme en het is mijn heilige plicht te onthullen wat wel, en aan de kaak te stellen wat niet waar is. Misschien kwam ik hier honderd jaar te vroeg.1

Laten we eens veronderstellen dat HPB niet in 1831 was geboren; niet de zware training had ondergaan die haar in staat zou stellen haar schitterende werken te schrijven en op het scherm van het lot levende beelden te projecteren van het ontstaan van solaire werelden en van de geboorte en evolutie van de zeven mensheden waarmee ons menselijk avontuur begon. Hoe zou het zijn als de oorspronkelijke wijsheidsleringen niet opnieuw waren uiteengezet, en er geen organisatie was om ze te verbreiden en levenskrachtig te houden, zodat toekomstige generaties konden worden gevoed en gesteund? Hoe zou het zijn als er geen HPB was geweest – of een andere boodschapper – om een beroep te doen op ontwakende zielen en te inspireren tot dingen van de geest? Hoe zou het de duizenden zijn vergaan die uit haar boeken inspiratie hebben geput? En, wat belangrijker is, hoe zou de mensheid als geheel er aan toe zijn?

Als we afgaan op uiterlijkheden biedt zelfs een vluchtige blik op de afgelopen negen decennia een troosteloos beeld: waarheen we ook zien, alles schijnt verkeerd. Het theosofische wereldbeeld schijnt niet zo'n constructieve invloed te hebben uitgeoefend als men had gehoopt na een periode van meer dan honderd jaar waarin de verheffende idealen en leringen werden verbreid. Sommigen beweren ten stelligste dat als HPB, laten we zeggen in 1931 was geboren, en haar kosmologische en evolutionaire theorieën in het laatste kwart van deze eeuw aan lezers had verkondigd, ze niet had behoeven te vechten om gehoord te worden en een veel groter publiek de theosofische waarheden zou hebben verwelkomd, ter aanvulling van het ontwakende planetaire en kosmische bewustzijn van deze tijd. Onder die omstandigheden zouden haar ideeën wellicht een veel grotere invloed hebben uitgeoefend. Neem als voorbeeld de opvallende filantropische instelling van het denken – of moeten we zeggen van het hart – van een groeiend aantal mensen, in het bijzonder onder de jongere generatie; de toenemende belangstelling voor de vergelijkende studie van de wereldgodsdiensten en van de mythologie en de merkwaardige toename van onopzettelijke uitingen van psychische vermogens, hebben sommigen doen afvragen of HPB's opdracht niet in de verkeerde eeuw werd uitgevoerd.

De uiterlijke schijn kan ons echter blind maken voor de vernieuwende activiteiten die wellicht plaatsvinden achter het rookgordijn van verwarring. Bosbranden zijn angstaanjagend, maar brengen met zich mee dat er nieuwe groei ontstaat, dat onverwachts nieuwe loten uitlopen. Zouden de bevrijding van het denken, die zich in deze tijd op ruime schaal voltrekt, de ontdekkingen, het wetenschappelijk onderzoek, de algemene instelling mogelijk zijn geweest, kunnen zijn geweest, als deze gedachtezaden niet in het denkbewustzijn van ontvankelijke geesten van de 19de eeuw waren uitgestrooid? We kunnen er zeker van zijn dat de bijna gelijktijdige doorbraken in deze tijd, op vele gebieden van denken en ervaren, niet in een vacuüm plaatsvonden. Zo werkt de natuur niet. Zij bereidt de grond voor; uitgestrooide zaden moeten eerst wortel schieten en wachten op het juiste jaargetijde en de gunstige omstandigheden om op te groeien naar de zon, tot bloei te komen en vruchten voort te brengen.

De Theosophical Society werd gesticht om de mensheid te bevrijden uit de greep van godsdienstige en wetenschappelijke dogma's door een nieuwe verkondiging van de verzamelde wijsheid der eeuwen omtrent de aard en bestemming van de mens en de kosmos die, als ze werd begrepen en in praktijk gebracht, het geestelijke gedachtenleven van de mensheid zou kunnen verheffen. Het belangrijkste doeleinde was de verbetering van de omstandigheden van de mens door een kern te vormen van mannen en vrouwen, die zich onvermoeid zouden wijden aan de zaak van universele broederschap – universele, geen plaatselijke, want elk atomair leven in de hele ruimte bezit de kracht van een godsvonk, een monade of een lichtatoom. Dit, in combinatie met de theosofische leringen van reïncarnatie en karma, biedt een filosofie voor het dagelijks leven, die niet alleen formaat en waardigheid schenkt aan de ziel, maar ook bevredigende verklaringen biedt van de afschuwelijke onrechtvaardigheden waaronder zovelen lijden. Dat achter ieder leven, hoe moeilijk het heden ook mag zijn, een meedogend doel schuilgaat is een groeiende zekerheid. Ongetwijfeld is het het ruime perspectief dat vele levens gedurende duizenden millennia bieden, dat ons helpt het dagelijks karma met meer geduld en begrip tegemoet te treden.

Een kostbaar geschenk van de theosofie is haar niet-autoritaire aard; er is geen geloofsbelijdenis, er zijn geen dogma's, geen stellingen die men moet aanvaarden. Vanaf het begin heeft HPB het meer dan duidelijk gemaakt dat een vrij en onbevreesd onderzoek van de waarheid, van de natuur, werd aangemoedigd en in feite van de aspirant werd verwacht, welke zijn religieuze erfenis ook was. Ieder mens staat even dicht bij het goddelijke – bij God, Allah of Brahman – als bij zijn hoger zelf; geen paus, roshi, mahatma of rabbijn is bevoegd tussen hem en zijn innerlijke god te treden. Deze vrijheid, als een dynamische kracht van de ziel, komt tot uitdrukking in elk aspect van de cultuur, in de beeldende kunsten, de literatuur, de natuurwetenschappen en de geneeskunde. Er is een alchimistisch proces gaande, langzaam of snel al naar de omstandigheden – zoals de wind die blaast waarheen hij wil, zo worden zaadgedachten van blijvende betekenis zonder ophouden her en der gezonden om in ontvankelijke en vruchtbare zielen te worden opgenomen en te ontkiemen.

Maar waarom die haast van de zijde van HPB's leraren om deze waarheden in de vorige eeuw bekend te maken aan een mensheid die al was begonnen zich bewust te worden van het bestaan van innerlijke werelden; waarom zo'n omvangrijk werk te schrijven als de GL, dat betrekkelijk weinigen zouden begrijpen? Als broederschap zo belangrijk was, waarom zich dan niet concentreren op het helpen van mensen de Gulden Regel tot een levend feit in hun leven te maken, want dat zou in één klap minstens 90% van de door de mensheid begane misdaden doen verdwijnen? Al bijna 2000 jaar is het 11de gebod van Jezus – hebt uw naasten lief – door velen gepredikt en door enkelen in praktijk gebracht, maar door gebrek aan belangstelling bij theologen is het een verloren schat geworden. Het was ook niet voldoende gebleken voor hen die het hoe en waarom van het leven wilden begrijpen; waarom ze werden geboren; de betekenis van het lijden; wat er met de ziel gebeurt bij de dood en nog veel meer diepgaande vragen. De cyclus was aangebroken om geloof te onderbouwen met een filosofie van kosmische draagwijdte, die was opgewassen tegen de aanvallen van het verstand, van tegenargumenten en van pijnlijke ervaringen, door de ruimere visie van reïncarnatie, die de dood ontwapent en het mogelijk maakt een creatief en evenwichtig leven te lijden.

Een van HPB's leraren verklaart in een brief aan een vroege theosoof, Alfred Sinnett, dat hun meerderen bijna een eeuw zochten om iemand te vinden die precies over die combinatie van eigenschappen beschikte waarnaar ze uitzagen. Ze hadden niet alleen iemand nodig die zou kunnen dienen als ontvanger en doorgever van waarheden, die vele duizenden jaren lang niet zo volledig waren uitgegeven, maar ook iemand die trouw zou blijven aan het oorspronkelijke plan, nl. ‘dat de TS voor alles een universele Broederschap is, niet een Vereniging voor verschijnselen en occultisme’.2 In de zeventiger en tachtiger jaren van de 19de eeuw was het van wezenlijk belang de eenheid van alle leven opnieuw zo krachtig te bevestigen dat de idealen van mededogen en broederschap het gedachten-continent van onze tegenwoordige eeuw zou doordringen vóór het opkomende getij van psychologisch geëxperimenteer, dat al een hoogtepunt bereikte, de mensheid zou overweldigen. Kort voor ze stierf deed HPB een welsprekend beroep op de Amerikaanse theosofen, die in Boston bijeenkwamen, te helpen dit opkomend getij van psychische sensitiviteit in goede banen te leiden: ‘Het psychisme met alle verlokkingen en gevaren daarvan ontwikkelt zich nu onvermijdelijk onder u en u moet oppassen dat de psychische ontwikkeling de manasische [mentale] en spirituele niet achter zich laat. . . . Let daarom nauwkeurig op deze ontwikkeling, die in uw ras en ontwikkelingsperiode onvermijdelijk is, zodat ze uiteindelijk ten goede en niet ten kwade zal uitwerken; . . . ’3

In onze tijd werken beide stromen zij aan zij: ongeregelde en vaak gevaarlijke psychische praktijken, met als tegenwicht een krachtige stroom van mededogen die zich onder alle leeftijdsgroepen kenbaar maakt. Het schijnt dat de crises van deze cyclus vele zielen op niet gemakkelijk te omschrijven wijzen hebben beroerd. Als we nadenken over de altruïstische motieven achter de stichting van de Theosophical Society in 1875 en HPB's bereidheid om te dienen ter wille van de wereld en de betrekkelijk weinigen die er aandacht aan schonken; en als we nu zien wat de oogst is, een opmerkelijke vrijmaking van het denken en het onderzoek dat op elk terrein van menselijke genialiteit tot uitdrukking komt, is het onmogelijk welk aspect van het leven ook in deze negentiger jaren te isoleren van theosofische invloeden. Omgekeerd is het even onmogelijk te peilen hoe groot de uitwerking op de mensheid in de 20ste eeuw en verder zou zijn geweest als HPB in het gedachtenklimaat van de 19de eeuw niet de zaden van de theosofische boodschap had gestrooid.

Een licht ontsteken in een ander betekent dat men zijn karma onherroepelijk met de ander verbindt – ten goede of ten kwade. HPB nam vrijwillig dat karma op zich: nog een reden waarom degenen die door de theosofische idealen en leringen zijn aangesproken, het leven en het dienende werk van HPB eren, dankbaar voor het karma zoveel te hebben ontvangen, tegen zo'n grote prijs van de zijde van de schenker. Wat de mensheid HPB en haar leraren verschuldigd is komen wij misschien nooit te weten. Dat zij op de juiste tijd kwam en de Theosophical Society op de juiste plaats stichtte lijkt zonder meer duidelijk.

 

Noten

  1. Some Unpublished Letters of Helena Petrovna Blavatsky, met een inleiding en commentaar van Eugene Rollin Corson, M.D., brief aan professor Hiram Corson, met poststempel 16 februari [1875], blz. 127-8.
  2. H.P. Blavatsky aan A.P. Sinnett, Adyar, 17 maart [1885]; zie De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 521.
  3. H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies: 1888-91, blz. 49.
 
Andere artikelen over Helena Blavatsky
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency