Vandaag wandelde ik langzaam naar een mooi parkje in de buurt van mijn
huis. Er was niemand die de rust verstoorde. Daar was ik blij om want
ik wilde erg graag diep nadenken over de zeer ernstige ziekte van een
bijzondere vriend. De zilveren levensdraad was nog niet gebroken, hoewel
dat moment duidelijk ophanden was.
In de koude vrieslucht van de winterochtend zond ik liefhebbende gedachten
naar de nobele geliefde ziel van deze dierbare vriend van mij, die op
de rand van vertrekken zweefde – deze vriendelijke man wiens grootste
wens was, zo wist ik, de wet van karma te dienen en dit leven te leven
met onbaatzuchtigheid, geduld, kalme waardigheid en liefde.
Ik wilde denken aan de bijzonder gelukkige tijden die we samen hadden
– als jongeren, als volwassenen, als ‘oudjes’. Ik
wilde mijn verlangen voor zijn rust naar hem uitzenden terwijl hij nog
leefde.
De bevroren grond was bedekt met kristallen, bevroren waar de schaduwen
waren; maar waar de warmte van de ochtendzon het ijs had gesmolten waren
duizenden dauwdruppels, glinsterend als juwelen die hun regenboogkleuren
veranderden terwijl ik in verwondering naar ze keek. Het was werkelijk
een tovertapijt.
Mijn menselijk gevoel bracht tranen in mijn ogen, terwijl ik dacht
aan mijn vriend die ging vertrekken. Toen, terwijl ik stilstond om het
moois rondom me te omvatten, zag ik een prachtige berkeboom –
zijn stam glinsterde zilverachtig in de stralen van de zon. Hij stond
met andere bomen in een klein kreupelbosje. Op een speciale manier echter
was hij anders. Alle andere bomen waren stil, bewegingloos en kaal.
Deze was groot, met zijn bovenste ragfijne takjes scherp afgetekend
tegen de kobaltblauwe lucht – diep-, diepblauw. En ik zag dat
hij bedekt was met glinsterende witte kanten kapjes als berijpte snuisterijen.
Maar de boom zag er uit en klonk alsof hij, net als ik, huilde. Ik kon
de tranen die van de takken vielen zien – en horen.
Ik wandelde heel langzaam dichterbij en ontdekte dat de boom echt huilde,
geen regendruppeltranen, maar duizenden kleine zuiver witte rijpballetjes.
Plotseling flitste er een idee door mijn hoofd – deze boom huilde
niet; hij stroomde over van vreugdevolle, dansende kristallen, die zich
stuk voor stuk losmaakten van dit enorme levende tehuis; ieder vrolijk
op en neer springend op de bevroren grond. Zij schenen allemaal van
hun korte leventje te genieten alvorens weg te zinken tussen de bevroren
grassprieten en daar namen ze langzaam een andere vorm van leven aan
– ditmaal als dauwdruppels met regenboogkleuren, een geboorte
uit de dood. De cyclus van leven en dood van de ijsdeeltjes lag voor
me en ik was aanwezig om er getuige van te zijn!
Een roodborstje met z’n glanzende rode borst, streek bij mijn
voeten neer. Ik bewoog me niet, hij evenmin. Het was allemaal zo adembenemend.
Ik had het gevoel op heilige grond te zijn. Op de een of andere manier
begreep ik hoe de profeet Mozes zich gevoeld moet hebben toen hij, zoals
in het verhaal, getuige was van het brandende braambos. Ik wist dat
er geen dood was, alleen verandering, een geboorte in iets of ergens
anders. Ja, dacht ik, net zoals deze ijskristallen van gedaante zijn
veranderd, zo veranderen wij mensen ook onze stoffelijke vorm. We keren
terug tot – of met? – onze fundamentele ingrediënten.
En welke zijn dat, vroeg ik me af.
Ik voelde dat alles goed was met mijn dierbare vriend. Welke kracht
ook verantwoordelijk was voor zo’n verbluffende schoonheid en
zo’n prachtige orde en wet, deze zou hem omringen en hij zou beschermd
zijn op zijn reis langs de sterren. Hij zou met vertrouwen en vreugde
naar het licht reizen, het licht dat het hart is van alle dingen.