Geen dood – slechts verandering
Olive Jones

 

Vandaag wandelde ik langzaam naar een mooi parkje in de buurt van mijn huis. Er was niemand die de rust verstoorde. Daar was ik blij om want ik wilde erg graag diep nadenken over de zeer ernstige ziekte van een bijzondere vriend. De zilveren levensdraad was nog niet gebroken, hoewel dat moment duidelijk ophanden was.

In de koude vrieslucht van de winterochtend zond ik liefhebbende gedachten naar de nobele geliefde ziel van deze dierbare vriend van mij, die op de rand van vertrekken zweefde – deze vriendelijke man wiens grootste wens was, zo wist ik, de wet van karma te dienen en dit leven te leven met onbaatzuchtigheid, geduld, kalme waardigheid en liefde.

Ik wilde denken aan de bijzonder gelukkige tijden die we samen hadden – als jongeren, als volwassenen, als ‘oudjes’. Ik wilde mijn verlangen voor zijn rust naar hem uitzenden terwijl hij nog leefde.

De bevroren grond was bedekt met kristallen, bevroren waar de schaduwen waren; maar waar de warmte van de ochtendzon het ijs had gesmolten waren duizenden dauwdruppels, glinsterend als juwelen die hun regenboogkleuren veranderden terwijl ik in verwondering naar ze keek. Het was werkelijk een tovertapijt.

Mijn menselijk gevoel bracht tranen in mijn ogen, terwijl ik dacht aan mijn vriend die ging vertrekken. Toen, terwijl ik stilstond om het moois rondom me te omvatten, zag ik een prachtige berkeboom – zijn stam glinsterde zilverachtig in de stralen van de zon. Hij stond met andere bomen in een klein kreupelbosje. Op een speciale manier echter was hij anders. Alle andere bomen waren stil, bewegingloos en kaal. Deze was groot, met zijn bovenste ragfijne takjes scherp afgetekend tegen de kobaltblauwe lucht – diep-, diepblauw. En ik zag dat hij bedekt was met glinsterende witte kanten kapjes als berijpte snuisterijen. Maar de boom zag er uit en klonk alsof hij, net als ik, huilde. Ik kon de tranen die van de takken vielen zien – en horen.

Ik wandelde heel langzaam dichterbij en ontdekte dat de boom echt huilde, geen regendruppeltranen, maar duizenden kleine zuiver witte rijpballetjes. Plotseling flitste er een idee door mijn hoofd – deze boom huilde niet; hij stroomde over van vreugdevolle, dansende kristallen, die zich stuk voor stuk losmaakten van dit enorme levende tehuis; ieder vrolijk op en neer springend op de bevroren grond. Zij schenen allemaal van hun korte leventje te genieten alvorens weg te zinken tussen de bevroren grassprieten en daar namen ze langzaam een andere vorm van leven aan – ditmaal als dauwdruppels met regenboogkleuren, een geboorte uit de dood. De cyclus van leven en dood van de ijsdeeltjes lag voor me en ik was aanwezig om er getuige van te zijn!

Een roodborstje met z’n glanzende rode borst, streek bij mijn voeten neer. Ik bewoog me niet, hij evenmin. Het was allemaal zo adembenemend. Ik had het gevoel op heilige grond te zijn. Op de een of andere manier begreep ik hoe de profeet Mozes zich gevoeld moet hebben toen hij, zoals in het verhaal, getuige was van het brandende braambos. Ik wist dat er geen dood was, alleen verandering, een geboorte in iets of ergens anders. Ja, dacht ik, net zoals deze ijskristallen van gedaante zijn veranderd, zo veranderen wij mensen ook onze stoffelijke vorm. We keren terug tot – of met? – onze fundamentele ingrediënten. En welke zijn dat, vroeg ik me af.

Ik voelde dat alles goed was met mijn dierbare vriend. Welke kracht ook verantwoordelijk was voor zo’n verbluffende schoonheid en zo’n prachtige orde en wet, deze zou hem omringen en hij zou beschermd zijn op zijn reis langs de sterren. Hij zou met vertrouwen en vreugde naar het licht reizen, het licht dat het hart is van alle dingen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency


 

Zonder haast, zonder rust, vervolgt de aarde haar machtige omwentelingen en voert ze ons van middernacht terug naar een nieuwe zonsopgang. De tussenliggende uren zijn gevuld met creatieve krachten, zodat de periode vóór zonsopgang een tijd van heldere visie wordt, waarin het getij van zuiver denken bezig is op te komen. We kunnen ons afvragen in welk opzicht onze gang van dageraad naar schemering en weer naar dageraad, van de subjectieve schaduwen van de nacht naar de stralende zonverlichte uren, essentieel verschilt van de langere cyclus van incarnatie en dood, of van de nog grotere cyclussen die betrekking hebben op leven en dood van planeten, zonnen en heelallen? Wij ervaren elke vierentwintig uur in het klein alle verschijnselen van openbaring, terugtrekking en het opnieuw tevoorschijn komen. – Madeline Clark