Op een keerpunt
I.M. Oderberg

 

We zijn getuige van het slechten van muren van wereldrijken en naties. Nog steeds bestaan er scheidsmuren, als een etnisch erfdeel, waardoor uiterlijke verschillen, door de mens opgeworpen barrières die vroeg of laat moeten verdwijnen, worden instandgehouden. Als de laatste slagboom is opgeheven zullen mensen individueel inzien dat we innerlijk allen verwant zijn en erfgenaam van een gemeenschappelijke schat. Langgeleden werden we ons van onszelf bewust en pas nu, als we sommige oude mythen bestuderen, begrijpen we dat we het popstadium achter ons hebben gelaten en aan het ontwikkelingsproces van menselijke eigenschappen zijn begonnen. We hebben sinds het begin al een lange weg afgelegd, maar de weg vóór ons moet nog net zo lang zijn.

In de vorige eeuw waarschuwde de Franse journalist Georges Sorel, een pionier op het gebied van de sociale filosofie, dat het sprookje van de vooruitgang de mens onder zijn banier zou meevoeren, maar dat het mannen en vrouwen van de twintigste eeuw tot slaaf zou maken, hen zou degraderen tot tanden in het raderwerk van de technologie. Dit aspect van de technologie werd door Charlie Chaplin in zijn film Modern Times gehekeld. Bijna twee eeuwen geleden liet de Engelse dichter en schilder William Blake een ernstige waarschuwing horen tegen de ‘duistere satanische fabrieken’ – die de lucht, het water en de grond waarin we planten kweken en waarop we wonen, vervuilen.

Waar en door wie van ons kan een begin worden gemaakt met het tot stand brengen van de nodige verbeteringen, die de heilzame resultaten opleveren waar de meeste mensen naar uitzien? Het begin ligt zeer zeker bij onszelf, vooral op het terrein van onze onderlinge verhoudingen. Zijn we verdraagzaam genoeg om het beeld dat we van anderen krijgen te herkennen als een weerspiegeling van onze eigen karaktertrekken, maar dan gezien als in een holle of bolle spiegel? Zijn we bereid aan onszelf te werken in plaats van te wachten tot anderen aan zichzelf beginnen te schaven?

In plaats van mensen, dingen en gebeurtenissen als absolute verschijnselen te zien, verschillen op te merken en daaruit scheidsmuren op te bouwen, moeten we proberen het totaalbeeld te zien, waarin alle bewoners van de aarde zijn opgenomen. Elk mens heeft deel aan het grote proces van de universele evolutie. Veranderingen mogen ons klein toeschijnen als we ons beeld beperken tot het stoffelijk aspect van een mens. Dat komt omdat de eigenlijke groei van onze menselijke structuur een innerlijk, subjectief proces is, dat niet alleen de groei van het denken omvat, maar ook zulke geestelijke eigenschappen als altruïsme, waarvan mededogen de wortel is. Deze eigenschap kan niet door mechanische middelen worden voortgebracht, want ze is zuiver subjectief van aard en ligt buiten het terrein van de stoffelijke vormen.

Onze lichaamsbouw is primitiever dan die van sommige soorten die specialisaties hebben ontwikkeld die hen in staat stellen doelmatiger op hun omgeving te reageren. Wij daarentegen hebben onze vermogens uitgebreid langs lijnen van innerlijke groei. We zijn ons bewust van onze persoonlijke identiteit; denken na over een groot aantal verschillende onderwerpen en over gebeurtenissen die plaatsvinden in ruimte en tijd; we kunnen ons inleven in het verleden en vooruitzien naar toekomstige mogelijkheden. We kunnen processen waarnemen die in de uitgestrekte gebieden van het heelal plaatsvinden en proberen die te begrijpen. We kunnen speculeren over wat het is dat ons helpt indrukken op de zintuigen om te zetten in gewaarwording en begrip. We ontwikkelen een gevoel voor schoonheid en herkennen die in de natuur en in onze kunstzinnige scheppingen.

Onze betrokkenheid bij dit alles en de ervaringen die we opdoen zijn te vergelijken met wat in onze scholen met hun vele graden plaatsvindt. Al onze ervaringen zijn de lessen die we leren als we reageren op wat we aan het ‘Levensboek’ toevoegen en op wat we eraan ontlenen, samen met onze verwanten die alle andere bewoners van onze planeet omvatten.

Enige jaren geleden publiceerde Niels Bohr, Nobelprijswinnaar natuurkunde, zijn concept ‘complementariteit’ geheten, wat wil zeggen dat er een relatie bestaat tussen het elektromagnetische aspect van het licht en de theorieën omtrent lichtdeeltjes. Deze beide theorieën dragen bij tot begrip van het tweevoudige karakter, dat pas is ontdekt toen er proeven werden genomen om aan te tonen of het om golven ging, of deeltjes – door Newton corpuscula genoemd. Deze relatie komt overeen met die tussen bepaalde kleuren als we zeggen dat ze elkaars complement zijn.

Het begrip complementariteit kan ook op andere gebieden worden toegepast, ondanks Bohr's nadrukkelijke bewering dat het alleen op natuurkunde slaat. Tegelijk hiermee verkondigde Bohr's vriend, Werner Heisenberg, eveneens Nobelprijswinnaar natuurkunde, zijn ‘onzekerheidsprincipe’ – wat in feite betekent dat men de plaats van een voorwerp niet tegelijk kan vaststellen met zijn snelheid in de ruimte. Deze twee ideeën die bijna tegelijk werden geformuleerd, hebben er veel toe bijgedragen dat oude opvattingen over stof, beweging en andere, die vroeger als absoluut werden gezien, werden verworpen.

In het laatste boek van Sir Denys Wilkinson Our Universes,1 schrijft hij ‘We kijken naar buiten naar het heelal en naar binnen naar onszelf . . . Immanuel Kant's tweedeling van ‘‘met sterren bezaaide hemelen hierboven en een morele wet vanbinnen’’ zijn slechts twee zijden van dezelfde munt’ (Voorwoord).

Deze belangrijke begrippen kunnen op ieder gebied van het leven worden toegepast: in plaats van mensen, dingen en gebeurtenissen als afzonderlijke en niet verwante zaken te zien, zouden we kunnen proberen het hele beeld te zien, of op zijn minst zoveel als we kunnen. Als we onze relatie met anderen baseerden op samenwerking in plaats van op concurrentie, dan zouden we een opmerkelijke verandering ontdekken in de kwaliteit van ons dagelijks leven en van onze beschaving als geheel.

 

Noot

  1. Our Universes, The George B. Pegram Lectures, Columbia University Press, New York, 1991, 213 blz.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency


 

Het meer was kalm, weerkaatste wolken als in spiegelglas;
Een plek voor stille overpeinzing, ver van ‘t menselijk ras.
Ik wierp een steen in't meer, en rimpelingen trokken ver,
Ik vroeg me af, verstoren zij die verre ster?
Of trekken mijn gedachten rimpels in die sterrenzee?
Want ik besta uit sterrenstof en de sterren bestaan uit mij.
     – R.H. Ross