Ons speciale nummer van 1992 behandelt enkele bekende problemen die
een uitdaging vormen en waarmee we in het leven te maken krijgen, niet
alleen als privépersonen, maar ook als essentiële deelnemers
aan het evolutieproces van de kosmos, waarin iedere levensvorm op onze
planeet een rol moet spelen.
Al langer dan een eeuw is de gedachte-atmosfeer, die over de aarde
circuleert en waaraan allen deelhebben, van theosofische denkbeelden
doordrenkt. Er zijn maar weinig mensen die nog nooit hebben gehoord
van de bevrijdende gedachten van karma en reïncarnatie. Wie deze
verbindt met de uitspraken van Jezus dat we goden zijn, die elkaar en
onze naaste als onszelf moeten liefhebben, ontdekt een filosofie voor
het leven, die bestand is tegen de beroering, teweeggebracht door karmische
schokken, of deze van binnenuit komen of ons van buitenaf treffen.
Toch schijnen velen onafgebroken door verwarring en wantrouwen en zelfs
wanhoop te worden gekweld. ‘Zonder visie gaat een volk ten
onder’ – het is zeker dat de één-leven
theorie onze visie aanzienlijk heeft beperkt; in plaats van ons lot
te accepteren als ‘onvoltooide goden’ die bezig zijn hun
schitterende mogelijkheden tot ontwikkeling te brengen, bezwijken we
voor de verleidelijke aantrekkingskracht van de stof. Naarmate onze
intellectuele en psychische krachten de overhand kregen, werden we langzamerhand
overmand door trots, die tijdelijk onze vooruitstrevende, meer goddelijke
kant verdrong. Bijgevolg is het oog van de ziel half verblind door de
schittering van het kortstondige en vragen we ons af of we eigenlijk
geen vreemdelingen zijn in een ons vreemd heelal.
Maar we zijn geen vreemdelingen – tenzij we ervoor kiezen
ons los te maken van onze goddelijke ouder – want de universele
wijsheid bevestigt dat we onafscheidelijke delen van het zonnestelsel
zijn, dat ons lichaam is gesmeed in de vuurhaarden van de melkwegstelsels
en dat onze ziel en geest het produkt zijn van maan, zon en sterren.
We behoeven slechts onze voorvaderlijke banden te erkennen om te weten
dat de bestemming van de kosmos onze bestemming is.
Als we uitgaan van onze verwantschap met aarde en kosmos die ons het
leven schonken, waarom gaan dan zo velen gebukt onder gevoelens van
angst, en zelfs schuld, die hun oorsprong vinden in een diepgeworteld
besef te kort te schieten? Zelfs bij hen die nooit werden besmet met
het dogma van de ‘erfzonde’ is een verraderlijk overblijfsel
blijven hangen, dat een schaduw werpt over het karakter. Zoals we erop
rekenen dat achter de wolken de zon schijnt, zoals het spreekwoord zegt,
hebben velen het vertrouwen dat aan de kosmos een plan of doel ten grondslag
ligt; anderen beseffen dat we ons in onze fanatieke behoefte onze eenzaamheid
met uiterlijke middelen te verdrijven, misschien hebben vervreemd van
dat waar we het meest naar verlangen: gemeenschap met onze trouwe vriend,
ons hoger zelf, onze eeuwenoude metgezel. Heilige overleveringen –
bewaard in steen, in geschriften of in mythen – leggen de nadruk
op die ene treffende waarheid: dat bewustzijn, orde, harmonie, het goddelijke
de bron en oorsprong is van ieder levend wezen; dat ons stoffelijk lichaam
vergankelijk is en bij de dood in ontelbare atomen uiteenvalt.
Betekent dat nog iets voor ons in deze tijd? Ik denk van wel. In het
laatste decennium heeft een uitgelezen groep wetenschappelijke denkers,
afkomstig uit verschillende disciplines, zich intensief beziggehouden
met het opstellen van een radicale ‘nieuwe wetenschap’ –
over chaos.1
Een van hen, Douglas Hofstadter, zei het volgende: ‘Het blijkt
dat vlak achter een façade van orde een vreemd soort chaos schuilgaat
– en toch schuilt diep in de chaos een nog vreemder type van orde.’
Theosofisch gezien is dit een opwindende gedachte, een symbolisch beeld
niet alleen van de mens maar van alle levensrijken: Is er een atoom
in de ruimte niet uit chaos geboren en bestemd een kosmos te worden
– hetzij klein of groot – waarin orde, schoonheid, ingewikkeldheid
van structuur in steeds gecompliceerder patronen hun latente mogelijkheden
tot uitdrukking brengen? In de Griekse mythologie is Chaos, de oudste
van de Goden, de onmetelijke en ongeorganiseerde ruimte die voorafgaat
aan de schepping van de kosmos en de geboorte van Eros, Liefde, die
op zijn beurt alle andere goden voortbracht (Theogony,116,
Hesiodes). In de theosofie vertegenwoordigt chaos de aan de kosmos voorafgaande
ongedifferentieerde stof, de ‘kosmische voorraadschuur van alle
latente of sluimerende zaden van wezens’ die wachten op het karmisch
moment waarop het toekomstige heelal met zijn menigten van levens uit
de Duisternis in het Licht2 treedt: van
chaos tot kosmos, van kosmos tot chaos en weer naar kosmos – een
eeuwige getijdenbeweging, vloed, eb en weer vloed, die zorgt voor het
verschijnen en verdwijnen van ontelbare heelallen als ‘zich manifesterende
sterren’ en ‘vonken van Eeuwigheid’.3
Welk deel van ons is chaos, welk deel kosmos? En is het ontstaan van
orde uit chaos en omgekeerd, cyclisch voor iedere levensvorm en is de
vloed- en eb-beweging van kinetische energie binnen een atoom van een
watersalamander voor dat dier even belangrijk als die energie is voor
een galactisch atoom in een cluster van melkwegstelsels? De revolutionaire
wetenschap over Chaos – waarin het heelal door een totaal andere
bril wordt gezien – is de herontdekking dat ‘universele
elementen van beweging’ in ieder systeem zijn ingebouwd, ongeacht
de schaalgrootte, in ieder deel van de kosmos en dat ‘universaliteit’
in feite een onveranderlijke grootheid is.
Voor de niet-specialist is de uitspraak van Hofstadter een uitstekende
herinnering aan het feit dat onder de ogenschijnlijk eindeloze chaos
van persoonlijke en mondiale spanningen orde, schoonheid en harmonie
heersen, die overal en in alles aanwezig zijn ; bij voldoende ruimte
en aanmoediging komen ze aan de oppervlakte. Op dezelfde manier schuilt
er onder de orde of het karma van ons leven altijd het onverwachte,
het verbijsterende, het irrationele – ‘geluk’ of ‘toeval’
noemen de wetenschappers het. Dat is de zegen van de onverwachte, evolutionaire
impulsen, die ons uit onze sleur halen, uit onze gewone denkpatronen.
Als er geen groei-impulsen waren zouden entropie, ontbinding en dood
voortijdig plaatsvinden. Het staat vast dat er een karmisch plan bestaat
van zo'n prachtige structuur, dat onze goddelijke essentie in de diepste
diepten van onszelf is verbonden met de goddelijke essentie van de kosmos
– noem het het Onuitsprekelijke, God, of Brahman – de bron
van schoonheid en orde, leven en bewustzijn. Wij zijn inderdaad deels
chaos, deels kosmos.
Onze tegenwoordige opdracht als mens is om kalm en doelbewust wanhoop
in hoop om te zetten, leed in aanvaarding, tweedracht in harmonie, corruptie
in eergevoel en rechtschapenheid, haat in liefde en, waar velen in deze
tijd zo nauw bij betrokken zijn, ziekte in genezing van de geest, zoniet
van het lichaam, en de dood te leren kennen als een vriend – de
gave van de natuur tot vernieuwing zowel voor hen die heengaan als voor
de achterblijvenden.
Het is duidelijk dat er een algemene behoefte bestaat aan nieuw licht
op ieder aspect van het menselijk bestaan en omdat niemand de uiteindelijke
oplossing bezit, hopen we dat de van sympathie en begrip getuigende
behandeling door onze medewerkers van deze intiemere gebieden van onze
gemeenschappelijke evolutionaire ervaringen voor onze lezers een stimulans
zal zijn.
Noten
- Zie Sunrise, mrt-apr 1989, blz. 47-53, I.M.
Oderberg's boekbespreking ‘‘Chaos’ – een nieuwe
wetenschap?’
- De afleiding van het woord chaos doet denken aan de
uitzetting en samentrekking uit de Hebreeuwse Kabbala en aan de uitademing
en inademing van Brahma van de Hindoes, omdat het woord terugvoert
naar een oude Griekse wortel cha- waarvan zowel chaino,
gapen, wijd openen (zie ginnungagap of gapende leegte uit
de Edda) als chandano, vasthouden of bevatten, zijn afgeleid.
Zie G.de Purucker, Beginselen van de Esoterische Filosofie,
blz. 359-60 TUPA, Den Haag, en ook Bron van het Occultisme,
TUPA, Den Haag, blz. 78-81.
- Zie H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, uitg.
1988, 1:46, TUPA, den Haag.