Reïncarnatie, de sleutel tot de geschiedenis
John P. van Mater

 

Reïncarnatie wil zeggen dat we vele levens op aarde leven en dat we in elk leven zijn wat we van onszelf in vorige levens hebben gemaakt – onder de wet van oorzaak en gevolg of karma. Onze smetten waaraan we hebben toegegeven en die we tot een deel van ons persoonlijk zelf hebben gemaakt, onze krachten en talenten die we hebben verworven en ontplooid. Op dezelfde manier is ook wat ons in het leven overkomt – als we in wetmatigheid geloven en niet in toeval – van ons eigen maaksel. Met andere woorden, we zijn onszelf en van dag tot dag en van leven tot leven maken we onszelf tot wat we eens zullen worden, in dit en in toekomstige levens.

Er zijn vrij sterke argumenten tegen de opvatting dat we onszelf erven van onze ouders. Zielen worden aangetrokken tot ouders met wie ze karma moeten uitwerken, vroegere banden, diepe, intieme, mooie relaties. Binnenkomende zielen kiezen uit het potentieel aan genen van hun toekomstige ouders dat wat tot uitdrukking moet worden gebracht en wat hun eigen zelf al is, gewijzigd door karma. Er komt geen toeval aan te pas. Zo zijn de tien kinderen van een groot gezin tien verschillende mensen, wat talent en karakter betreft: tien verschillende zielen die geboren worden, ieder met zijn of haar eigen kenmerken. Er kan zelfs een groot verschil in uiterlijk bestaan.

Dit alles gaat uit van de vooronderstelling dat er een blijvend deel is dat in ieder mens leeft, iets dat overleeft en zich geleidelijk ontplooit in herhaalde wederbelichamingen, iets innerlijks – een hoger zelf of reïncarnerende ego – waarin de wijsheid aan ervaring is opgeslagen. Evolutie is dus het proces waardoor de vermogens van deze goddelijke essentie zich kunnen ontplooien. Wij mensen hebben datgene ontvouwd wat ons tot mens maakt; we zijn in het menselijk stadium van onze evolutie. De dieren hebben datgene ontvouwd wat ze tot dieren maakt, enzovoort.

Mensenrassen zijn als stromende rivieren. De enkelingen van het ras komen en gaan voortdurend – worden geboren en sterven. Het ras als geheel komt en gaat zonder onderbreking. Het behoudt zijn stempel, zijn uitgesproken kenmerken. Al verandert het wellicht langzaam, verwerft het macht en verzinkt het in vergetelheid, het behoudt een bepaalde individualiteit. Er bestaat niet zoiets als een zuiver ras. Alle rassen in de wereld zijn vermengingen. In de laatste twee eeuwen is deze vermenging zelfs nog toegenomen; in de afgelopen decennia zijn vele culturen nog verder verrijkt. Op de lange duur zullen deze vermengingen onze werkelijke kracht uitmaken – want we zijn een echte broederschap van mensen.

Wat wij nu de mensen uit de oudheid noemen, moeten wezelf zijn geweest in vorige levens. Als we terugzien komen deze oude volkeren ons misschien vreemd voor, met hun andere gewoonten en levenswijzen, maar toch moeten ze veel op ons hebben geleken. Ze hadden hun gevoelens van liefde en haat, hun beproevingen, verantwoordelijkheden en problemen; en ze maakten er het beste van dat ze konden met wat ze hadden.

Als het waar is wat de wetenschap beweert dat evolutie genetisch is bepaald, van ouder op zoon op kleinzoon, dan zou men denken dat de beschaving voortdurend vooruitgaat. Maar in plaats daarvan zien we dat alle culturen worden geboren, opgaan naar een hoogtepunt, dan geleidelijk in verval raken, sterven, of onder de voet worden gelopen door een ander volk dat mogelijk veel minder beschaafd is. Waarom deze op- en neergangen van beschavingen? Als een beschaving wordt geboren of een natie opkomt, trekt ze die zielen tot zich die het karma en die speciale kwaliteiten ervan tot uitdrukking kunnen brengen. Als de tijd voor pionierswerk is aangebroken, verschijnen zulke typen van mensen: onverschrokken zielen, zoals die in de Verenigde Staten die zich een weg baanden door de wildernis. Geleid door karma verschijnen op de juiste tijd de bestuurders – de wetgevers, handwerkslieden, kunstenaars, de militairen – en de scheppingsdrift begint tot bloei te komen. Mettertijd bereikt het volk zijn toppunt aan macht en invloed. De burgers behoeven niet langer te strijden voor hun idealen en vrijheden. Misschien lijden ze aan een overdaad van wereldse zaken Dan komt een nieuw type zielen tot geboorte, zachter, sterieler. Langzamerhand ontkiemt het zaad van verval en eens komt de tijd dat de natie wegebt en in vergetelheid verzinkt.

Elk stadium in de ontplooiing van een beschaving biedt gelegenheden voor de ontwikkeling of het tot uitdrukking brengen van de zielen die incarneren. Zielen met een grote creativiteit zullen vanzelfsprekend worden aangetrokken tot tijdperken waarin ze die creativiteit kunnen uiten, tenzij karma dit om een of andere reden verhindert. In elke tijd brengen mensen naar buiten wat ze zijn en dus neemt iedere eeuw de kleur en kenmerken aan van de mensen die daarin leven en tot uitdrukking brengen wat ze zijn. Als primitieve zielen de overhand hebben is het een primitief tijdperk, enzovoort. Een tijdperk is het volk dat erin leeft en het lot of karma dat het uitwerkt. Het zijn de grote zielen uit de Eeuw van Pericles in Griekenland die de Eeuw van Pericles vormden.

De mensheid bestaat uit een grote verscheidenheid van zielen. Er zijn mensen die misschien onder de norm zijn, zelfs ontaard – sommigen van hen waren in het verleden misschien verwikkeld in een gewelddadig karma. Dan hebben we de grote menigte van doorsneemensen, waartoe de meesten van ons behoren. Vervolgens zijn er de voorlopers, genieën op allerlei gebied, wetenschap, literatuur, de kunsten. Daarboven mensen met een universele ontwikkeling: de Goethes, Schweitzers, von Humboldts en vele anderen van wie men kan zeggen dat ze een wereldomvattende visie hadden op het menselijke en aardse leven. Er zijn geestelijke filosofen zoals Plato, Pythagoras en Plotinus, om er enkelen te noemen uit onze westerse traditie; en anderen in alle delen van de wereld die met hun ideeën hun eigen eeuw en de daaropvolgende eeuwen diepgaand hebben beïnvloed. Daarboven staan de wereldleraren, die schitterende voorbeelden van menselijke evolutie: boeddha's en christussen, die vertegenwoordigen wat ieder van ons eens kan verwezenlijken in de verre, verre toekomst, in de loop van vele incarnaties van evolutie – in de geest van de woorden van Jezus dat, ‘Deze dingen die ik doe, zult ook u doen en zelfs grotere dan deze.’ We kunnen ons moeilijk voorstellen wat het lot van de mensheid zou zijn geweest als deze meedogende figuren niet zichzelf hadden gegeven ter wille van ons allen. Er zijn vele soorten zielen die deel uitmaken van de mensheid.

Beschavingen kunnen eenvoudig niet blijven doorgaan met stijgen en daar zijn goede redenen voor. Betrekkelijk grote aantallen mensen kunnen vrijwillig betrokken zijn geweest bij gewelddadige en wrede handelingen; mogelijk hebben ze zaden van geweld gezaaid. Deze mensen-zielen (die misschien hun wrede leiders hebben gevolgd) zullen reïncarneren en als ze dat doen brengen ze hun karma mee. Als beschavingen steeds zouden stijgen, waar zou dan plaats zijn voor deze typen zielen met hun verschillende soorten karma? Dat is de reden dat de wereld op zijn tijd verdeeld raakt: hier een hoge beschaving, daar meer gewelddadige typen die zich uitleven.

De westerse klassieke wereld bijvoorbeeld had eerst haar bloei in Griekenland, daarna in Alexandrië en tenslotte in het Romeinse Rijk. Naarmate Rome in verval geraakte doofde het licht van de beschaving geleidelijk, bereikte het haar dieptepunt met het begin van de zogenaamde Duistere Middeleeuwen, een periode die, vergeleken met wat eraan voorafging, inderdaad duister was, wat menselijke prestaties, onderwijs, kunstvaardigheid en creativiteit betrof. Van beschaving tot troosteloze onwetendheid, waarin zit daar de evolutie?

Reïncarnatie werpt een helder licht op dit onderwerp, want in elk stadium van de ontwikkeling van een volk verschijnen zielen met een zodanige bestemming dat ze het lot van het volk op dat punt vervullen. Dat geldt ook voor de neergang ervan. Toen Rome in verval geraakte waren sommige Caesars werkelijk ontaard. Natuurlijk was Rome zo hecht opgebouwd dat de aftakeling lang duurde, eeuwen.

Vanuit het theosofische standpunt zet de evolutie zich voort via herhaalde wederbelichamingen, niet alleen voor mensen maar ook voor dieren, planten, zelfs atomen en werelden. Het is geen wetenschappelijke ketterij om van de zon te zeggen dat hij eens zal sterven. De enige ketterij zou kunnen zijn als we beweren, wat we doen, dat de zon eens herboren zal worden met zijn zichtbare en onzichtbare werelden, net zoals een mens zijn zichtbare en onzichtbare delen heeft. Want dit is een levend heelal en wij mensen zijn daar levende delen van.

Hoewel het aantal menselijke zielen dat tot de mensheid behoort beperkt is, is, zoals ik het zie, op een bepaald moment slechts een betrekkelijk klein aantal geïncarneerd. De grote meerderheid bevindt zich in de toestanden na de dood, die vele, vele malen langer kunnen zijn dan de jaren van geïncarneerd bestaan. Van eeuw tot eeuw is er een aanzienlijk verschil in populatie op aarde, maar wel binnen zekere grenzen. In onze tijd schijnen er stromen zielen binnen te komen en dat kan nog wel enige tijd doorgaan. In andere tijden liggen grote delen van de aarde braak en is het aantal mensen gereduceerd.

We moeten heel voorzichtig zijn en niet oordelen over mensen die een levenswijze hebben waaraan veel gemakken en andere geneugten dan die welke we tegenwoordig als noodzakelijk beschouwen, ontbreken. Misschien leven ze inderdaad in wat voor ons primitieve omstandigheden zijn; maar we moeten niet ten prooi vallen aan de foutieve veronderstelling dat ze, hoe dan ook, genetisch minder zouden zijn dan wij. Dat is eenvoudig niet zo. Men hoeft maar enkele boeken te lezen van Laurens van der Post over de Bosjesmannen van de Kalahari woestijn in zuidelijk Afrika om te beseffen dat deze mensen, ondanks hun primitieve levenswijze, in alle eigenschappen die het menselijk leven geestelijk gezond en mooi maken – zoals eerlijkheid, gulheid, vriendelijkheid en zin voor humor – een wonderlijke beschaving hebben. Het is niet nodig een groot huis te bezitten en elke dag in een dure auto als een bezetene naar het werk te rijden om beschaafd te zijn!

De mensheid is inderdaad heel, heel oud, vele miljoenen jaren. Menselijke beschavingen gaan terug tot in legendarische tijden. Als we de mythen en heldendichten van de mensheid zouden bestuderen en vergelijken en er enig geloof aan hechten, zouden we kunnen inzien dat deze oude verhalen beschavingen beschrijven op nu verzonken continenten. Ze bevatten velerlei suggestief materiaal dat serieus genomen dient te worden; niet altijd letterlijk, maar de geest ervan, de essentie. Deze legenden zijn de enige herinnering die we hebben aan deze oude tijden die aan het oog zijn onttrokken door tussenliggende catastrofen van natuurlijke en menselijke aard. In alle rassen zijn ze door mondelinge overlevering bewaard gebleven. Eventuele geschreven documenten zouden zijn vernietigd in de vaak woelige tussenperioden. Naar de mening van H.P. Blavatsky zijn de oude mythen ontworpen door geestelijke leraren, adepten, die daarin de leringen van de oude wijsheid verweefden. Daarom kunnen ze op vele niveaus worden geïnterpreteerd.

Als ons heelal een levend wezen is, en onze aarde en zon ook, dan kunnen we onszelf zien als kinderen van de levende kosmos, bloed van zijn bloed, leven van zijn leven. Als de mens een goddelijke vonk in zich bergt, dan kunnen we veilig aannemen dat we aanwezig waren toen de aarde werd geboren en de morgensterren samen zongen, zoals in het Boek van Job wordt gezegd. We zouden beseffen dat hiërarchieën van wezens boven ons – goden – het innerlijk weefsel van de kosmos vormen. Zonder hun leidende en ondersteunende invloed zou de natuur een zinloze chaos worden. Zij gaven de aanzet en ontwierpen de blauwdruk voor de werking van de natuur en vertegenwoordigen de krachten achter het ingebouwde systeem van genezing, haar onvermijdelijke terugkeer tot harmonie, karma genaamd. Gelukkig is de evolutie in ruimere zin in wijzere handen dan de onze. Maar dit ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheden.

Ieder mens is een onsterfelijk wezen, dat in de loop van vele duizenden jaren steeds waardiger woningen voor zichzelf heeft gebouwd – om het beeld te gebruiken van de Amerikaanse dichter, Oliver Wendell Holmes. John Masefield, de bekroonde Engelse dichter, zegt het als volgt: ‘Deze ogen van mij hebben geglansd, geknipperd in de zon / van Thebe, Troje en Babylon.’ In wezen bestaat de geschiedenis uit de zielen van de mensheid die telkens opnieuw verschijnen, oogsten en zaaien van leven tot leven, van eeuw tot eeuw. De toekomst van de mens is meer werkelijk mens te worden. Zelfs nog meer, want ieder mens heeft tot taak de wijze invloed van zijn ingeboren goddelijke aard in zijn leven tot uitdrukking te brengen. Het voorbeeld van de christussen en de boeddha's illustreert wat ook wij eens kunnen worden.

 
Andere artikelen over reïncarnatie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency