Reïncarnatie wil zeggen dat we vele levens op aarde leven en dat
we in elk leven zijn wat we van onszelf in vorige levens hebben gemaakt
– onder de wet van oorzaak en gevolg of karma. Onze smetten waaraan
we hebben toegegeven en die we tot een deel van ons persoonlijk zelf
hebben gemaakt, onze krachten en talenten die we hebben verworven en
ontplooid. Op dezelfde manier is ook wat ons in het leven overkomt –
als we in wetmatigheid geloven en niet in toeval – van
ons eigen maaksel. Met andere woorden, we zijn onszelf en van dag tot
dag en van leven tot leven maken we onszelf tot wat we eens zullen worden,
in dit en in toekomstige levens.
Er zijn vrij sterke argumenten tegen de opvatting dat we onszelf erven
van onze ouders. Zielen worden aangetrokken tot ouders met wie ze karma
moeten uitwerken, vroegere banden, diepe, intieme, mooie relaties. Binnenkomende
zielen kiezen uit het potentieel aan genen van hun toekomstige ouders
dat wat tot uitdrukking moet worden gebracht en wat hun eigen zelf al
is, gewijzigd door karma. Er komt geen toeval aan te pas. Zo
zijn de tien kinderen van een groot gezin tien verschillende mensen,
wat talent en karakter betreft: tien verschillende zielen die geboren
worden, ieder met zijn of haar eigen kenmerken. Er kan zelfs een groot
verschil in uiterlijk bestaan.
Dit alles gaat uit van de vooronderstelling dat er een blijvend deel
is dat in ieder mens leeft, iets dat overleeft en zich geleidelijk ontplooit
in herhaalde wederbelichamingen, iets innerlijks – een hoger zelf
of reïncarnerende ego – waarin de wijsheid aan ervaring is
opgeslagen. Evolutie is dus het proces waardoor de vermogens van deze
goddelijke essentie zich kunnen ontplooien. Wij mensen hebben datgene
ontvouwd wat ons tot mens maakt; we zijn in het menselijk stadium van
onze evolutie. De dieren hebben datgene ontvouwd wat ze tot dieren maakt,
enzovoort.
Mensenrassen zijn als stromende rivieren. De enkelingen van het ras
komen en gaan voortdurend – worden geboren en sterven. Het ras
als geheel komt en gaat zonder onderbreking. Het behoudt zijn stempel,
zijn uitgesproken kenmerken. Al verandert het wellicht langzaam, verwerft
het macht en verzinkt het in vergetelheid, het behoudt een bepaalde
individualiteit. Er bestaat niet zoiets als een zuiver ras. Alle rassen
in de wereld zijn vermengingen. In de laatste twee eeuwen is deze vermenging
zelfs nog toegenomen; in de afgelopen decennia zijn vele culturen nog
verder verrijkt. Op de lange duur zullen deze vermengingen onze werkelijke
kracht uitmaken – want we zijn een echte broederschap van mensen.
Wat wij nu de mensen uit de oudheid noemen, moeten wezelf zijn geweest
in vorige levens. Als we terugzien komen deze oude volkeren ons misschien
vreemd voor, met hun andere gewoonten en levenswijzen, maar toch moeten
ze veel op ons hebben geleken. Ze hadden hun gevoelens van liefde en
haat, hun beproevingen, verantwoordelijkheden en problemen; en ze maakten
er het beste van dat ze konden met wat ze hadden.
Als het waar is wat de wetenschap beweert dat evolutie genetisch is
bepaald, van ouder op zoon op kleinzoon, dan zou men denken dat de beschaving
voortdurend vooruitgaat. Maar in plaats daarvan zien we dat alle culturen
worden geboren, opgaan naar een hoogtepunt, dan geleidelijk in verval
raken, sterven, of onder de voet worden gelopen door een ander volk
dat mogelijk veel minder beschaafd is. Waarom deze op- en neergangen
van beschavingen? Als een beschaving wordt geboren of een natie opkomt,
trekt ze die zielen tot zich die het karma en die speciale kwaliteiten
ervan tot uitdrukking kunnen brengen. Als de tijd voor pionierswerk
is aangebroken, verschijnen zulke typen van mensen: onverschrokken zielen,
zoals die in de Verenigde Staten die zich een weg baanden door de wildernis.
Geleid door karma verschijnen op de juiste tijd de bestuurders –
de wetgevers, handwerkslieden, kunstenaars, de militairen – en
de scheppingsdrift begint tot bloei te komen. Mettertijd bereikt het
volk zijn toppunt aan macht en invloed. De burgers behoeven niet langer
te strijden voor hun idealen en vrijheden. Misschien lijden ze aan een
overdaad van wereldse zaken Dan komt een nieuw type zielen tot geboorte,
zachter, sterieler. Langzamerhand ontkiemt het zaad van verval en eens
komt de tijd dat de natie wegebt en in vergetelheid verzinkt.
Elk stadium in de ontplooiing van een beschaving biedt gelegenheden
voor de ontwikkeling of het tot uitdrukking brengen van de zielen die
incarneren. Zielen met een grote creativiteit zullen vanzelfsprekend
worden aangetrokken tot tijdperken waarin ze die creativiteit kunnen
uiten, tenzij karma dit om een of andere reden verhindert. In elke tijd
brengen mensen naar buiten wat ze zijn en dus neemt iedere eeuw de kleur
en kenmerken aan van de mensen die daarin leven en tot uitdrukking brengen
wat ze zijn. Als primitieve zielen de overhand hebben is het een primitief
tijdperk, enzovoort. Een tijdperk is het volk dat erin leeft
en het lot of karma dat het uitwerkt. Het zijn de grote zielen uit de
Eeuw van Pericles in Griekenland die de Eeuw van Pericles vormden.
De mensheid bestaat uit een grote verscheidenheid van zielen. Er zijn
mensen die misschien onder de norm zijn, zelfs ontaard – sommigen
van hen waren in het verleden misschien verwikkeld in een gewelddadig
karma. Dan hebben we de grote menigte van doorsneemensen, waartoe de
meesten van ons behoren. Vervolgens zijn er de voorlopers, genieën
op allerlei gebied, wetenschap, literatuur, de kunsten. Daarboven mensen
met een universele ontwikkeling: de Goethes, Schweitzers, von Humboldts
en vele anderen van wie men kan zeggen dat ze een wereldomvattende visie
hadden op het menselijke en aardse leven. Er zijn geestelijke filosofen
zoals Plato, Pythagoras en Plotinus, om er enkelen te noemen uit onze
westerse traditie; en anderen in alle delen van de wereld die met hun
ideeën hun eigen eeuw en de daaropvolgende eeuwen diepgaand hebben
beïnvloed. Daarboven staan de wereldleraren, die schitterende voorbeelden
van menselijke evolutie: boeddha's en christussen, die vertegenwoordigen
wat ieder van ons eens kan verwezenlijken in de verre, verre toekomst,
in de loop van vele incarnaties van evolutie – in de geest van
de woorden van Jezus dat, ‘Deze dingen die ik doe, zult ook u
doen en zelfs grotere dan deze.’ We kunnen ons moeilijk voorstellen
wat het lot van de mensheid zou zijn geweest als deze meedogende figuren
niet zichzelf hadden gegeven ter wille van ons allen. Er zijn vele soorten
zielen die deel uitmaken van de mensheid.
Beschavingen kunnen eenvoudig niet blijven doorgaan met stijgen en
daar zijn goede redenen voor. Betrekkelijk grote aantallen mensen kunnen
vrijwillig betrokken zijn geweest bij gewelddadige en wrede handelingen;
mogelijk hebben ze zaden van geweld gezaaid. Deze mensen-zielen (die
misschien hun wrede leiders hebben gevolgd) zullen reïncarneren
en als ze dat doen brengen ze hun karma mee. Als beschavingen steeds
zouden stijgen, waar zou dan plaats zijn voor deze typen zielen met
hun verschillende soorten karma? Dat is de reden dat de wereld op zijn
tijd verdeeld raakt: hier een hoge beschaving, daar meer gewelddadige
typen die zich uitleven.
De westerse klassieke wereld bijvoorbeeld had eerst haar bloei in Griekenland,
daarna in Alexandrië en tenslotte in het Romeinse Rijk. Naarmate
Rome in verval geraakte doofde het licht van de beschaving geleidelijk,
bereikte het haar dieptepunt met het begin van de zogenaamde Duistere
Middeleeuwen, een periode die, vergeleken met wat eraan voorafging,
inderdaad duister was, wat menselijke prestaties, onderwijs, kunstvaardigheid
en creativiteit betrof. Van beschaving tot troosteloze onwetendheid,
waarin zit daar de evolutie?
Reïncarnatie werpt een helder licht op dit onderwerp, want in
elk stadium van de ontwikkeling van een volk verschijnen zielen met
een zodanige bestemming dat ze het lot van het volk op dat punt vervullen.
Dat geldt ook voor de neergang ervan. Toen Rome in verval geraakte waren
sommige Caesars werkelijk ontaard. Natuurlijk was Rome zo hecht opgebouwd
dat de aftakeling lang duurde, eeuwen.
Vanuit het theosofische standpunt zet de evolutie zich voort via herhaalde
wederbelichamingen, niet alleen voor mensen maar ook voor dieren, planten,
zelfs atomen en werelden. Het is geen wetenschappelijke ketterij om
van de zon te zeggen dat hij eens zal sterven. De enige ketterij zou
kunnen zijn als we beweren, wat we doen, dat de zon eens herboren zal
worden met zijn zichtbare en onzichtbare werelden, net zoals een mens
zijn zichtbare en onzichtbare delen heeft. Want dit is een levend heelal
en wij mensen zijn daar levende delen van.
Hoewel het aantal menselijke zielen dat tot de mensheid behoort beperkt
is, is, zoals ik het zie, op een bepaald moment slechts een betrekkelijk
klein aantal geïncarneerd. De grote meerderheid bevindt zich in
de toestanden na de dood, die vele, vele malen langer kunnen zijn dan
de jaren van geïncarneerd bestaan. Van eeuw tot eeuw is er een
aanzienlijk verschil in populatie op aarde, maar wel binnen zekere grenzen.
In onze tijd schijnen er stromen zielen binnen te komen en dat kan nog
wel enige tijd doorgaan. In andere tijden liggen grote delen van de
aarde braak en is het aantal mensen gereduceerd.
We moeten heel voorzichtig zijn en niet oordelen over mensen die een
levenswijze hebben waaraan veel gemakken en andere geneugten dan die
welke we tegenwoordig als noodzakelijk beschouwen, ontbreken. Misschien
leven ze inderdaad in wat voor ons primitieve omstandigheden zijn;
maar we moeten niet ten prooi vallen aan de foutieve veronderstelling
dat ze, hoe dan ook, genetisch minder zouden zijn dan wij. Dat is eenvoudig
niet zo. Men hoeft maar enkele boeken te lezen van Laurens van der Post
over de Bosjesmannen van de Kalahari woestijn in zuidelijk Afrika om
te beseffen dat deze mensen, ondanks hun primitieve levenswijze, in
alle eigenschappen die het menselijk leven geestelijk gezond en mooi
maken – zoals eerlijkheid, gulheid, vriendelijkheid en zin voor
humor – een wonderlijke beschaving hebben. Het is niet nodig een
groot huis te bezitten en elke dag in een dure auto als een bezetene
naar het werk te rijden om beschaafd te zijn!
De mensheid is inderdaad heel, heel oud, vele miljoenen jaren. Menselijke
beschavingen gaan terug tot in legendarische tijden. Als we de mythen
en heldendichten van de mensheid zouden bestuderen en vergelijken en
er enig geloof aan hechten, zouden we kunnen inzien dat deze oude verhalen
beschavingen beschrijven op nu verzonken continenten. Ze bevatten velerlei
suggestief materiaal dat serieus genomen dient te worden; niet altijd
letterlijk, maar de geest ervan, de essentie. Deze legenden zijn de
enige herinnering die we hebben aan deze oude tijden die aan het oog
zijn onttrokken door tussenliggende catastrofen van natuurlijke en menselijke
aard. In alle rassen zijn ze door mondelinge overlevering bewaard gebleven.
Eventuele geschreven documenten zouden zijn vernietigd in de vaak woelige
tussenperioden. Naar de mening van H.P. Blavatsky zijn de oude mythen
ontworpen door geestelijke leraren, adepten, die daarin de leringen
van de oude wijsheid verweefden. Daarom kunnen ze op vele niveaus worden
geïnterpreteerd.
Als ons heelal een levend wezen is, en onze aarde en zon ook, dan kunnen
we onszelf zien als kinderen van de levende kosmos, bloed van zijn bloed,
leven van zijn leven. Als de mens een goddelijke vonk in zich bergt,
dan kunnen we veilig aannemen dat we aanwezig waren toen de aarde werd
geboren en de morgensterren samen zongen, zoals in het Boek van Job
wordt gezegd. We zouden beseffen dat hiërarchieën van wezens
boven ons – goden – het innerlijk weefsel van de kosmos
vormen. Zonder hun leidende en ondersteunende invloed zou de natuur
een zinloze chaos worden. Zij gaven de aanzet en ontwierpen de blauwdruk
voor de werking van de natuur en vertegenwoordigen de krachten achter
het ingebouwde systeem van genezing, haar onvermijdelijke terugkeer
tot harmonie, karma genaamd. Gelukkig is de evolutie in ruimere zin
in wijzere handen dan de onze. Maar dit ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheden.
Ieder mens is een onsterfelijk wezen, dat in de loop van vele duizenden
jaren steeds waardiger woningen voor zichzelf heeft gebouwd –
om het beeld te gebruiken van de Amerikaanse dichter, Oliver Wendell
Holmes. John Masefield, de bekroonde Engelse dichter, zegt het als volgt:
‘Deze ogen van mij hebben geglansd, geknipperd in de zon / van
Thebe, Troje en Babylon.’ In wezen bestaat de geschiedenis uit
de zielen van de mensheid die telkens opnieuw verschijnen, oogsten en
zaaien van leven tot leven, van eeuw tot eeuw. De toekomst van de mens
is meer werkelijk mens te worden. Zelfs nog meer, want ieder mens heeft
tot taak de wijze invloed van zijn ingeboren goddelijke aard in zijn
leven tot uitdrukking te brengen. Het voorbeeld van de christussen en
de boeddha's illustreert wat ook wij eens kunnen worden.