Geestelijke rust
David O’Dowd

 

Alle behalve de helderste sterren zijn onzichtbaar vanuit de omgeving van een grote menselijke nederzetting zoals Los Angeles. Buiten wordt de nevelige laag koelere lucht boven de grond zo door de straatlantaarns verlicht, dat alleen het licht van de Maan en Venus, Sirius en Capella en nog een handvol andere heldere natuurlijke lichten erdoorheen kan dringen, temidden van de vele vliegtuigen en helikopters. Het meeste van wat men ziet is geheel door mensenhanden gemaakt. Miljoenen mensen voelen zich op hun gemak in deze kunstmatige omstandigheden, beschermd tegen het ontzagwekkende en oude wonder van een grote zwarte, met sterren bezaaide hemel, met zijn verre zonnen en vage melkwegstelsels. Ook al is onze eigen planeet gezegend met een vrij heldere atmosfeer waardoor het mogelijk is de kosmos te zien, toch is onze blik te vaak gericht op de door onszelf vervaardigde dingen, waarmee we onmiddellijk te maken hebben en die we begrijpen.

Alleen door de wereldstad te ontvluchten kunnen we onmiddellijk zien wat onze plaats is in een veel groter en veel ouder geheel: de rand van ons draaiende melkwegstelsel wordt zichtbaar vanuit de woestijn, de bergen of de open vlakten. De talrijke zonnen, de wolken van sterrenvormende stof en gas, de planeten – onze eigen sterrenfamilie – staan daar allemaal boven ons. De aandacht voor het aardse wordt weggetrokken, het hart wordt verkwikt met ontzag en verwondering nu we tegenover de oneindige uitgestrektheid van ons natuurlijke tehuis komen te staan.

Voor een groot deel zijn alle, behalve de meest gewone, dagelijkse gedachten, de meest algemene of de meest prikkelende emoties en verlangens, verdrongen door de voortdurende mentale en emotionele activiteiten die het leven in een wereldstad van de 20ste eeuw vereist. Het gebied en de subtiele diepte van de menselijke ziel bevinden zich voor een groot deel in het duister. We voelen ons op ons gemak met de vertrouwde mentale en emotionele gewoonten die ons beschermen tegen de ontzagwekkende, schijnbaar oneindige diepten van het bewustzijn. Vertrouwd met wat we kunnen begrijpen en de dingen waarmee we dagelijks omgaan, vermijden we het naar de ‘woestijn’ of de ‘bergen’ van de geest te gaan, waar we de gezegende kans lopen in aanraking te komen met oude, diepe werkelijkheden binnen het zelf.

Net als het beleven en overpeinzen van de onmetelijkheid van ruimte en tijd, schijnen perioden van diepe persoonlijke stilte aan een zekere geestelijke behoefte te voldoen. Zitten mediteren is zelfs minder moeilijk dan de stad uitrijden om een glimp van de nachtelijke hemel op te vangen, al moeten er voorbereidingen worden getroffen en een bepaalde weg worden gevolgd. Zulk mediteren betekent dat we een halt toeroepen aan de verduisterende gevolgen van ons voortdurend bezig zijn, ons handelen, denken en reageren. Het is een tijd waarin het vast op de dagelijkse bezigheden gerichte bewustzijn wordt losgelaten en we een toestand van vrede ervaren, waarin de hele natuurlijke ‘melkweg’ van het hoger zelf zich weerspiegelt.

De Yoga Sutra's van Patañjali geven één ‘weg’ van meditatie aan die geschikt is voor mensen in wie de intellectuele activiteit de devotionele of lichamelijke overheerst. Patañjali noemt acht stappen die kunnen leiden naar de ‘bergen’ van de geest. Al geven de Sutra's inderdaad een grondig inzicht in het proces, het is kenmerkend dat de meditatie als een mondelinge traditie wordt doorgegeven. De volgende Sanskrietwoorden komen samen voor in vers 29 van Boek 2 en zijn hier weergegeven in een vrije vertaling, omdat het onmogelijk is de kernachtige beknoptheid van het origineel in een moderne taal weer te geven:

Yama, niyama: Het leiden van een eerlijk en gematigd leven in harmonie met de wet van de natuur;
Asana: Een standvastige, gemakkelijke en ontspannen houding;
Pranayama: Het op natuurlijke wijze tot rust komen van de ademhaling en de energiestroom;
Pratyahara: Het terugtrekken van de zintuigen van uiterlijke voorwerpen;
Dharana: Het geleidelijk beperken van mentale activiteit;
Dhyana: Het denken gestild;
Samadhi: Het denken te boven gaan.

De stappen, te beginnen met asana, worden gewoonlijk één of tweemaal per dag uitgevoerd, ongeveer een half uur. Door te herhalen leert men meer tijd door te brengen in dhyana, waar het hoger zelf de kans heeft te overdenken. Deze stappen lijken op de traditionele stappen van het Edele Achtvoudige Pad in het boeddhisme. Volgens John Blofeld1 werd het beoefenen van dhyana uit Noord-India overgebracht naar een verdeeld China in de 6e eeuw na Christus, waar het ‘chan’ werd genoemd. Sindsdien heeft het opgang gemaakt in Japan als ‘zen’ en is ze ook bekend geworden in Noord-Amerika. In feite zijn overeenkomstige – misschien wel identieke – stappen, waarbij het om dhyana gaat, door de eeuwen heen en in de hele wereld bekendgemaakt aan allen die ernaar streven de alles doordringende stilte te ervaren achter de sluiers van de zintuiglijke waarneming.

In deze tijd worden we allen met ernstige problemen geconfronteerd, variërend van persoonlijke tot mondiale en het kan zeker helpen als we ons nu en dan kunnen terugtrekken in de diepe stilte van het tot rust gebrachte denken, buiten het bereik van het drukke stadsleven met zijn lawaai en vervuiling. We keren verfrist terug en gereed onze dagelijkse belangrijke plichten weer op te nemen.

 

Noot

  1. The Zen Teachings of Huang Po, On the Transmission of Mind, in het Engels vertaald door John Blofeld, Grove Press, New York, 1959, blz. 7-13.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency


 

Nederigheid is in gelijke mate tegengesteld aan zelfvernedering, als aan zelfverheffing. Nederig zijn betekent geen vergelijkingen trekken. Het zelf, veilig in zijn werkelijkheid, is beter noch slechter, groter noch kleiner dan wat ook in het heelal. Het is – is niets, maar tegelijk één met alles. In deze zin is nederigheid absolute zelf-wegcijfering.

Niets zijn in zichzelf wegcijferende nederigheid, maar toch, terwille van de taak, het hele gewicht en de betekenis daarvan belichamen in uw gedrag, als de enige die geroepen is haar te volbrengen. Aan mensen, het werk, de poëzie, kunst, geven wat het zelf kan bijdragen, en nemen, eenvoudig en vrij, wat ertoe behoort vanwege zijn identiteit. Lof en blaam, de wind van succes en tegenspoed, waait over het leven van zo iemand zonder een spoor na te laten of het evenwicht te verstoren.

Tot dat doel, zo helpe mij God –
    – Dag Hammarskjöld, Markings