In de verhalen die over Krishna worden verteld in India’s grote
epos, het Mahabharata, en in de Vishnu en Bhagavata
Purana’s wordt een kennis bewaard die 5000 jaar lang niet
alleen het denken heeft veredeld, maar ook mannen en vrouwen in staat
heeft gesteld middelen te vinden om de vreselijke problemen en het lijden
te doorstaan van kali yuga – de ‘zwarte’ of ‘ijzeren’
eeuw waar we nu doorheen gaan. Door de dingen van alledag en vertrouwde
geestelijke idealen naast elkaar te plaatsen, tonen de verhalen aan
de opmerkzame waarnemer de fundamentele rechtvaardigheid en de zin van
het leven en de wederzijdse uiting van liefde tussen de mens en het
goddelijke. Deze liefde is niet zozeer genegenheid van de een voor de
ander dan wel het instinctieve verlangen van iedere ziel naar vereniging
met het goddelijke. Omdat Krishna een incarnatie van het goddelijke
is, betekent toewijding aan hem het wijden van iemands complete aandacht
en activiteit aan het Verhevene. Het Bhagavata Purana ziet
Krishna als het Zelf van alle zelven, de atma van
alle atma’s . . . Zij die Krishna kennen weten dat alle beweeglijke
en onbeweeglijke dingen niets anders zijn dan Zijn vormen en dat er
niets anders bestaat. Krishna is de werkelijkheid van het bestaan
zelf . . . – 10.14.55-7
Om enkele van de allegorische verhalen over Krishna nader te bezien,
beginnen we met zijn geboorte, volgens de brahmaanse tijdrekening ongeveer
5000 jaar geleden.1 Het was een tijd waarin
zelfzucht en het bedrijven van kwaad overal benauwenis veroorzaakten
en alle levensvormen dreigden te vernietigen. In wanhoop smeekte de
godin van de aarde Vishnu, de beschermer en instandhouder van het heelal,
rechtvaardigheid en welzijn in al haar rijken te herstellen.
Bezorgd beloofde Vishnu de zaken recht te zetten en bevruchtte onmiddellijk
de kuise en schone prinses Devaki met een zwarte haar. Toen haar wrede
halfbroer Kansa ontdekte dat ze zwanger was, was hij er zeker van dat
zij het kind droeg, zoals profeten hadden voorspeld, dat hem zou vernietigen
(wat jaren later ook gebeurde). Om dit te voorkomen plaatste Kansa wachters
aan de deuren van het huis van zijn zuster met het bevel de baby onmiddellijk
na de geboorte te doden.
Toen de baby laat in de nacht werd geboren, onder de muziek van hemelse
koren die zijn lof zongen, werd Devaki overweldigd door zijn schitterende
verschijning. Bekend met het dreigende gevaar raadde Vishnu haar aan
naar Gokula te vluchten, een dorp aan de voet van de berg Meru, waar
hij kon worden verwisseld met een pasgeboren dochtertje van Yasoda,
de vrouw van een herder. Toen veranderde Vishnu de goddelijke verschijning
van het kind in dat van een bekoorlijk donkerhuidig kind – vandaar
zijn naam Krishna, de ‘zwarte’.2
Tegen de tijd dat Kansa’s wachters binnendrongen om de baby om
te brengen, was zijn vader al met hem gevlucht. Hun tocht werd versperd
door de rivier de Jamna, waarvan het water te diep en te woelig was
om over te steken. Toen Krishna dit zag, stak hij één
voetje in het water en ogenblikkelijk week het terug en stelde het hen
in staat veilig aan de overkant te komen. Toen ze het huis van de herder
bereikten verwisselden ze de baby’s zonder de rest van het gezin
wakker te maken. Toen Kansa later de list ontdekte werd hij woedend
en gelastte hij dat niet alleen ieder mannelijk kind moest worden omgebracht,
maar ook allen die Vishnu dienden, waaronder brahmanen en koeien.
Terwijl Krishna bij Yasoda bleef, sloop de kwade demon Putana, op bevel
van Kansa, zijn kamer binnen en gaf hem de borst, die dodelijk gif bevatte.
Maar gretig zuigend onttrok Krishna haar al haar melk en tevens haar
leven. De buren, die haar lichaam wegbrachten om te verbranden, begrepen
door de geur die de vlammen verspreidden, dat het kindje haar door zijn
aanraking had gezegend.
Niet lang na deze gebeurtenis begon Krishna te kruipen en algauw kwam
hij overal. Hij werd er vaak van verdacht op tafels te klimmen om wrongel
en boter te stelen, waarbij hij soms potten brak. Op een dag vertelden
zijn speelkameraadjes aan zijn moeder dat hij klei aan het eten was,
wat hij ontkende, waarbij hij zijn mond opendeed om het te laten zien.
Toen zij erin keek, zag zij het hele uitgestrekte heelal, de ‘drie
werelden’, en in een hoekje zag zij zichzelf in de mond van haar
zoontje kijken!
Door Krishna af te beelden als kleuter en kind-held, geven deze verhalen
een indruk van de onschuld, het vertrouwen en de wonderen die nodig
zijn voor het herstel van geestelijke volmaaktheid en tevens van de
onuitputtelijke kracht die hen die jong van hart zijn opstuwt tot grote
hoogten. Als we deze eigenschappen bezitten breken we door onze ‘schalen’
van illusie en ‘veroveren’ we met succes een ruimer bewustzijn.
Juist hier is het goed te bedenken dat, omdat Krishna een deel van Vishnu
belichaamt, hij een goddelijke incarnatie is; als mens is hij gebonden
door sociale conventies, maar als god moet hij, voor het heil van de
mensheid, de traagheid doorbreken die de menselijke ziel gevangen houdt,
zelfs als hij zou worden beschuldigd van bedrog en misleiding.
Er zijn nog veel meer verhalen, allemaal mooi geïllustreerd in
schilder- en beeldhouwwerk. Een ervan vertelt hoe Krishna een grote
berg op een vingertop omhooghield om de koeherders en hun gezinnen tijdens
een zevendaagse zondvloed te beschermen. Een ander verhaalt hoe hij
de boze slang Kaliya temde, wiens gif de rivier en alles wat van het
water dronk vergiftigde; hiermee regelde hij de tijdcyclussen en bedwong
hij de krachten die de gebieden van de onderwereld beheersen waar ‘slangen’
wonen.
Hindoeleraren die hun leerlingen aanmoedigden het goddelijke lief te
hebben, gaven hen bekende voorbeelden om zich op te richten: de liefde
van een moeder voor haar kind; de verbondenheid tussen vrienden en verwanten;
en de zuivere en heroïsche genegenheid van trouwe vrienden. Verder
gaand illustreerden zij het ontwaken, de ontwikkeling en de vervulling
van geestelijke liefde met de achtereenvolgende avonturen van Krishna
met de gopi’s (herderinnen) en met Arjuna.
Een van de meest geliefde van deze verhalen speelt zich af op een betoverend
mooie maanavond in de herfst. Krishna, die zin had om met gopi’s
te ‘spelen’, nam de gedaante aan van een knappe jongeman
en wandelde door het dorp, terwijl hij op een fluit speelde. Zijn muziek
trok, net als die van de Griekse Orpheus en Kokopelli in de Amerikaans
Indiaanse overleveringen, diegenen aan die ‘oren hadden om te
horen’.
De gopi’s lieten hun bezigheden in de steek en volgden de klanken
van de muziek. Ze vonden Krishna, schoner dan ooit, in een dal in het
bos, maar in plaats van hen te verwelkomen berispte hij hen omdat ze
hun huis, echtgenoot en kinderen hadden verlaten die, zo hield hij hen
voor, hun hoogste plicht vormden en hij zei hen terug te keren naar
hun gezin. De jonge vrouwen protesteerden, ‘O Krishna, u hebt
ons meegelokt met uw muziek en ons hart gestolen. We hebben alles opgegeven
om u lief te hebben en te dienen. Wie zal ons nu beschermen, waar kunnen
we heen? Ons hart is vervuld van liefde voor u alleen.’ Bewogen
begon Krishna hun liefde te versterken door beproevingen van vreugde
en verdriet. Benieuwd of hun toewijding stand zou houden zonder zijn
zichtbare aanwezigheid, verdween hij.
Geschokt zochten de jonge vrouwen urenlang naar hem. Eindelijk, uitgeput
maar aan niets anders denkend dan aan Krishna, gingen ze zitten om wat
uit te rusten, steeds zijn liederen zingend en zijn daden opsommend.
Toen hij hun eerlijke toewijding zag, verscheen Krishna weer en terwijl
de gopi’s aandachtig luisterden vertelde hij hen waarheden over
het leven en het bestaan.
Toen trok Krishna, wetende dat de grootste vreugde voortkomt uit de
vereniging met het goddelijke, de gopi’s in een kring, zodat ze
zich met de muziek mee voor- en achterwaarts bewogen, zoals een halsketting
van goud en saffieren. Ieder voelde zich deel van de schepping en één
met de goden. Toen de nacht voorbij was, zei Krishna hen vaarwel en
verzekerde hen dat als ze aan hem dachten hij altijd nabij zou zijn.
De meisjes wisten dat dit waar was en dat ze zich nooit meer alleen
zouden voelen. Toen ze naar hun huis terugkeerden ontdekten ze dat niemand
hen zelfs had gemist.
Deze episoden doen ons nadenken over wat er in de Griekse mysteriën
kan hebben plaatsgevonden als de kandidaat alleen stond – verlaten
door zijn leraar en zich had ontdaan van alle illusies van het verleden.
Zuiver, onbevreesd en geconcentreerd in toewijding, aanschouwt hij voor
een ogenblik zijn eigen innerlijk zelf, zijn atman en als hij slaagt,
verruimt zijn bewustzijn zich zodat het de veelvormige wonderen van
de onzichtbare werelden omvat. Uiteindelijk wordt hij, een moment of
langer, één met de godheid, wiens essentie het leven in
de hele zonnekosmos doordringt en schraagt. Hij is één
met het universele zijn en weet uit ervaring dat het goddelijke, ofschoon
het ‘afgescheiden en superieur’ schijnt, in iedere vorm
van bestaan tot uitdrukking komt.
Het pad van toewijding, bhaktiyoga, dat deze verhalen schilderen,
wordt in de Bhagavad-Gita filosofisch besproken als een dialoog
tussen Krishna – nu geschetst als een goddelijk leraar –
en de jonge in verwarring gebrachte prins Arjuna, die een personificatie
is van ieder die de waarheid zoekt. In het besef dat ieder mens uniek
is en dat de wegen naar waarheid dus variëren en verschillen, beschrijft
Krishna in de Gita een aantal paden die naar vereniging of
‘verlossing’ leiden, hoofdzakelijk: jñanayoga,
het pad van kennis, rajayoga, het pad van koninklijke vereniging,
wanneer hoofd en hart in toewijding zijn verenigd; karmayoga,
het pad van werken, van de juiste gedachten en handelingen; en bhaktiyoga,
het pad van liefde voor en toewijding aan de ene verheven Heer –
atman.
Dit laatste was lange tijd een populair pad, want wie kent niet de
liefde en de warmte en vreugde die ze brengt als ze wordt gedeeld? Om
er verstandig mee om te gaan leren bhaktiyogi’s eerst onderscheid
te maken tussen persoonlijke, op bezit gerichte liefde die beperkt en
kan kwetsen, en geestelijke liefde die zuivert en niet alleen het hele
eigen wezen veredelt, maar ook dat van anderen. Bhaktiyogi’s leren
zich te bevrijden van gehechtheid aan de gevolgen van hun daden en aan
het verlangen naar ‘het proeven van de zoetheid van geluk’
of naar het ontsnappen aan het lijden van het aardse bestaan. Als deze
zijn overwonnen en het bewustzijn is gericht op toewijding aan de goddelijke
waarheid, aan schoonheid en liefde, heeft het menselijk deel van hun
natuur zich omhooggericht en reikt de geest omlaag en als ze elkaar
treffen wordt hun wezen door licht overstraald. Vanaf dat moment kunnen
ze eigenschappen tot uitdrukking brengen die, zoals Vishnu beloofde,
de toestand in de wereld zal verbeteren en de mensen zal helpen hun
hogere vermogens te ontwikkelen.
In hindoegeschriften wordt grote waarde gehecht aan deze wederkerigheid
van het omhoogreiken van de mens en het omlaagreiken van de goden. Ze
beschrijven hoe de goden er vreugde in vinden het geopenbaarde leven
te scheppen, te onderhouden en er deel aan te hebben en dat hun deelname
vreugde betekent voor allen die meedoen met het ‘spel’.
De Purana’s vertellen ons hoe we het goddelijke moeten liefhebben
en hoe we één kunnen worden met atman, het verheven zelf
in ieder mens en in de kosmos, maar toch blijven we ons, net als Arjuna,
afvragen wat God is. Alsof hij daarop een antwoord wilde geven onthulde
Krishna, in het elfde hoofdstuk van de Bhagavad-Gita, zijn
goddelijke natuur. Maar eerst, wetende dat zijn glorie sterfelijke ogen
zou verblinden, gaf hij Arjuna ‘andere ogen’ en liet hij
hem toen een ‘zonneuitbarsting zien van duizend zonnen die de
aarde verlichten met onvoorstelbare stralen’, goddelijk bewustzijn
dat zich in myriaden schitterende vormen, kleuren, geluiden en bewegingen
tot uitdrukking brengt. Van geestdrift vervuld, verschrikt en overweldigd
smeekte Arjuna Krishna zijn menselijke gedaante en vorm weer aan te
nemen. Dat doet hij en hij verklaart later:
Beiden, u en ik, zijn door vele geboorten gegaan,
O gesel van uw vijanden! De mijne zijn mij bekend, maar u kent de
uwe niet. Al ben ik zelf ongeboren en onveranderlijk van wezen, de
heer van al het bestaande, toch ben ik, bij het heersen over de natuur
– die de mijne is – slechts door mijn eigen maya geboren,
de mystieke kracht van zelfvorming, de eeuwige gedachte in het eeuwige
denken . . . Hij, O Arjuna, die mijn goddelijke geboorte en daden
kent, treedt na het verlaten van dit sterfelijk omhulsel geen ander
in, maar gaat mij binnen.
– Bhagavad-Gita, 4:5-6,
9 (W.Q. Judge vert.)
Later, toen de grote slag tussen de Pandava’s en de Kuru’s
ten einde kwam, toen de rechtmatige koningen weer op hun troon zaten
en het volk was teruggekeerd naar het pad van deugd, bouwde Krishna
een ‘wonderstad’ waarheen mannen en vrouwen konden gaan
om meer te leren over zijn wezen en werk. Gelegen midden tussen de bergen,
enkele kilometers van de zee, bezat deze stad, Dvaraka3,
prachtige gebouwen, mooie parken en een schitterende ondergrondse tempel.
In het centrum van de stad plantte hij een Parijata-boom, waarvan de
geur het land vervulde en hen die naderden in staat stelde zich hun
voorgaande incarnaties te herinneren. Na Krishna’s dood verdween
de stad en de boom steeg op naar de hemel, wat volgens een commentator
betekent dat na zijn dood de esoterische leringen in het geheim werden
doorgegeven.
Vishnu’s werk op aarde als Krishna was nu voltooid. Het was tijd
voor hem zich terug te trekken. Volgens de overlevering steeg hij op
17 februari, 3102 jaar vóór de geboorte van Christus,
om middernacht, op naar de hemel, de lucht vervullend van glorie. Maar
hij zal terugkeren, zoals de Bhagavad-Gita zegt:
Ik breng mijzelf telkens weer voort temidden van
de schepselen, O zoon van Bharata, wanneer op deze aarde de deugd
verslapt en onrechtvaardigheid en ondeugd hoogtij vieren; en zo incarneer
ik van eeuw tot eeuw tot behoud van de rechtvaardigen, tot vernietiging
van de zondaars en herstel van het recht.
– 4:7-8
Noten
- Zie Surya Siddhanta, vert. E. Burgess; herdruk,
Wizards Bookshelf, San Diego, 1978, blz. 161-7, 424-5.
- Krishna’s naam verwijst naar het ‘donkere’
mysterie van tijd en ruimte.
- Dvaraka betekent ‘met vele poorten’,
aanduidend dat alle paden tot het goddelijke leiden; parijata
betekent ‘boven geboorte’ en duidt op een tweede of hogere
geboorte.
Bibliografie
- Coomaraswamy, Ananda K. en Margaret E. Noble, Myths
of the Hindus and Buddhists, Dover Publications Inc., New York,
1967.
- Judge, William Q., Bhagavad-Gita with Essays on
the Gita, Theosophical University Press, Pasadena, 1969.
- Sahi, Jyoti, The Child and the Serpent, Routledge
& Kegan Paul, Londen, Boston en Henley, 1980.
- Krishna: Myths, Rites, and Attitudes, red.
Milton Singer, Phoenix Books, University of Chicago Press, Chicago,
1968.
- Srimad Bhagavata Mahapurana, vert. C.L. Goswami,
Motilal Jalan, Gorakhpur, 1971.
- Vishnu Purana, vert. H.H. Wilson, Nag Publishers,
Delhi, 1989.