We worden door ons gezichtsvermogen zo beheerst dat allerlei woorden
die met zien te maken hebben in onze taal zijn geslopen: onze mening
is ons ‘gezichtspunt’; als we van mening veranderen gaan
we ‘de dingen anders zien’; als we iets begrijpen zeggen
we ‘ik zie het’. We kennen ook veel andere manieren van
zien naast het gewone fysieke gezichtsvermogen: profetische visioenen;
visioenen van heiligen en mystici, medicijnmannen en genezers –
waarvan sommigen zeggen dat ze de ziekte kunnen zien; visioenen die
we in de droomtoestand hebben; een terugblik op het leven die we naar
men zegt krijgen als we sterven; ‘blind zien’ waarbij Russische
onderzoekers lezen met hun vingertoppen; het zien van heksen; het zien
van engelen, natuurgeesten, feeën, elfen, kabouters, elementalen;
UFO’s en spoken; extatische geestvervoeringen van mensen die visioenen
najagen; de waarnemingen van visionaire kunstenaars en gebruikers van
psychedelische en hallucinatie verwekkende middelen. Grote godsdiensten
werden in visioenen aangekondigd – en ieder jaar worden er honderden
verschijningen gemeld van Maria in het Westen en Kwan Yin in het Oosten.
Maar zijn al deze visioenen even belangrijk? Is het juist lezen van
tarotkaarten van dezelfde klasse als een visioen van een mysticus van
God?
Ons gezichtsvermogen is uitermate dwingend – zien is geloven.
Maar misschien hebben we twee ogen om ons eraan te herinneren dat er
altijd meer dan één manier is om de dingen te bezien –
tenslotte lijkt het alleen maar dat de aarde om de zon draait.
Het simpele feit dat ons verstand ons fysieke zien kan doorkruisen herinnert
ons eraan dat we op veel gebieden bestaan en dat de mogelijkheid om
te zien of te begrijpen deel uitmaakt van ons wezen op elk
van deze gebieden. Geestelijke visie, geworteld in onze geestelijke
natuur, is de meest omvattende; ze werpt licht op een wijze die ons
hele landschap verlicht en verandert. Mentale visie, geworteld in ons
denkvermogen, is beperkter en komt tot uitdrukking als begrip. Fysieke
visie, geworteld in onze astrale natuur, is de meest beperkte.
We hebben echter de neiging te doen alsof de waarheid met onze stoffelijke
ogen waargenomen ook werkelijk zo is, in plaats van te erkennen
dat we slechts een aspect van waarheid waarnemen, omdat we
haar op een bepaalde manier zien. We vormen onze wereld naar de vorm
van ons stoffelijk apparaat – hadden we bijvoorbeeld de ‘ogen’
van een kwal, dan zouden we niet genoeg cellen bezitten om een beeld
te vormen en zou alles wat we konden ontdekken beweging zijn. Voor de
kwal gaat alles wat niet beweegt op in de rest en bestaat letterlijk
niet tot het zich beweegt.
Eens geloofde men dat ons gezichtsorgaan een klein beeld schept van
wat zich voor ons bevindt, maar dan ondersteboven en dat de hersenen
de grootte corrigeerden en het beeld weer omdraaiden. Nu weten we dat
het zien in werkelijkheid een netwerk van gebeurtenissen is met verschillende
neuronen (zenuwcellen) die gevoelig zijn voor bepaalde prikkels en alleen
op die bepaalde prikkels reageren. We hebben vier parallelle systemen
die belast zijn met verschillende functies van het zien: één
voor kleur, één voor beweging en twee voor vorm. De zenuwcellen
liggen zo verspreid dat wetenschappers niet begrijpen hoe de hersenen
de visuele patronen kunnen bijeenbrengen tot een samenhangend beeld.
‘Onderzoekers hebben geen enkel specifiek gebied in de hersenen
gevonden waar alle informatie die nodig is voor visuele waarneming bijeen
schijnt te komen.’1 Dat is alsof men
zegt dat het proces van het zien lijkt op het geheugen in een ‘dot
matrix printer’ – duizenden kleine impulsen zonder papier
om op af te drukken.
Omdat we weten dat ons stoffelijk gezichtsorgaan ingewikkeld is, maar
beperkt tot een smalle band van het spectrum en tamelijk misleidend,
kunnen we zeker niet aannemen dat een 20/20 blik op het uiterlijke stoffelijke
gebied, 20/20 op de innerlijke gebieden oplevert. De algemene categorie
van innerlijke visie of het tweede gezicht wordt helderziendheid genoemd.
Maar waar kijken we naar en waar zien we mee?
Zoals het zichtbare spectrum ingewikkelde en oneindige gradaties kent,
zo hebben ook de onzichtbare sferen gradaties vanaf de lagere astrale
tot de hogere. Er zijn in het astrale gebied veel gradaties en lagen,
net als in een mistbank. Stel u voor dat u op een heuvel staat en naar
een opkomende mist kijkt. De bovenste laag, het dichtst bij de zon,
is helder, warm en ijl. Waar de mist het dichtst bij de aarde is, is
hij donkerder, kouder en ondoorzichtiger, net als de lagere regionen
van het astrale gebied. Het spirituele zien is als het uitstijgen boven
de mist – boven alle verwarring van de lagere gebieden, waardoor
men een adembenemend uitzicht krijgt over het geheel. Het astrale zien
is als het opvangen van glimpen door de mist heen.
Het astrale gebied is een energieveld dat onze aarde omringt en doordringt.
Als het laagste tussenliggende gebied tussen het stoffelijke en het
geestelijke vormt het waarschijnlijk de basis voor onze verhalen over
hel en vagevuur.
Volgens de theosofische leringen is het astrale licht zo plastisch
en gevoelig dat we er doorlopend afdrukken op maken met onze gedachten
en daden; op zijn beurt drukt het zich af op ons, kaatst het alles terug
– gedachten, daden, gevoelens. Volgens de beschrijvingen bevat
het zowel beelden van alles wat ooit is gebeurd als beelden van toekomstige
gebeurtenissen, waarvan de oorzaken al voldoende vastliggen. Het overbrengen
van trillingen daarin zou praktisch ogenblikkelijk gebeuren –
sneller dan licht of elektriciteit.
Iedere gedachte die we hebben neemt de vorm aan die we eraan geven
en leeft voort in het astrale gebied – daarom kunnen helderzienden
waarnemen wat er met ons is gebeurd. Al onze gedachten komen via het
astrale gebied en worden door affiniteit tot ons aangetrokken; sterke
gevoelens werken als grote gedachtemagneten. Indrukken worden op verschillende
niveaus gemaakt, afhankelijk van intensiteit en duur. Sommige daden
beïnvloeden een aantal verschillende niveaus en gebieden zo, dat
ongeoefende zieners het hele beeld waarschijnlijk niet kunnen zien:
ze dringen alleen door tot die gebieden die hetzelfde trillingsgetal
hebben als zijzelf. Om de verwarring nog groter te maken zou alles in
het astrale licht omgekeerd zijn. Hoe zou iemand, als hij daarin een
blik kon werpen (misschien om in de toekomst te zien), weten of hij
verwachtingen en verlangens leest, of feitelijke oorzaken die in beweging
zijn gezet?
Toch kan de ervaring van het zien in een van de onzichtbare gebieden
zo intens zijn, dat het is alsof een fundamentele waarheid plotseling
is onthuld. Sommigen zijn ervan overtuigd dat God heeft gesproken of
een boodschap heeft gezonden, of zelfs de duivel – het geeft zo’n
uitzonderlijk gevoel dat het naar het schijnt wel volkomen spiritueel
moet zijn (of omgekeerd totaal demonisch). Maar het astrale licht is
ook een bestaansgebied voor entiteiten die vermogens en vormen van zichzelf
hebben die totaal niet op de onze lijken. Er bestaan elementalen die
met natuurkrachten te maken hebben. Ze hebben geen herkenbare vorm –
de ziener geeft er vorm en structuur aan, wat misschien de reden is
dat we soms entiteiten zien (de duivel met horens en een staart) die
er net zo uitzien als wij van ze verwachten. Voorts gaan alle wezens
die sterven door het astrale gebied. Als ons stoffelijk lichaam sterft,
blijven we niet zonder voertuig achter. Onze begeerte-elementen, onze
vitale, mentale en spirituele componenten blijven enige tijd in het
astrale gebied, nog aangetrokken tot het lichaam dat ze eens bezielden
en worden soms zelfs op kerkhoven waargenomen als geesten of spoken.
In dit stadium van onze evolutie doordringt het astrale lichaam van
een mens zijn stoffelijk lichaam – de leringen zeggen dat ieder
zintuig zijn oorsprong heeft in het astrale, of een astrale tegenhanger
heeft, die het werkelijke centrum van zintuiglijke waarneming is. We
zien met astrale centra die van de ogen afhangen voor zintuiglijke indrukken.
Vanuit dit perspectief werkt ons stoffelijk apparaat als een sluier
om onze zintuigen te beperken en ons te beschermen tegen te veel toevoer,
wat verwarrend of zelfs schadelijk zou kunnen zijn. De avondnieuwsberichten
herinneren ons er regelmatig aan hoe we steeds weer falen succesvol
te leven met de vermogens die we al hebben. Veronderstel dat uw plaatselijke
vriendenkring het vermogen zou hebben uw gedachten nauwkeurig te lezen
of uw toekomst te voorspellen? Er is een sterk moreel en ethisch karakter
voor nodig om zo’n verantwoordelijkheid te dragen, die ertoe kan
leiden mensen die mentaal en moreel niet gereed zijn om ermee om te
gaan uit hun evenwicht te brengen.
In het astrale licht zien gebeurt niet door de geest of het denken,
maar door de zintuigen. Zoals we niet alles moeten geloven wat we fysiek
‘zien’, zouden we er goed aan doen terughoudend te oordelen
over de schijnbare waarheid van wat we in het astrale gebied zien. Geestelijke
helderziendheid daarentegen doelt op een veel grotere verlichting. Soms
wordt ze afgeschilderd als een plotselinge verlichting of een flits
kosmisch bewustzijn, die een heel nieuw perspectief en een diep innerlijk
begrip geeft. Zoals we in een flits meer opnemen dan we zelf ooit volledig
beseffen, zo kan het innerlijk zien (inzicht) in een flits meer bevatten
dan voor de vijf zintuigen bij elkaar mogelijk is. Zoals een grootse
Aha! belevenis brengt het alle geschilpunten en vragen op een nieuwe
manier bij elkaar. Net als Archimedes die in zijn badkuip sprong en
uitriep – Eureka! – zullen we plotseling begrijpen! Deze
Aha! ervaring is een onmiddellijke, directe waarneming die een verandering
teweegbrengt – men ziet alles anders in dit grotere licht. De
essentie van de theosofie is deze directe waarneming, deze ervaring
van begrijpen, heelheid en goddelijke wijsheid die we ondergaan met
de visie van ons hart. Deze soort innerlijke visie, dit inzicht of tweede
gezicht vindt plaats buiten het bereik van onze zintuigen of van het
logisch redenerend verstand dat wil omschrijven en afzonderen. We kunnen
onze weg naar innerlijke visie niet bedenken, het vindt plaats buiten
ruimte en tijd, als een vijfde dimensie.
Het denken speelt echter wel een belangrijke rol. Als het geagiteerd
is of op een te beperkt doel gericht, blokkeert het de visie. In het
algemeen leidt beperkt denken tot beperkte visie en het meest beperkte
denken is dat wat om ons eigen ik draait. Als in een mistbank blijven
onze egocentrische gedachten hangen in de lagere gebieden. Onze gedachten
die aan de boeien van het ik kunnen ontsnappen verheffen zich op natuurlijke
wijze naar zuiverder gebieden. Geestelijke visie is te subtiel voor
onze stoffelijke zintuigen en laat daarop geen indruk achter, terwijl
de lagere gebieden van het astrale licht dat wel doen.
Hoe kunnen we het onderscheiden? Eén aanwijzing kan zijn dat
hoe universeler en onpersoonlijker de inhoud is, hoe spiritueler de
bron. Hoe persoonlijker, specifieker en exclusiever, des te waarschijnlijker
is het dat we in de lagere aspecten van het astrale licht zien. We leven
in een eeuw waarin ‘channeling’, automatisch schrift en
psychisch lezen een rage vormen. Ongetwijfeld is het soms regelrechte
bedriegerij, maar er zijn ook veel ernstige zoekers die gefascineerd
worden door de betovering van hun pas ontdekte krachten. Maar wie of
wat zoeken deze zoekers en met wie of wat komen ze in aanraking –
hun hogere zelf, de gedachten van anderen, het astrale licht, schimmen
van de gestorvenen, of . . . ? Het onderscheid leren zien vereist begrip
van enkele grondbeginselen, geduld en oefening. Het ontdekken van nieuwe
manieren om de dingen te zien is een weldaad – ware opvoeding
kan zijn hetzelfde landschap met nieuwe ogen te leren zien. Met een
open hart en een wakkere geest behoeven we niet bang te zijn om altijd
met wijdopen ogen te lopen.
Noot
- Scientific American, september 1992, blz.
158.