Uit de droomtijd
I.M. Oderberg

 

‘Droomtijd’ is de naam die de Australische aboriginals hebben gegeven aan het tijdperk dat miljoenen jaren geleden voorafging aan het zelfbewust ontwaken van menselijke eigenschappen in de oermensen. Het is de periode waarin de ‘voorvaderlijke wezens’ de mysterieuze bezielende energie in de natuur tot uitdrukking brachten, die voortkwam uit de oorspronkelijke voorstoffelijke vormen die de patronen vertegenwoordigden voor latere ontwikkelingen. Omdat de aboriginals geen gebruik maakten van geschreven taal, werden hun verbazingwekkend accurate inzichten in de werking van de natuur mondeling door mythen overgebracht. Ze zagen de schepping als een altijd doorgaand proces, niet beperkt tot een eenmalige gebeurtenis die langgeleden plaatsvond. Ze kenden geen woorden voor verleden of toekomst, maar dachten alleen aan een altijd aanwezig nu. Wat wij zien als evolutie, zijn voor hen nieuwe ontplooiingen van eigenschappen die uit de sluimertoestand in alle wezens tevoorschijn komen. Ze beschouwden alle bewoners van onze planeet als onderling verbonden tot een enorme keten van wezens die de aardbol omvat.

Een van de mooiste uiteenzettingen van wat het erfdeel is van de Australische aboriginals is een onlangs verschenen boek van Robert Lawlor.1 Hij vergelijkt de mythen en hun betekenis met de inzichten van het Dravidische volk van het oude India dat, volgens recent wetenschappelijk onderzoek, hun voorgeslacht vormde en dat door indringers vanuit het noorden zuid- en oostwaarts India werd binnengedreven. Na een boeiend overzicht van wetenschappelijke ontdekkingen over de invloed van aardse ritmen op ons planetaire leven zegt hij:

In het licht van dit nieuwe model kunnen we ons voorstellen dat er tussen het magnetische leven van de planeet en de biologische en culturele ontwikkelingen van de mensheid een als brug fungerende wisselwerking bestaat.

Kortom, de stroom van de menselijke beschaving vanuit de op hout afgestemde culturen van het zuiden weerspiegelt de zuid-noord circulatie van de continentale massa’s. Er was een tijd dat meer dan de helft van het vasteland op aarde zich op het zuidelijk halfrond bevond, terwijl nu meer dan driekwart op het noordelijk halfrond ligt. De magnetische krachtlijnen van de aarde vloeien in eenzelfde patroon van zuid naar noord als de continenten. Alle cyclussen van het lichaam van de aarde zorgen voor zijn stofwisseling.

De Droomtijd-mythen weerspiegelen deze onderling verbonden patronen en cyclussen van de aarde en de menselijke natuur. De mythen beginnen met een wisselwerking tussen grote kosmische energieën die de aardkorst in beweging brengen en vormen (de cyclus van bewegende continenten). De energieën en cyclussen van de aarde scheppen, beïnvloeden en vernietigen dan alle levende soorten in ritmische opeenvolgingen (de magnetische cyclussen en de ijstijden). Deze levenscyclussen van de planeet hebben dan ook een grote en blijvende invloed op de culturele patronen en de ontwikkeling van de mensheid.      – blz.96

De in Australië binnenkomende aboriginals bezaten bepaalde vaardigheden en al hun mythen wezen op een voorafgaande tijd van menselijke ontwikkeling. Men meent nu dat ze over een landstrook hebben gereisd, die Maleisië, Indonesië, de eilanden daartussen, Nieuw-Guinea en het noordelijke deel van Australië omvatte – een uitgestrekt gebied. Een smalle strook water tussen het tegenwoordige Indonesië en Nieuw-Guinea zou met vlotten kunnen zijn overgestoken.

Lange tijd heeft men gedacht dat de aboriginals ongeveer 20.000 jaar geleden in Australië arriveerden, een getal dat meer recent in 40.000 jaar is veranderd. Lawlor put echter uit materiaal dat het resultaat is van veel onderzoek van overblijfselen op kampplaatsen in het hele gebied van Northern Territory en Queensland tot ver in het zuiden. Scheikundigen hebben bijvoorbeeld koolstof- en andere dateermethoden gebruikt en paleobotanici hebben sporen gevonden van lang verdwenen plantensoorten tussen kampresten. Bovendien verschaft de schrijver tabellen van geologische vondsten en geeft daarop commentaar, waarbij hij uit vedisch materiaal put om de diepere betekenis van bepaalde mythische verhalen weer te geven. Dit is een nieuwe benadering omdat de geleerden die de veda’s bestuderen de neiging hebben wat onder die naam bekend is te dateren naar de vermoedelijke tijd waarin ze werden opgetekend. Er is veel te zeggen voor de bewering dat het vedische erfdeel mondeling werd doorgegeven, lang voordat het op schrift werd gesteld; hetzelfde geldt voor de homerische geschriften van het oude Griekenland: vóór ze werden opgetekend werden ze op de manier van de barden doorgegeven.

Het vele onderzoek dat in Lawlor’s boek wordt aangedragen, leidt ertoe dat het vermoedelijke tijdstip van de eerste aankomst van de aboriginals volgens zeer recente schattingen moet worden gewijzigd van 120.000 jaar geleden in 150.000. Dat zijn voor sommige conservatieven opzienbarende cijfers!

Volgens de geschriften van H.P. Blavatsky behoren de aboriginals tot de laatst overgeblevenen van een stamras dat zich ontwikkelde op een vorig continent, dat eens als zijn voornaamste deel Madagascar, Sri Lanka en India omvatte. Dat gebied kreeg in de vorige eeuw de naam ‘Lemurië’ van P.L. Sclater, een wetenschapper die lemuur-soorten, gevonden op de drie hierboven genoemde plaatsen, onderzocht. Hij vond het een passende naam voor een continent dat niet meer boven de zeespiegel ligt. Blavatsky zinspeelde hierop en verklaarde dat de oorspronkelijke naam uit de menselijke herinnering was verdwenen, maar totaal verschilde van Sclaters betiteling.

Het staat vast dat de aboriginals, die zo lang als ‘primitief’ zijn bestempeld in de moderne betekenis van inferieur, in feite overgeblevenen waren van een eens hoogontwikkeld voorgeslacht. De Aranda-stam, bijvoorbeeld, kende een ingewikkeld huwelijkssysteem, bedacht om inteelt te voorkomen; totem-namen maken het gemakkelijk het genetisch erfdeel langs de lijnen van de moeder en de vader te onthouden. Volgens een voorzichtige schatting zou het vele generaties duren voor een afstammeling vanuit deze combinatie van lijnen dezelfde genen erft als een willekeurig paar voorouders.

Bovendien hadden de Aranda’s en sommige andere stammen een stelsel van training waarbij het er niet alleen om ging onder moeilijke omstandigheden te kunnen leven, in onvruchtbare gebieden in het grootste deel van het continent. Het was beslist niet zo dat alle stammen in de vruchtbare gebieden van Oost-Australië woonden! Het genoemde opvoedingsstelsel omvatte zeven graden van onderricht, met inwijdingen vanuit lagere in hogere graden die met een bepaalde bekwaamheid overeenkwamen, ongeveer zoals examens op een universiteit. Deze bijzondere training was bedoeld om het menselijk organisme en de samenstellende delen ervan beter te begrijpen en een dieper inzicht te verkrijgen in het doel van het leven op onze planeet. Degenen die hun inwijdingen in hogere graden volbrachten werden Ouderen genoemd, die hierbij bepaalde vermogens en eigenschappen schenen te hebben verworven.

Zoals dr. A.P. Elkin, professor in de antropologie aan de universiteit van Sydney, opmerkte in zijn Aboriginal Men of High Degree,2 vertoonden de Ouderen een ‘onbeweeglijk gezicht, met scherpe, doordringende ogen – ogen die door iemand heenzien – de lenzen van een ziel die uw karakter en bedoelingen fotograferen’.

Ik heb die ogen gezien en gevoeld hoe de ziel aan het werk was toen ik naar kennis zocht die alleen iemand met een hoge graad kan verstrekken. Ik ken blanken die de ogen van een karadji bijna vreesden, zo alziend, diep en kalm schenen ze te zijn. Deze ‘wijze man’ was beslist een bijzonder mens, een heldere denker, een besluitvaardig man, iemand die geloofde, en daarna handelde . . . het vermogen bezat de ander ertoe te brengen geloof in zichzelf te hebben.      – blz. 19

En R.M. Berndt, ook een antropoloog die verschillende keren een aantal jaren onder de aboriginals leefde, zegt:

Men kon altijd zien wie een medicijnman (walemira) was aan de intelligente blik in zijn ogen, vertelden twee Wiradjeri zegslieden [hem] en de groten hadden een bijzondere atmosfeer om zich heen waardoor de mensen zich anders voelden.3

Waar het bij het opvoedingsprogramma van de aboriginals om ging was het besef dat de hele natuur één is en dat het leven op aarde met alle planetaire medebewoners wijst op een holistische benadering van onze verantwoordelijkheid, die ontstond lang voordat wij in het Westen dachten aan de realiteit van de holistische zienswijze en die aanvoelden!4

We kunnen dat zien aan de ‘zwerftocht’ die lange tijd in beslag nam en waaraan alle stammen deelnamen. Professor W.E. Stanner, eveneens van de universiteit van Sydney – een bekende antropoloog en socioloog en gespecialiseerd in de aboriginals – beweert dat de stammen zich rond het continent bewogen als de wijzers over een wijzerplaat. Hij wees ook op een onderbreking veroorzaakt door een ingrijpende uitdunning van de stammen door kolonisten, die tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw en de beginjaren van deze eeuw jacht op hen maakten. Dit leidde ook tot de tragische omstandigheden van de aboriginals en tot het einde van de cyclus van de ‘zwerftochten’ door het land. In onze tijd verklaart men deze gebeurtenis zo, dat een aboriginal plotseling de drang voelt om enkele dagen ‘de wildernis’ in te gaan en zijn familie en stamgenoten te verlaten! De grotere ‘zwerftocht’ had echter te maken met gebeurtenissen die een combinatie vormden van astronomische en aardse posities en energieën.

Een van de verrassende aboriginal-mythen betreft de cyclische bewegingen van sterren en constellaties gezien vanaf de aarde. Hun namen Irdibilyi, Wommainya en Karder bijvoorbeeld, hebben betrekking op de Alfa-sterren, respectievelijk Altair in het sterrenbeeld Aquila de Arend, Vega in de Lier en Karder5, het sterrenbeeld Dolfijn, waarvan de helderste ster een helderheid heeft tussen die van Alfa en Beta in tegenstelling met de andere. De mythe over deze drie sterren, die te lang is om hier weer te geven, zegt dat Karder ‘lui’ is, dat wil zeggen langzaam bewegend, waardoor een lange periode van observatie nodig is om er zeker van te zijn dat voor een waarnemer de schijnbare beweging van een ster in de kosmos – gezien vanaf de aarde – ‘langzamer’ blijkt te zijn dan die van de twee andere.

Astronomische en andere mythen werden opnieuw verteld door Daisy Bates, die de aboriginals liefhadden als een van de hunnen en die werd geëerd met de naam Kabbarli of ‘Wijze Vrouw’. Kabbarli was in het bijzonder geïnteresseerd in de zodiak van de aboriginals en terwijl ze van plaats tot plaats met hen meetrok, onderzocht ze de hemel nauwkeurig met haar draagbare telescoop en bracht ze de mythen van haar gastheren in verband met de kosmische lichamen waar deze mythen kleur aan verleenden.6

Volgens mij echter ligt de essentiële betekenis van de wijsheid van de aboriginals besloten in Lawlors verhandeling over hun erfdeel naast die van het Dravidische volk in India. Hij schrijft hen de tabellen van de yuga’s toe, de cyclussen van de tijdperken die de Grieken bestempelden als de Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren Eeuw. Hij voegt aan de lijst de perioden van de ijstijden toe, die precies passen in de opvolging van de vier bovengenoemde tijdperken – en doelt zowel op de grote als de kleine ijstijden.

Als hij het heeft over de ontvangst door onze aardbol van zonneënergieën aan de noordpool en het doorgeven van energieën aan de zuidpool, geeft hij tijdschalen die zijn ontleend aan oude bronnen. Het resultaat van deze en andere processen die onze planeet en de zon betreffen is dat de bloei van de menselijke beschaving in het zuiden begint en zich langzaam noordwaarts beweegt. Hij noemt in dit verband het prachtige beeld van de lotusbloem, die in het slijk wordt geboren, omhoogrijst naar de oppervlakte van het water en dan de bloembladen opent naar de zon. Dit beroemde symbool wordt in het Oosten gebruikt en ook in Egypte sinds de vroegste perioden van zijn beschaving, om geboorte, kindertijd, adolescentie en volwassenheid aan te duiden, waarin ze alles geeft wat ze heeft om het zaad te verschaffen voor de volgende generatie. Dan, zegt hij, vindt er weer een terugtrekking plaats naar het zuiden, waar een nieuwe bevruchting plaatsvindt, gevolgd door een nieuwe bloei.

Geeft dit niet een schitterend beeld om over na te denken: een grootse visie op de evolutie als het openen van knoppen van onze menselijke mogelijkheden tot bloemen van beschaving en in feite ook van de mogelijkheden die sluimeren in het energieveld van de planeet zelf! Zoals sommige wetenschappers beginnen te verkondigen, duiden recente ontdekkingen erop dat het heelal een bewust systeem is. Als dit algemeen wordt erkend moet de evolutie worden gezien als een proces geleid door een of andere vorm van een de kosmos-omvattend bewustzijn, omdat haar hele domein blijk schijnt te geven van de aanwezigheid van een patroon.

 

Noten

  1. Voices of the First Day, Awakening in the Aboriginal Dreamtime, Inner Traditions, Rochester, Vermont, 1991; 413 blz., illustr., eindaantekeningen, bibliografie, index, softcover; opbrengst voor The Doonooch Aboriginal Healing Centre en South Australian Earth Sanctuaries voor de redding van in gevaar verkerende soorten.
  2. The John Murtagh Macrossan Memorial Lectures for 1944, Australasian Publishing Co., Sydney, 1945. Professor Elkin beweerde dat de ‘geheime erediensten en religie van de aboriginals oosters zijn’, en de adepten ervan overeenkomen met de Indiase en Tibetaanse yogi’s.
  3. Ibid., blz. 19.
  4. Zie ‘Holistische denkbeelden van Australische aboriginals’, Sunrise jan/feb 1993.
  5. Dit sterrenbeeld is de Hagedis in de leer van de aboriginals.
  6. Zie ‘Volksverhalen opnieuw verteld’, Sunrise okt. 1980.
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Australië
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency