Toen ik nog een schooljongen was, zei mijn onderwijzer eens dat het
onmogelijk is nieuwe gedachten te denken. Dit trof me, maar ik kon het
niet geloven en nam me voor om op een goede dag toch als eerste iets
te bedenken, waar tot dat ogenblik nog nooit iemand aan had gedacht.
Deze droom heb ik lang geleden verloren, maar toch keert hij steeds
weer als een uitdaging terug. Het denkbeeld dat het universum een kind
van de eindeloze duur is en mijn opvatting van evolutie – een
nooit eindigend groeiproces voor al wat in het universum is –
hebben ten slotte een einde aan mijn illusie gemaakt. Want als we in
de tijdeloze duur leven, moeten er wezens, entiteiten, mensen bestaan,
die de top van het menszijn hebben bereikt en dus alles al hebben leren
kennen en beheersen wat een mens kan ervaren, denken en leren. Kunnen
‘mijn’ gedachten werkelijk de mijne zijn als ze niet origineel
zijn en waarschijnlijk al miljoenen keren door anderen zijn gedacht?
Zo kwam ik tot de slotsom dat al wat behoort tot het aspect van de werkelijkheid
dat met het denken omvat kan worden, al eerder is beschouwd.
Enig nadenken hierover leidt tot het denkbeeld, dat op elke vraag het
antwoord kan worden gevonden, in woord of in geschrift, want beide zijn
met elkaar verbonden als oorzaak en gevolg. Toch schijnt onze ervaring
hiermee in tegenspraak te zijn. Maar al te vaak stellen wij vragen,
waarop we geen of een verkeerd antwoord krijgen, of als het antwoord
juist is, wordt het niet begrepen of verkeerd toegepast. Het is blijkbaar
niet zo eenvoudig en dat is maar gelukkig ook. Als het zo eenvoudig
was, zou het leven zo iets zijn als een computer: doe de vraag er maar
in en de oplossing komt klaar voor gebruik tevoorschijn!
Als we ons een bibliotheek voorstellen, waarvan de duizenden boeken
in principe de antwoorden zouden kunnen bevatten op alle vragen ter
wereld, dan is die bibliotheek op zichzelf toch niet meer dan een kerkhof
van ideeën en elk boek een soort mummie. Of is het een zaadwinkel
en is elke gedachte een zaadje, waarvan de potentiële groei afhankelijk
is van degene die het cultiveert?
Er schijnen twee fundamentele categorieën te zijn: 1) De dingen
die vastgelegd en altijd hetzelfde zijn, zoals de boeken op de plank
en de woorden daarin; en 2) Dat wat groeit, verandert en uniek, beweeglijk
en wordend is. In de eerste groep zijn de bouwstenen, de middelen, het
materiaal, wachtend op een schepper die ze zal gebruiken. In de tweede
is leven en beweging, wezenlijk verschillend van dingen en feiten. De
mens behoort ertoe met zijn altijd activerende bewondering, waaruit
de echte vragen voortkomen. En deze zullen onvermijdelijk de
echte antwoorden oproepen. Want zo’n antwoord is een
schepping, die tot leven is gewekt door het toevoegen of ingieten van
iets van de levensessentie uit de innerlijke natuur van de mens. Dit
mysterieuze ‘iets’ overtreft alles in belangrijkheid –
het is het ‘wonderbaarlijke levenselixer’ dat de mens onsterfelijk
maakt.
Als wij kinderen zijn van de eeuwigheid, dan hebben we toegang tot
een onuitputtelijke bron van inspiratie en kracht. Dit is een buitengewoon
hoopvolle gedachte, want ze staat er borg voor dat we de levenstechniek
in deze materiële wereld werkelijk kunnen leren. Niet dan nadat
we het leven aanraken met ons wezenlijk zelf, is het Leven. We zijn
de scheppers van onze toekomst en bijgevolg van onszelf. Als dit niet
zo was, zouden we niet meer zijn dan marionetten of papegaaien; we zouden
op ons kleine plekje blijven, voortdurend bezig met het herhalen van
het statische en het rondzeulen met de dode lichamen van het wijsgerig
en godsdienstig denken.
Dit wordt gemakkelijk tot gewoonte en we worden blind voor het feit,
dat ons leven voor het grootste deel bestaat uit het doelloos en zinloos
verplaatsen van ‘bouwstenen’. Het resultaat hiervan is dat
we ons leven een verkeerde richting geven. We willen bijvoorbeeld liefde,
geluk, enz., maar we zien over het hoofd dat we dit alles niet kunnen
bezitten als een paar schoenen of een auto. Liefde en geluk kunnen evenmin
eens en voor al worden verworven, want dit is in strijd met de natuurwetten,
die de grondslag van het leven vormen. In de loop van onze dagelijkse
ervaringen kunnen ze aangeraakt worden, maar nooit kunnen we ze bezitten.
Het leven is anti-stilstand en de kennis ervan is niet louter het gevolg
van het weet hebben van dingen en feiten, maar begrijpen van wat er
gebeurt. Zelfkennis is niet het weten van wat ik nu ben, maar van wat
er in mij groeit. Ik ben niet trouw aan mezelf als ik probeer te blijven
wat ik op dit ogenblik ben. Door een voortdurende vernieuwing, door
steeds weer opnieuw te beginnen, mezelf te verliezen en weer te kiezen,
ben ik trouw aan mezelf. Ik leef niet als ik ben, maar als
ik bezig ben te worden. Volledige zelf-expressie in woord of
in daad is niet mogelijk. Zodra iets is gezegd, geobjectiveerd en buiten
onszelf geplaatst, behoort het tot het verleden en zijn we er zelf niet
meer in. Het lijkt paradoxaal te zeggen dat we steeds vooruit zijn op
onszelf. We zijn altijd onderweg en bereiken nooit een eindpunt.
Aan het einde van deze uitzonderlijke eeuw vervluchtigen de schijn-zekerheden
van religie en wetenschap die ons eeuwenlang zijn voorgehouden door
goedwillende zelf-misleiders of kwaadwillige misleiders en waarmee we
het moeten doen.
Het is een tijd waarin we meer dan ooit de kans krijgen om in te zien
dat redding uit onze nood niet van buitenaf kan komen, maar dat die
in onszelf te vinden is. We moeten weer ontdekken dat het alles bezielende
Leven ook in ieder van ons uitmondt en dat we vrijelijk mogen beschikken
over de mysterieuze essentie ervan. Een waarheid zo oud als de wereld
die ons steeds weer ontglipt en waardoor wijzelf telkens de noodtoestand
teweegbrengen die ons onvermijdelijk weer aanzet opnieuw de weg van
het ware zelf te vinden.
‘Niets nieuws onder de zon . . .!’ Of we het ons bewust
zijn of niet, we putten onafgebroken uit het reservoir van vele malen
gekoesterde gedachten. Maar, wat is daar tegen? Is niet alles één
weefsel?
De vermetele kinderillusie nieuwe gedachten te willen bedenken heeft
zich moeiteloos getransformeerd in de stimulerende opdracht het bestaande,
voor ieder beschikbare denkpotentiaal, in mijzelf tot nieuw leven te
wekken en zo ‘alle dingen nieuw te maken’.