Toen de Theosophical Society in 1875 in New York werd opgericht, realiseerden
weinigen zich de kracht van haar ideeën of de langdurige voortstuwende
kracht die ze zou doen ontstaan. Onder het verkondigen van de boodschap
van universele broederschap publiceerde de Society werken die de studie
van ’s werelds religies, oude mythologieën, wetenschap en
filosofie aanmoedigden. Tegen 1893 begon men aan de boodschap van religieuze
eenheid gehoor te geven. De organisatoren van de World Columbian Exhibition
in Chicago waren het erover eens dat de religies van de wereld daaraan
deel moesten nemen. Hoewel overheerst door christenen werden andere
geloofsovertuigingen toegelaten. Het is ironisch, dat er aanvankelijk
weerstand tegen theosofen bestond, maar hun boodschap was stimulerend.
Toen zij hun eigen congressen kregen, trokken ze een publiek van zo’n
3.000 à 4.000 mensen.
De geest van het in 1893 gehouden Wereldparlement van Religies inspireerde
de vorming van diverse interreligieuze organisaties, waaronder The International
Association for Religious Freedom (1900), The World Congress of Faiths
(1936) en The Temple of Understanding (1960).1
Het Parlement van 1893 was betekenisvol vanwege de tijd waarin het werd
gehouden en de lange periode die daaraan voorafging zonder dat enige
poging tot een dergelijk initiatief was ondernomen. In daaropvolgende
internationale bijeenkomsten is getracht om begrip te brengen onder
mensen van alle geloofsgemeenschappen, waarbij – voor het merendeel
– theologische of filosofische discussies over religieuze meningsverschillen
werden vermeden. Ze spitsten zich toe op het aanmoedigen van samenwerking
door mensen samen te brengen teneinde achterdocht, naijver en vooroordelen
te verminderen.
In kleine gebeurtenissen worden de zaden van innerlijke ommekeer gevonden.
De inspanningen hebben nu effect gesorteerd en dit laatste Parlement
heeft bereikt wat in 1893 niet mogelijk bleek: een brede vertegenwoordiging
van de religieuze groeperingen van over de hele wereld, die elkaar als
gelijken ontmoetten. En toch neemt openlijke religieuze onverdraagzaamheid
en fanatisme toe, ook al zijn er sinds 1893 meer dan 40 interreligieuze
bijeenkomsten gehouden. De afgelopen periode van 100 jaar is er een
van geweld geweest, waarvoor de religies op de wereld deels verantwoordelijk
zijn. Zoals professor Hans Küng heeft geopperd, zal de wereld geen
vrede kennen zolang religies elkaar bestrijden. Parlementen en interreligieuze
dialogen zijn maatstaven naar welke onze innerlijke vooruitgang wordt
gemeten en zijn niet de prikkels daarvoor. Zij erkennen het menselijk
falen om de grondslag van alle religies – onvoorwaardelijke liefde
– te verwezenlijken.
Terwijl het geschatte aantal aanwezigen bij het Parlement van Religies
van de Wereld van 1993 (zo’n 7.500 mensen) groot lijkt, is het
klein vergeleken bij de vele miljoenen religieuze aanhangers, die de
gevoelens van harmonie en gelijkheid tussen de religies niet delen.2
Het vreemd genoeg ontbreken bij de internationale media van zelfs maar
een begin van interesse, geeft eveneens een realistischer beeld van
de rol die spiritualiteit in onze wereld speelt. Toch is iedere erkenning
van ons falen om als religieuze aspiranten te leven naar de Gulden Regel
– anderen te behandelen zoals wij door hen behandeld willen worden
– een belangrijke stap. Deze versterkt de hoop dat op een dag
nederigheid, verdraagzaamheid, respect en de grotere boodschap van liefde
naar boven zal komen uit de diepten van het menselijk bewustzijn en
dagelijkse uitingen zullen worden. Maar hoe bereiken we dit punt?
De vraag ‘Hoe verder?’ lag in de harten en zielen van degenen
die het Parlement van 1993 bijwoonden. Gelukkig is de interreligieuze
samenwerking niet in de richting gegaan van een wereldreligie, aangezien
mensen hun informatie nu eenmaal niet allemaal op dezelfde wijze vergaren;
we hebben zelden gelijke ervaringen, zelfs al maken we dezelfde gebeurtenissen
mee. Waarom zou iemand dan menen dat het oneindige en onbevattelijke
zou kunnen worden bereikt door middel van één benadering?
Tegelijkertijd zou het tot voordeel van de interreligieuze beweging
zijn te erkennen dat de geestelijke tradities in de wereld hun leringen
ontlenen aan een universele bron. Er bestaan sterke aanwijzingen dat
er een gemeenschappelijke taal van ingewijden bestaat. Zoals Joseph
Campbell uiteindelijk besefte, is er slechts één wereldmythologie,
die op vele manieren in vele culturen tot uitdrukking is gebracht.
De opening van een nieuwe Alexandrijnse bibliotheek door de Egyptische
regering en UNESCO (gepland in 1995)3 wijst
op een historisch precedent, geschapen in de derde eeuw van onze jaartelling
door Ammonius Saccas. Laten we het oneens zijn waar we menen dat dat
moet, maar laten we in de symboliek, die in iedere lang bestaande religie
te vinden is de fragmenten van de universele mysterietaal peilen. Met
de deur naar wijsheid geopend, met een gedeeltelijk even verlichte visie,
zou men vol eerbied staan voor de fantastische en mysterieuze werken
van het goddelijke en voor de eenheid die niet alleen de mensen onderling
verbindt, maar ook onze natuurlijke wereld met de kosmische orde. De
wijsheid der eeuwen, opgetekend in de spirituele symboliek van de mensheid,
houdt in dat de geestelijke beelden van het Onkenbare zijn afgedrukt
op de oneindige ruimten van de ruimte. Het is dit goddelijk bewustzijn
dat zichzelf tot uitdrukking brengt in de wetten van de natuur en van
de gemanifesteerde universa.
Laten we, door onze verschillende manieren van begrijpen te benutten,
samenwerken naar een gemeenschappelijk doel – de praktische verwerkelijking
van de grotere Waarheid – en bij het verwerven van nieuw inzicht
in universele waarheden zullen we ook een nieuwe toegepaste ethiek voor
de mensheid ontdekken. Zoals uit de wereldsituatie blijkt, is de poging
van welke religie dan ook om dit alles alléén te doen,
mislukt. Terwijl we voortgaan te werken voor de geest van universaliteit
in ons dagelijks leven, zullen we uiteindelijk misschien met duizenden
samenkomen en in stilte dat delen wat niet met woorden kan worden gezegd
en als we daarin slagen zullen we niet alleen verjongd herrijzen, maar
ook bijdragen aan de innerlijke kwaliteit van de aarde en de mensheid.
Is het altijd nodig dat iets uiterlijks wordt voortgebracht?
Gebeurtenissen als het recente Parlement van de Religies van de Wereld
en de andere interreligieuze en oecumenische bijeenkomsten vertegenwoordigen
het verwarmen van de wateren van menselijk begrip tot de verwezenlijking
van universele broederschap. Iedere bijeenkomst, groot of klein, is
als een luchtbel in een vat met water. De hitte is in dit geval het
vuur van broederschap dat is begonnen ons allen te verwarmen. Ondanks
de onrust in de wereld kan het werkelijke kookpunt in evolutionair opzicht
niet al te ver meer weg zijn tenzij we ervoor kiezen de vlam te doven.
Noten
- Voor een verslag van het Parlement van 1893 en de
interreligieuze beweging en details over deze organisaties, zie Pilgrimage
of Hope – One Hundred Years of Interfaith Dialogue door
Marcus Braybrooke, The Crossroad Publishing Company, New York, 1992;
384 bladzijden, bijlage, aantekeningen, indexen; ISBN 08245-0949-8,
gebonden.
- De recente encycliek van Paus Johannes Paulus II bestemd
voor de 900 miljoen leden van de kerk stelt wederom dat de kerk de
enige authentieke vertolker is van het woord van God ‘of het
nu is geschreven of overgeleverd’. Los Angeles Times,
6 oktober 1993, blz. A1,7.
- Zie Sunrise, sep/okt 1989, blz. 166-8; jul/aug
1990, blz. 107-17.