Uit The Voice of the Soul, afd. 1. (ingekort)
Wat spreekt of leert men toch weinig over het zieleleven en het feit
dat de mens daarmee volstrekt te vereenzelvigen is! Voor de meeste mensen
is de ziel iets dat losstaat van henzelf, iets waar men alleen bij bepaalde
gelegenheden over kan praten en op kan vertrouwen: in het dagelijks
leven is er geen echte omgang, geen nauwe band tussen het verstand en
de ziel van de mens. Maar in ieder mens is een goddelijke kracht en
wanneer dat goddelijke, dat zijn ware zelf is, door het verstand wordt
erkend en begrepen, gaat het een heel actieve rol spelen in het leven
van de mens – eigenlijk moet het op zijn minst de helft van zijn
gedachtenleven vullen. Als we deze zienswijze van het één
zijn van de mens met zijn ziel ten volle delen, laten we de gewone manier
van denken achter ons en komen we op een nieuwe weg, waarop we over
het onkenbare, het schijnbaar onmogelijke, durven na te denken. Doen
we dit, dan brengen we de ziel tot werkzaamheid.
Volgens mijn levensbeschouwing is elk normaal kind bij de geboorte
als het ware gehuld en gewikkeld in zielekrachten en daardoor beschermd.
We moeten niet aan de ziel denken als iets dat losstaat van onszelf,
als iets dat in een speciaal vakje in onze hersens of in onze gedachten
zit, want telkens als er door de werking van die heilige en prachtige
natuurwetten die de mens nog niet begrijpt, een kind wordt geboren,
krijgt het de geestelijke steun, de geestelijke hulp, de goddelijke
bescherming van de ziel. En als men goed begrijpt wat het kind is, zal
dit geestelijke deel minstens zo volledig worden erkend als het stoffelijke
deel.
De ziel van de mens probeert zich te uiten vanaf de tijd van haar lichamelijke
incarnatie. Ze kent haar geboorterechten, ze weet meer dan schijnbaar
het geval is. Maar ze wordt de wereld ingedreven onder heel ongunstige
omstandigheden en het kind wordt gevoed, verzorgd, gekoesterd en grootgebracht
als een stoffelijk wezen en weinig meer, met de vage mogelijkheid dat
het op de een of andere manier ergens een toekomstig leven zal krijgen.
Maar we zijn op een heilige en goddelijke manier voor dit leven samengesteld
en gevormd en alleen als we het leven van onze kinderen begrijpen en
hen benaderen en bereiken vanuit het standpunt van geestelijke kennis,
kan de ziel spreken.
Voor mij is een van de mooiste ervaringen in het leven zich terugtrekken
in het innerlijk heiligdom van iemands wezen, weg van alle drukte en
zogenaamde verlokkingen van het uiterlijke bestaan en in de stilte te
luisteren naar de stem van de ziel, haar smekingen te horen, haar kracht
te kennen. Volgens de leringen van de theosofie zijn we van nature religieuze
wezens en is het zieleleven een essentieel deel van onszelf –
de werkelijke, eeuwige mens. De rest van de mens sterft als het lichaam
sterft, ook het brein waarop we allemaal zozeer vertrouwen en waarop
we ons inderdaad in hoge mate moeten verlaten. Alle mentale functies,
ook het persoonlijke geheugen, sterven bij de dood van de stoffelijke
mens. Maar de werkelijke mens, de geestelijke mens, leeft eeuwig.
Laten we toch zo verstandig en verlicht zijn om te geloven dat we iets
meer zijn dan we schijnen en dat er in het prachtige universele levensplan
een grootse bestemming ligt waarin we heel actief moeten zijn, waarin
we moeten leven en werken, volledig bewust van onze eigen essentiële
goddelijke aard. Het geloof in de eigen goddelijke eigenschappen, de
kracht om alle moeilijkheden te overwinnen en zich niet door de omstandigheden
te laten beheersen – vooral niet door het onredelijke en sombere
beeld van de dood, waar zoveel mensen aan vasthouden – is voor
een mens een van de grootste geheimen van het leven.
Iedereen ontwikkelt zich overeenkomstig zijn begrip van de werkelijkheden
van de natuur en volgens zijn opvoeding en zijn milieu; iedereen leert
dus op zijn eigen manier, die verschilt van die van ieder ander, omdat
er geen twee bestaan die zich in gelijke mate hebben ontwikkeld. De
schoonheid van reïncarnatie is dat ze iedereen een nieuwe kans
geeft. Het is een van de helderste en mooiste leringen die ik ooit iemand
heb kunnen voorleggen, zelfs aan veroordeelden in de gevangenis: ja,
er is een nieuwe kans voor allen.
Wees bereid te strijden, als er strijd is; wees bereid teleurgesteld
te worden, wees bereid te lijden en wees bereid verkeerd te worden begrepen
– alles in de wereld dat u de kans geeft al het persoonlijke af
te leggen en u het inzicht te brengen dat zielekracht het enige is dat
het leven leefbaar maakt. We behoeven alleen maar wat dieper na te denken
en iets verder te zien, weg van onze persoonlijkheid, om ons bewust
te worden van de grootheid van het leven en ons nauwer verbonden te
voelen met de grotere mogelijkheden in onze eigen natuur en van een
hoger peil van oprechtheid. Meer dan iets anders is daaraan behoefte
om de mensheid op te wekken tot dieper nadenken en tot het besef dat
de mens in wezen een machtig schepsel is; dat de mens, met al zijn mogelijkheden,
met alles wat de natuur hem heeft gegeven en met alles wat in de ziel
besloten ligt, voortdurend rijke gaven worden verschaft.
In geestelijke zin onderschat de mens zich. Hij onderschat zijn verantwoordelijkheden
en is daardoor sterk geneigd zijn naasten te onderschatten. Als hij
daarentegen begint zijn innerlijk leven en de geestelijke kant van zijn
wezen op de juiste waarde te taxeren, zal hij beslist die eigenschap
van zijn natuur ontwikkelen die hem gewetensvoller over zijn naasten
zal doen denken. Als we deze lijn doortrekken zien we dat we aan een
groots plan werken van rechtvaardigheid voor alle mensen jegens elkaar
en krijgen we enig idee van de schitterende beloften die in elk moment
van ons leven geschreven staan.
Als we allemaal leefden vanuit het bewustzijn en de overtuiging van
onze eigen grote mogelijkheden, zouden we beseffen dat we zielen zijn
en dat ook wij goddelijke voorrechten genieten die ver uitgaan boven
alles waarvan we weten of waaraan we zelfs kunnen denken. Maar we schuiven
ze opzij, omdat ze voor ons beperkte persoonlijke zelf niet aanvaardbaar
zijn. Ze passen niet in onze vooropgezette ideeën. Dus vergeten
we dat we deel uitmaken van het goddelijke plan van het leven en dat
de zin van het leven heilig en gewijd is: we laten ons meeslepen in
de maalstroom van misverstanden, verkeerde opvattingen, twijfel, ongeluk
en wanhoop.
Zoeken we niet naar iets beters dan we nu hebben? Bent u tevreden met
het leven zoals het nu is? Bent u bereid steeds maar voort te gaan,
kinderen in onwetendheid geboren te zien worden, onverstandige huwelijken
en tragische echtscheidingen, en moorden en onnoemelijke misdrijven,
die zelfs tot aan de drempel van uw eigen huis komen en u dan nog niet
tot die hogere wetten te wenden om meer kennis? Er ontbreekt stellig
iets en aan dat ontbrekende kunnen we allemaal wat doen als we voldoende
moed kunnen opbrengen te geloven dat we iets meer zijn dan we alleen
in het stoffelijke aspect schijnen; dat we een deel zijn van het goddelijke
levensplan; dat we die latente krachten in ons hebben waarop Jezus doelde
toen hij ons zei dat het koninkrijk binnenin ons is.
Misschien vangt u zo nu en dan in uw eigen geesteshouding een glimp
op van een oplossing van de levensproblemen, misschien een zwak vermoeden
ervan in uw eigen hart, maar de wereld ziet niet als doel – volgens
onze tegenwoordige vorm van zogenaamde beschaving – dat u geestelijk
moet groeien. De opvatting die nu algemeen geldt is dat de mens zwak
is, weifelend en geen geestelijke grondslag heeft waarop hij kan werken.
Al is het waar dat we allemaal onderworpen zijn aan de wetten van verandering
in de evolutie, toch is het leven een geweldige uitdaging als men weet
hoe ermee om te gaan. De gedachte dat de mens in zonde is geboren en
hulpeloos is, is onzin; daar zit niets redelijks in. Integendeel, de
mens is in wezen goddelijk, hij is een deel van het eeuwige plan en
heeft de sleutel in zich tot de mysteriën van het universum en
daardoor van zijn eigen natuur. Als hij die niet bewust bezit, moet
hij ernaar zoeken.
De stem van de ziel probeert zich te doen horen in de buitenwereld
opdat de mens tot erkenning komt van de ware geest van broederschap,
die geestelijke eenheid die ons toebehoort. Ik ben volkomen overtuigd
van het wezenlijk goddelijke in de mens, van zijn vermogen de omstandigheden
te beheersen en de hele wereld te vernieuwen. Leer uw wezenlijke, goddelijke
aard kennen, uw kracht en uw ware doelstellingen, uw hoop en uw visies.
De wil die van een mens een goed mens maakt en deze dingen verwezenlijkt,
is de geestelijke wil, terwijl de wil die hem doet verdwalen, de wil
van de persoonlijkheid is, alleen van het lichaam, en die sterft als
het lichaam sterft.
De grote schoonheid en bekoring van het leven is kennis te bezitten
– niet alleen maar vertrouwen en geloof. Al onze teleurstellingen
en beproevingen en ogenschijnlijke onrechtvaardigheden zullen niet onmiddellijk
verdwijnen, want voor de meeste hebben wij zelf de grondslag gelegd;
maar ze kunnen zo goed worden begrepen en we kunnen ze zo verstandig
aanpakken dat we erboven staan, er bovenuit stijgen, om de rijkere en
diepere zin van ons leven aan de wereld kenbaar te maken.
Het is machtig te weten dat er wetten zijn, zo oneindig en goddelijk
zuiver en rechtvaardig, dat als we er ons voor openstellen, we een nieuwe
gedachtenwereld kunnen binnengaan; en als we ontmoedigd of wanhopig
zijn, kunnen we ons leven van een koninklijk optimisme vervullen, want
we kunnen de grootsheid, de schoonheid, de zegen en bovenal de verheven
rechtvaardigheid van het leven beseffen. We kunnen in ons eigen hart
zien en teruggrijpen op de aspiraties van onze jeugd, toen we probeerden
enkele van die grootse dingen te doen waarvoor het aardse leven ons
de gelegenheid biedt en we laten de beperkte opvatting van één
kort leven op aarde achter ons en we zien het visioen van een nieuwe
kans, opnieuw een kans in zich herhalende incarnaties.
In diepere zin bestaat er niet zoiets als toeval in het leven, maar
is alles een deel van de universele wetten. Voorzover we besluiten met
ze mee te werken, eraan vast te houden, al zien we ze niet, voelen we
ze in ons diepste wezen, in ons hart, en schijnt het licht ervan door
onze ogen. Zo werken we in harmonie met de goddelijke eigenschappen
in ons en doen we het grote wiel van de evolutie sneller wentelen naar
het doel van de uiteindelijke vervolmaking. De mens is meer dan de meesten
van ons ooit dromen te zijn en de goddelijke eigenschappen van de mens
proberen elk uur dat we leven zich kenbaar te maken, bijna met elke
ademtocht. Maar de meeste mensen hebben zolang alleen vertrouwd op het
verstand dat geestelijke kennis grotendeels werd genegeerd.
Het menselijk verstand is inderdaad een verbazingwekkend vermogen.
Als het op de juiste manier wordt gebruikt kan het een gids en een hulp
zijn; maar het is niet het hoogste deel van de menselijke natuur. Als
dat hogere deel het denken doordringt met die intuïtieve ingevingen
waardoor ware mannen en vrouwen zich onderscheiden van de gemiddelde
mens, brengt dat vreugde in het leven en vervangt het de parodie op
het echte leven die we allemaal om ons heen zien. Dan kan men spreken
over de ziel van de mens. Dan kan men weten hoe mooi, hoe verheven,
hoe groots de geestelijke dingen in het leven werkelijk zijn. Dan beseft
men dat, net zoals de dag van vandaag een ervaring is en die van morgen
een nieuwe ervaring, ook een mensenleven maar één ervaring
is in de ontwikkeling van de ziel van de mens naar vervolmaking. Het
is niet het enige; er zijn er meer en meer en nog meer. Zo gaat de ziel
vooruit, wordt sterk, wordt krachtig en verwerft tenslotte het vooruitziende
vermogen om haar eigen lot te sturen. Als een mens zijn voeten stevig
op het pad van zelfgeleide evolutie plaatst en gelooft in de eeuwige
waarheden die het leven vreugdevol maken, die het leven vredig maken,
die het leven machtig en rechtvaardig maken, dan zal hij beginnen de
stem van de ziel te horen.