Enkele van de oudste versies van de wereldgeschiedenis en van de annalen
van de mens zijn te vinden in de hindoe Veda’s en hun Noorse equivalent,
de Edda’s. Beide gaan terug op een bron, die zo oud is, dat niemand
kan beweren te weten, wanneer zij zijn ontstaan. Het enige waar we zeker
van kunnen zijn is, dat de wijsheid, die ze bevatten al oud was toen
onze huidige mensheid jong was en dat ze jong zullen zijn wanneer ons
menselijk ras niet langer is zoals wij het kennen. Ze handelen over
onderwerpen met een universele strekking, die wat ouderdom en inspiratie
betreft eeuwig zijn, en zijn overgeleverd van generatie op generatie
gedurende een onnoemelijk aantal eeuwen voordat iemand ze opschreef
om ze voor de toekomst te behouden. Ze stammen waarschijnlijk uit een
verre prehistorische tijd toen de goden zich onder de mensen begaven
en hun jongere broeders leerden hoe te leven op deze planeet, hoe gebruik
te maken van de grondstoffen van de aarde om voedsel, gereedschappen
en andere voorwerpen te produceren, en hen tevens leerden wat hun doel
is: wezens te helpen in hun evolutie. Communicatie tussen goden en mensen
vond toen plaats door natuurlijke omgang, die niet afhankelijk was van
een gecodificeerde taal, maar die gedachten en intuïties overbracht,
die geleidelijk werden opgenomen in wat we tegenwoordig mythologie noemen.
Mythologie is in feite een soort taal, niet bestaande uit geluiden
en lettertekens, maar uit ideeën, die van geest tot geest worden
overgebracht door middel van symbolen die in de loop van de tijd vertrouwd
raakten en werden onthouden. Dit maakt het mogelijk om indrukken op
vele verschillende manieren over te brengen, wat het grote aantal mythische
verhalen verklaart, die dezelfde diepzinnige waarheid bevatten maar
verschillen in de weergave. Drie factoren zijn nodig: het idee, dat
moet worden overgebracht, de middelen om dit idee over te brengen en
een begrijpende geest om het te ontvangen en te interpreteren.
Alle mythologieën verhalen hoe werelden werden geboren, hoe het
mensenras begon, en verkondigen iets over onze taak in het heelal. In
het algemeen worden deze onderwerpen behandeld in cryptische bewoordingen,
die niet gemakkelijk te begrijpen zijn, omdat veel zaken te heilig zijn
om gemakkelijk ontdekt te worden, opdat ze niet worden ontheiligd.
Laten we twee bekende mythen vergelijken: in Genesis werd de mens gemaakt
naar ‘het evenbeeld van de goden [elohim]’ – iets
dat gedurende eeuwen onopgemerkt bleef, hetgeen Jezus ertoe bracht om
hieraan te herinneren: ‘Is er niet geschreven in uw wet: ‘Ik
heb gezegd: Gij zijt goden?” (Johannes 10:34). Dit wordt bevestigd
door andere geschriften en heilige tradities. Juist de universaliteit
van het idee verleent geloofwaardigheid aan de gedachte, dat de mensheid
inderdaad een goddelijk product is, met alle verantwoordelijkheid, die
een dergelijke afkomst met zich meebrengt.
Volgens de sibillijnse profetie in de oudere (poëtische) Edda
had het menselijke ras slechts het stadium van een dromerig, vegeterend
bestaan bereikt toen de goden ‘omkeken en hun netelige positie
zagen’. Hen aantreffend als es en els aan de kust, waar land en
water elkaar ontmoeten, kregen Odin (de essentie van lucht: geest) en
zijn broers Lodur (essentie van vuur) en Höner (essentie van water:
vloeibaarheid) medelijden met hen, omdat ‘zij weinig kracht hadden
en onbestemd waren’ en zij schonken hen hun eigen goddelijke attributen.
Odin gaf hen adem (geest), Lodur hartstocht en wil (vuur, lichaamswarmte),
Höner de stroom van een geest die onophoudelijk in beweging is.
Deze goddelijke krachten, gevoegd bij de al in de bomen aanwezige fysieke,
astrale en vitale kracht, maakten deze vroege prototypen geschikt om
hun lot in eigen handen te nemen. Iedere levensvorm geeft voorzover
hij kan uitdrukking aan de hoogste essentie van het bestaan, diep verscholen
in deze zesvoudige combinatie, waarnaar veel religies verwijzen met
de term God.
De nieuwe mensheid werd geholpen door de goden om de goddelijke gaven,
die zij had ontvangen op te wekken en te gebruiken. De neerdaling van
solaire en planetaire geest en intelligentie vanuit hogere regionen
in menselijke gedaanten vond in verschillende stadia plaats. Het eerste
ontwaken ontstond toen de goden eerst een goddelijke straal uitzonden
om de vroege mensheid te bezoeken. Dit staat in de Edda beschreven als
‘toen de krachtige, volwassen, wijze Ase (god), de machtige, mannelijke,
rondzwervende Rig langs groene lanen schreed’ en bij de hut kwam
waar Overgrootvader en Overgrootmoeder woonden. Hun deur was gesloten,
maar hij ging de schuur binnen en deze voorouders van de eerste mensheid
onderhielden de god zo goed als in hun vermogen lag. Hij liet zijn zaad
bij hen achter, waaruit in de loop van de eeuwen een geslacht van ruwe,
primitieve mensen voortkwam.
Opnieuw daalde de god neer. Hij bezocht Grootvader en Grootmoeder in
hun rustieke huisje, waarvan de deur op een kier stond. Zij onthaalden
hem met het beste, dat zij konden bemachtigen: smakelijk voedsel, mooi
opgediend. Uit het zaad, dat hij bij hen achterliet groeiden hun nakomelingen
– een bekwaam, ijverig en vriendelijk ras van boeren en eenvoudige
lieden.
Een derde keer kwam Rig naar de aarde terug, deze keer om Vader en
Moeder in een goed gebouwd huis aan te treffen, waarvan de deur gastvrij
openstond. Na dit bezoek waren de halfgoddelijke nakomelingen dapper,
gedroegen ze zich nobel en wijdden zich aan edele doelen. De eerstgeboren
zoon werd Jarl (graaf) genoemd; wijs en edelmoedig, verstond hij vogelgezang
en de stemmen van de natuur.
Nog eenmaal kwam Rig terug op aarde, onderwees en oefende de jongen
totdat hij wedijverde met zijn goddelijke vader en ‘het beter
deed’. Hij was toen klaar om de menselijke reis naar het godendom
te ondernemen, om inderdaad een maker van een god te worden. Jarl trouwde
met een meisje, dat net zo edelmoedig was als hij, en zij stonden aan
het hoofd van een goed en aantrekkelijk geslacht. De jongste zoon was
Kon (koning). ‘Kon, de jonge, kende runen, eeuwige runen en tijdeloze
runen. Machtig was hij om mensen te redden, en zwaarden en aanzwellende
zeeën te trotseren.’
Dat is onze erfenis, driemaal goddelijk verwekte mensen. We moeten
opnieuw de geheimen van vogelgezang leren – de stemmen van de
natuur gaan begrijpen en ernaar luisteren – en we zijn nog steeds
ver verwijderd van het bedwingen van zwaarden en het beheersen van de
kracht van de golven. Als menselijke troetelkinderen van de goden, die
zelf-bewustzijn en het vermogen om te kiezen hebben ontvangen, werden
we weerspannig en weigerden om te worden geleid door onze goddelijke
mentoren, die zich daarop uit ons gezichtsveld terugtrokken, ons achterlatend
om te groeien en te evolueren uit eigen kracht, zoals we ook moeten.
Veel fouten zijn gemaakt door de nieuwe mensheid en we moesten lijden
en leren van onze misstappen. We werden echter nooit helemaal in de
steek gelaten. Wij zijn de dragers en bewakers van de essentie van de
goden; en zij zijn nooit opgehouden om hun menselijke nakomelingen,
die verschillende wegen bewandelen naar hun eigen hoge staat van wording,
te inspireren en aan te moedigen.
Rig vertegenwoordigt dat “wonderlijke Wezen’, neergedaald
uit een verheven gebied’1, dat
onze halfgoddelijke voorouders onderwees. Wij zijn hun nageslacht en
zijn op weg naar een onuitsprekelijk verheven bestemming, terwijl we
door de eeuwen heen de eigenschappen van de goddelijke natuur in onszelf
doen ontwaken, totdat we, in een ver verwijderde toekomst, in staat
zullen zijn onze plaats in te nemen als leiders van planeten en te zijner
tijd zelfs van meer verheven sterrenstelsels.
Het is vergeefse moeite in woorden te omschrijven wat een entiteit
is, want niets is statisch in de oneindige ruimte noch in de minuscule
subatomaire werelden. Men kan een wezen slechts zien als een gebeurtenis,
als een stroom, hetzij onmetelijk groot hetzij oneindig klein. De grote
galactische superclusters bewegen in hun eigen majestueuze tempo, de
subatomaire quarks met duizelingwekkende snelheid. We staan altijd in
het middelpunt van ons gezichtsveld, omgeven door wat uitersten lijken,
die we nooit kunnen bevatten.
Een vaag begrip ontwaakt in het hart van de mens van vandaag, nu de
huidige belichaamde vertegenwoordigers van de menselijke levensgolf
zoeken naar waarheid. Er zijn evenveel wegen als zoekers, maar deze
vallen ruwweg onder één van drie categorieën. De
eerste weg is nieuwsgierigheid: velen worden aangetrokken door alles
wat buiten het normale valt, zoeken naar mirakels en wonderen, iets
dat iedere grote religieuze leraar als oppervlakkig en van ondergeschikt
belang beschouwt. De christen Jezus verzekerde zijn volgelingen dat
zij de werken, die hij deed, ook zouden doen, en grotere nog dan deze,
niet als een hoofdzaak, maar als een bijproduct van meer essentiële
aangelegenheden.
De tweede weg is het zoeken naar kennis. Grote aantallen mensen geloven
oprecht, dat kennis hetzelfde is als begrip, maar dit is niet noodzakelijk
het geval. Voordat kennis wijsheid wordt, is er een lange weg van groeiend
begrip te gaan.
De derde manier zullen maar weinigen volgen, omdat deze het opgaan
van de ego-persoonlijkheid in het grotere Zelf inhoudt, dat de wortel
en grondslag van ons wezen is. Het volgen van dit pad betekent uitbreiding
van het zelf-bewustzijn tot het ALLES omvat en bevat, waarbij we de
wereld om ons heen omhelzen met de onvoorwaardelijke liefde, die ongevraagd
opwelt uit het hart van het Zijn, niet selectief met een voorkeur voor
wat goed en beminnelijk is, maar onpersoonlijk, zoals de zon zijn substantie
kwistig uitstraalt om de onder zijn hoede vallende levens te onderhouden,
waarbij hij iedere evoluerende ziel karmisch alle gelegenheid biedt
voor groei naar een edeler bestemming. Op dit pad gaat het zelf op in
het grotere Zelf en krijgt plicht een grootsere betekenis.
De Edda beschrijft de plicht van Odins krijgers, de Eén-jagers,
van wie elk de leiding heeftover één – zijn eigen
ziel – terwijl hij de materialen verschaft voor de bouw van Walhalla
(de Hal van de Uitverkorenen). Om die heilige plaats te bereiken moet
hij eerst de rivier Tijd oversteken, terwijl hij de aardse verlangens
ontwijkt (de verlokkingen van de weerwolf, die in de stroom vist naar
mensen) en ook de rivier Twijfel, voordat hij de oever bereikt, waarop
‘de Hal van de Uitverkorenen glinstert als goud in Vreugdeland’.
Hij moet de honden Hebzucht en Gulzigheid overwinnen en afstand doen
van alle wapens, zowel aanvals- als verdedigingswapens: de speren van
de krijger worden gebruikt om de muren van de hal te bouwen, terwijl
hun schilden dienen als dak. De held moet de wolf van beestachtige neigingen
en de adelaar van trots hebben overwonnen en ze vastspietsen boven de
deur van de heilige tempel om te voorkomen, dat zij deze zullen binnendringen.
Eenmaal binnen legt hij zijn gehele persoonlijke wapenrusting af, waarbij
hij volledig weerloos is en volkomen vertrouwt op zijn zuiverheid en
op de karmische wet (Örlog).
Aan Odins tafel worden de krijgers onthaald met de drank der bardenwijsheid
en gevoed met de drie wilde zwijnen, die aardse ervaring symboliseren:
‘De geest laat het verstand onderdompelen in
wil en begeerte’, en blijft toch onbewogen en
puur. Dagelijks komt het mystieke aantal Eén-jagers tevoorschijn
uit de Hal van de Uitverkorenen om op het Veld van Inwijding de oorlog
te voeren, waarin de mensheid is gewikkeld, en ’s nachts worden
ze door de walkuren, de uitkiezers van de gesneuvelde helden, gebracht
om hun dapperheid te vieren en om te feesten in Odins heilige Hal. Tussen
de feestvierders zijn de zielen van gewone mensen, die dit banket van
de goden bijwonen, ofschoon onbewust, want zij zijn diep in slaap en
dromen hun hemelse dromen in de tijd tussen hun aardse levens. Alleen
degenen, die vrijwillig op zich nemen om de goden te helpen met hun
dagelijkse taak kunnen bewust iets nemen van het voedsel van onsterfelijkheid
en Odin toedrinken als Nikar (de belasterde) – die de beproevingen
en ongelukken van de ego’s teweegbrengt, die ernaar streven om
ego-loos te worden.
De krijgers van Odin zijn de voorlopers, die de langzame gang van menselijke
evolutie naar een hoger koninkrijk van levens zijn voorbijgestreefd.
De rest van ons zal te zijner tijd in staat zijn om te helpen bij hun
zware taak, want ook wij zijn makers van goden, zielen die nog steeds
zoeken naar onze ‘slapende’ walkure in de diepten van onszelf.
Wanneer we haar vinden en haar ‘laten ontwaken’ zullen we
door haar invloed, ons hogere Zelf worden geleid in alles wat we ondernemen.
We zullen dan werkelijk makers van goden worden, die we potentieel zijn.
Noot
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 1:235.