Reïncarnatie intrigeert de mensen. Het is alsof hun
ziel iets weet dat hun verstand niet geheel begrijpt. Maar het bewijs
is een kwestie van persoonlijke overtuiging. Toen ik voor het eerst
over reïncarnatie hoorde spreken wist ik dat het waar was. Het
beantwoordde heel kwellende vragen: Waarom worden sommige kinderen geboren
voor een leven van armoede en misbruik, terwijl anderen alle voordelen
genieten? Waarom maken goede en fatsoenlijke mensen zo’n moeilijke
tijd door? Hoe kan een liefhebbende God zo wreed, zo onrechtvaardig
zijn? Ik maakte me zorgen over de dood: Is die het absolute einde? Zijn
hemel en hel eeuwig? Zijn ongelovigen voor altijd verdoemd?
Het denkbeeld dat we eerder hebben geleefd en vele keren
zullen leven, maakte een eind aan mijn nachtmerries. De verklaring dat
we zijn wat we zijn en waar we zijn, als gevolg van onze gedachten en
daden in het verleden, was zinvol, en gaf mij de overtuiging dat er
in het leven rechtvaardigheid is en dat het een doel heeft. Ik begon
te beseffen dat de omstandigheden waarin mensen zich bevinden, kansen
zijn om te groeien, om begrip te ontwikkelen en hun leven te verbeteren.
Henry Ford geloofde in reïncarnatie:
Toen ik reïncarnatie
ontdekte, was het alsof ik een universeel plan had gevonden. Ik besefte
dat er een kans was om mijn ideeën uit te werken. De tijd was
niet langer beperkt. Ik was niet langer een slaaf van de wijzers van
de klok. Er was tijd genoeg om plannen te maken en te scheppen.
We hebben allemaal herinneringen aan vroegere levens,
hoe vaag ook. Vaak hebben we het gevoel getuige te zijn geweest van
een tafereel of een moment te hebben beleefd in een vorig bestaan.
Maar daar gaat het niet om; de essentie, de hoofdinhoud, de gevolgen
van ervaring zijn van waarde en blijven ons bij.1
Deze ‘gevolgen’ worden een deel van onze geest;
Krishna spreekt hierover in de Bhagavad-Gita (2.11-13):
Zij die wijs
zijn in geestelijke zaken treuren noch over de doden, noch over de
levenden. Nimmer was ik niet, noch u, noch al de vorsten van deze
aarde; noch zullen wij hierna ooit ophouden te zijn. Zoals de heer
van dit sterfelijk omhulsel daarin de kinderjaren, de jeugd en ouderdom
ervaart, zo zal dit ook in toekomstige incarnaties gebeuren.2
Krishna spreekt hier als het zelf of de geest in ieder
individu, die een aantal zielen en lichamen gebruikt om zich tot uitdrukking
te brengen. Het is belangwekkend dat elk van deze lichamen, zielen en
geesten zijn eigen evolutie heeft door middel van herhaalde belichamingen.
Wanneer we de processen onderzoeken die hierbij een rol spelen, worden
we ons bewust van verschillende aspecten van reïncarnatie.
Neem ons lichaam: dit verbazend ingewikkelde organisme
bestaat uit ontelbare levende en evoluerende wezens, die worden bijeengehouden,
geleid en gebruikt door zowel een overheersende ziel als een geestelijke
overschaduwende intelligentie. Bij de dood, wanneer ziel en geest zich
terugtrekken, verspreiden de verschillende elementen zich en belichamen
zich opnieuw in die organismen die deze aantrekken.
Bij de mens is het bewustzijn geconcentreerd in onze reïncarnerende
ego, en dat ego is het voertuig om ons goddelijk en geestelijk zelf
tot uitdrukking te brengen. De drie delen van onze constitutie –
ons lichaam, opgebouwd uit astrale-vitale-fysieke bestanddelen; onze
menselijke ziel, die bestaat uit mentale en emotionele elementen; en
onze onsterfelijke geest – werken en evolueren samen tijdens ons
verblijf op aarde. Die evolutie bestaat op dit moment uit het ontvouwen
en zuiveren van onze gedachten en gevoelens, zodat we onze spirituele
eigenschappen van mededogen, intelligentie, verbeeldingskracht en wilskracht
beter tot uitdrukking kunnen brengen. Als we dit overdenken, beginnen
we te begrijpen hoe belangrijk elk leven is en hoe de lessen die we
leren en het goede dat we doen ons verrijken en bijdragen tot de vooruitgang
van ieder deel van onszelf.
Ik vraag me af of zij die niet willen terugkeren enig
idee hebben van wat dat zou betekenen? Maar waarom willen zij niet terugkomen?
Zien ze er tegenop om opnieuw in deze koude, wrede, gewelddadige wereld
te worden geboren? Of komt het omdat ze zich door problemen overstelpt
voelen? Zelfs een oppervlakkige studie van karma en reïncarnatie
helpt ons in te zien, dat onze problemen en die van de wereld door onszelf
werden geschapen, en alleen door onszelf kunnen worden opgelost. Als
we zijn gedompeld in onze moeilijkheden, zijn we ook gedompeld in de
oplossingen ervan, als we het maar konden inzien. Wanneer een mens ernaar
streeft de verantwoordelijkheid voor zijn leven op zich te nemen, wordt
hij zich in toenemende mate bewust van de consequenties van zijn motieven
en daden en voelt hij zich genoopt wat zelfzuchtig en onvriendelijk
is te veranderen in wat goed is voor allen.
Verandering is iets waar we zeker van kunnen zijn: niets
staat stil. Bedenk eens hoe wij veranderen in onze verschijning, persoonlijkheid,
levensopvatting, omvang en vorm. Na de dood zetten de veranderingen
zich voort: wanneer we terugkomen zal onze ziel zijn verruimd, veranderd
door de integratie van onze levenservaringen en onze geestelijke aspiraties.
Natuurlijk zijn veel van onze huidige problemen en verlokkingen de karmische
gevolgen van geschillen, die aan het eind van ons vorig leven onopgelost
zijn gebleven. Maar nu, dankzij de zegen van de vergetelheid, zijn we
vrij van emotionele betrokkenheid en beter in staat zulke verstoringen
uit de weg te ruimen. Oliver Wendell Holmes verwoordde deze gedachte
van de vooruitgang van de ziel in zijn gedicht ‘The Chambered
Nautilus’ (De gekerkerde nautilus):
Bouw u statiger woningen, O mijn ziel!
In de snelle gang der seizoenen!
Verlaat uw laag gewelfd verleden!
Laat iedere tempel, edeler dan de vorige,
U van de hemel scheiden met een grootser koepel,
Tot u tenslotte vrij zult zijn,
En u de schelp, die u ontgroeide, achterlaat aan ’s levens rusteloze
zee!
(proza-vertaling)
Wat te zeggen van mensen die bang zijn om als iemand anders
terug te komen? Dat is niet mogelijk. We zijn onszelf – voor altijd.
Wanneer een incarnerende ziel naar de aarde terugkeert, wordt ze aangetrokken
tot ouders en een gezin met vergelijkbare karaktertrekken en vermogens.
Het embryo ontleent dan aan het genenreservoir van zijn ouders de eigenschappen
die bij hem horen, ongeacht of ze op die van een familielid lijken of
niet. Hierdoor zullen we in ons volgend leven veel lijken op wat we
nu zijn, maar verrijkt en gelouterd door de lessen die we nu leren.
Verfrist door onze ervaringen na de dood, komen we terug, gereed en
in staat om verder te gaan waar we waren gebleven, en om het hoofd te
bieden aan de uitdagingen die ons zullen helpen ons geestelijk potentieel
te ontplooien. Benjamin Franklin bracht dit in zijn grafschrift duidelijk
onder woorden:
Hier ligt het lichaam van B. Franklin
Drukker
Als de band van een oud boek
Zijn inhoud eruit gescheurd
En
Ontdaan van zijn titel en verguldsel,
Voedsel voor de wormen,
Maar het werk zal niet verloren gaan
Want het zal, zo geloofde hij,
Opnieuw verschijnen
In een nieuwe en smaakvollere editie
Herzien en gecorrigeerd
Door de schrijver.3
Deze ‘terugkeer’ naar het leven op aarde vindt
sneller plaats bij degenen die weinig psychologisch karma hebben gemaakt,
of gebeurt later bij hen die verder ontwikkeld en spiritueler zijn en
tijd nodig hebben om hun geestelijke aspiraties te assimileren.
Men hoeft niet bezorgd te zijn om als een dier te zullen
terugkeren: ook dat is niet mogelijk.4
Wanneer we eenmaal zelfbewustzijn hebben ontwikkeld, kunnen we niet
meer terug. Dit idee ontstond doordat men beeldspraak letterlijk opvatte.
Zoals in het geval van de Amerikaanse Indiaan: toen hij zei dat hij
een wolf of een arend of een mol zou worden, bedoelde hij niet dat hij
dat dier zou worden. Hij bedoelde dat hij even slim zou worden en een
even sterke familieband zou hebben als een wolf, even verziend als een
arend zou worden, of even dichtbij de aarde als een mol zou zijn om
haar geheimen te doorgronden. Mensen kunnen niet tot dieren terugvallen;
dieren kunnen niet van de ene dag op de andere of na een heel lange
tijd mensen worden.
Er zijn echter voortdurend psychologische en fysieke uitwisselingen
aan de gang. Onze atomen bijvoorbeeld, transmigreren voortdurend: wanneer
we een roos ruiken, naar muziek luisteren, aan een vriend denken of
onze huisdieren liefkozen wisselen we levensdeeltjes en krachten uit.
Voorts ‘migreert’ ook onze ziel van de ene staat of toestand
van bewustzijn naar een andere, van dromen in de slaap naar wakend bewustzijn,
van oppervlakkig denken naar diepe concentratie. En dit zet zich voort
na de dood. Deze uitwisselingen kunnen over en weer weldadig of schadelijk
zijn, afhankelijk van de kwaliteit van de opgewekte energie. Omdat de
wijzen dit weten beschouwen ze het als een plicht te denken en te leven
zonder schade aan te richten en op de meest zachtaardige manier.
Nog een vraag die vaak wordt gesteld: Wat gebeurt er met
dat waarvan ik hield en waarvoor ik werkte? Gaat dat verloren als ik
sterf. Niets gaat verloren. De kennis die we verwerven, de vaardigheden
die we ontwikkelen blijven bestaan gedurende de tussenperiode na onze
dood, en bereiken in toekomstige levens een hoger niveau en komen krachtiger
tot bloei. Plato doelde hierop toen hij verklaarde dat alle kennis en
wijsheid herinneringen aan vorige levens zijn. En naarmate deze nu tot
ontwikkeling komen en zich ontplooien, vormen zich nieuwe persoonlijkheden
om aan de kenmerken en behoeften van onze innerlijke en uiterlijke omstandigheden
uitdrukking te geven. Shakespeare zei hetzelfde toen hij ons eraan herinnerde
dat een acteur in zijn leven veel rollen speelt, zich gedurende enkele
avondvoorstellingen misschien met Hamlet identificeert en deze wordt,
en daarna Macbeth, Koning Richard of Prospero. Evenals de acteur weet
dat hij deze rollen speelt, zo weet ons blijvende zelf dit ook, zelfs
al kan het deze kennis niet naar het tijdelijke ‘masker’
of de persoonlijkheid overbrengen.
En nu de hamvraag: Als we eerder hebben geleefd, waarom
herinneren we ons dit niet? Henry Ford was ervan overtuigd dat we wel
herinneringen aan vroegere levens bewaren, maar omdat we niet vertrouwd
zijn met de reïncarnatieprocessen, kunnen we ze niet herkennen.
Boeddhisten menen dat het karakter de som van ons verleden is. De theosofische
leringen geven een verklaring van deze denkbeelden – ze zeggen
dat de herinnering is opgeslagen in het hogere deel van onze natuur,
waarvan we nu en dan een glimp opvangen en die duidelijk wordt waargenomen
op het tijdstip van de dood. Wanneer we verlost zijn van aardse verwikkelingen,
krijgen we een terugblik op de oorzaken, de onderlinge relaties, het
doel en de rechtvaardigheid van alles wat er in het laatste leven is
gebeurd.
Maar wat te zeggen van mensen die er zeker van zijn dat
ze zich dit herinneren. Of ze taferelen en gebeurtenissen oppikken uit
de astrale atmosfeer van de aarde en zich daarmee identificeren, zoals
fantasierijke schrijvers vaak doen, of dat bijzondere voorvallen uit
een vroegere incarnatie zo onuitwisbaar op hun ziel werden afgedrukt
dat ze zich die wel herinneren, valt moeilijk te zeggen. Theosofische
geschriften verklaren, dat wanneer het leven van een mens eindigt door
geweld, of ‘vóór zijn tijd’ wordt afgesneden,
de ziel kort daarna kan terugkeren om haar evenwicht te herstellen,
waarbij ze enige herinnering aan dat te korte leven bewaart.
Een andere soort ‘herinnering’ is wat de Tibetanen
tulku noemen, wanneer onder bepaalde omstandigheden, een hoge
lama enkele jaren na zijn dood incarneert in het lichaam van iemand
anders. Associated Press bracht het verhaal van de 5-jarige Simon Heh
van Tibetaans-Chinese ouders, die woonde in Victorville, Californië,
en een in dat gebied reizende Tibetaanse monnik herkende als een vriend
uit zijn vorige leven. Verrast, en in de veronderstelling dat het kind
Lobsang Phakpa kon zijn geweest, een bejaarde lama bij wie hij als jongen
had gestudeerd en die in de jaren vijftig in China was gestorven, schreef
de monnik, Geshe Tsepel, de heilige leiders van het klooster waar hij
in India woonde. Omdat hij hun beslissing niet wilde beïnvloeden
noemde Geshe vijf vroegere monniken die als Simon zouden kunnen zijn
gereïncarneerd. Na onderzoek stelden de leiders vast, dat het kind
inderdaad de reïncarnatie was van Lobsang Phakpa. Op 3 januari
1993 werd het jongetje eer bewezen met een oude ceremonie, die ‘het
begin van zijn geestelijke reis om een lama te worden’ markeerde.5
Het is zeker dat alle levende wezens vóór
hun huidige verschijning op aarde hebben bestaan. Origenes, een vroege
kerkvader, verklaarde dat de menselijke ziel al bestond in de geestelijke
wereld binnen de sfeer van het goddelijke, voor zij op aarde incarneerde.
Plato ging nog verder door te verklaren, dat de zielen niet alleen in
het heelal van het zijn bestonden voor ze dit rijk van ervaring binnengaan,
maar dat ze, wanneer ze zijn bevrijd van de banden van de beperkingen
hiervan, terugkeren naar dat vroegere verblijf om te rusten en hun aardse
ervaringen te assimileren. Na een poos gaan ze er opnieuw op uit, versterkt
en gereed om de beproevingen het hoofd te bieden, waardoor ze kennis
van het leven opdoen en visioenen aanschouwen van de hoogten die ze
eens zullen bereiken.6
Hoeveel levens zullen we leven? In Jonathan Livingston
Zeemeeuw7 van Richard Bach geeft
de wijze meeuw uitdrukking aan een opvatting die misschien een stukje
van de waarheid bevat:
Heb jij enig idee
van het aantal levens dat we geleefd hebben, voordat we voor de eerste
keer op de gedachte kwamen dat er meer is dan eten, of vechten, of
de macht hebben in de Vlucht? Duizend levens, Jonnie, misschien wel
tienduizend. En dan nog eens honderd levens om te leren inzien dat
er zoiets bestaat als volmaaktheid, en nog eens honderd om te ontdekken
dat het ons levensdoel is die volmaaktheid te bereiken en uit te dragen.
Datzelfde geldt natuurlijk ook nu voor ons: we kiezen onze volgende
wereld door dat wat we in deze leren. Leer niets en de volgende is
precies hetzelfde als deze, met alle begrenzingen en zware obstakels
die overwonnen moeten worden. – blz.
54
Reïncarnatie is een uitgebreid en diepgaand onderwerp,
een onderwerp dat ons kan helpen onszelf te begrijpen, moeilijke omstandigheden
aan te pakken en de dood zonder vrees onder ogen te zien. Bovendien
geeft het ons het gevoel dat we deel zijn van een kosmisch plan, waarin
alle wezens en alle delen van alle wezens op weg zijn naar gebieden
van steeds grotere vervolmaking.
Noten
- The San Francisco Examiner, 26 aug. 1928.
- Bhagavad-Gita with Essays on the Gita, Theosophical
University Press, hfst. 2, vers 11-13.
- Joseph Head and Sylvia Cranston, Reincarnation: The
Phoenix Fire Mystery, Theosophical University Press, Pasadena,
1994, blz. 270.
- Voor uitgebreide informatie zie ‘Het gelijke
zoekt het gelijke’, Sunrise, Nov./Dec. 1985.
- Pasadena Star News, 6 febr. 1993.
- W. Macneile Dixon, The Human Situation, geciteerd
in Phoenix Fire Mystery, blz. 4.
- Richard Bach, Jonathan Livingston Zeemeeuw,
Strengholt’s Boeken, Naarden, 10de druk, 1983, blz. 54.