Waarneming
David Blaschke

 

Veel mensen verwarren het fysieke zien met kennis. Zij denken niet diep genoeg na om te ontdekken, dat men iets kan zien en het toch niet kent, terwijl men iets kan kennen en het toch niet ziet.

Echte waarneming is ware kennis. Waarneming is het vermogen van de ziel; het is het zien door de hogere intelligentie waarvan de visie nimmer dwaalt.1

Onze waarnemingen van nu vormen de grondslag van de persoon die we zullen worden, en verworven kennis is de kennis die ons ter beschikking zal staan. Waarneming, zoals hier gebruikt, is een bewust iets dat weloverwogen en doelgericht is, zoals de ogenblikkelijke flits van inzicht die we kunnen krijgen wanneer we op een nieuwe manier gericht naar iets kijken. Het wordt een deel van ons. Door ons waarnemingsproces aan te passen zodat we bewust keuzes maken, bevorderen we de ontwikkeling van een betere toekomst. Zelfs wanneer de verandering gering is, kunnen er nieuwe inzichten ontstaan en gecombineerd worden, zodat de resultaten de oorspronkelijke inspanning verre overtreffen. Een scherpere waarneming kan ertoe bijdragen dat onze samengestelde natuur gaat samenwerken met inzicht; en omdat het geheel meer is dan de som van zijn delen, kan door toenemende samenwerking het geheel veel grotere dingen tot stand brengen dan elk deel op zichzelf zou kunnen.

Als we onszelf niet als een enkelvoudige, bewuste entiteit beschouwen, maar als een wanordelijk leger van vele verschillende stemmen, begrijpen we misschien hoe het gebrek aan heelheid de waarneming belemmert, en hoe de verschillende stemmen soms uit gewoonte een eigen leven leiden, los van het geheel. De theosofie gebruikt het beeld van de menselijke constitutie die uit zeven verschillende delen is samengesteld – geestelijk, mentaal, begeerte, enz. – die voor een harmonisch evenwicht alle moeten samenwerken als in een symfonie, waarin elk bijdraagt met zijn eigen stem, op het juiste moment, op de juiste manier, ten behoeve van het geheel. Maar dat gaat alleen op voor een wezen dat zich in deze wereld heeft vervolmaakt. Wij, die nog ‘onvolmaakt’ zijn, gaan niet altijd te werk vanuit een bewust standpunt. We worden bijvoorbeeld niet boos omdat het juist is boos te zijn, maar hebben in plaats daarvan de gewoonte een van onze afzonderlijke stemmen toe te staan zich boos te uiten en in bepaalde situaties te overheersen, in het bijzonder als we moe of overstuur zijn – en veelal zijn we ons niet bewust van het tijdstip waarop dit begint. Een intern conflict tussen de verschillende gewoonten is dan het natuurlijk gevolg, en dit belemmert ons als een innerlijk samenwerkende eenheid te opereren. De begeerte-gewoonte, die boosheid wordt genoemd, komt misschien in conflict met de mentale wens onszelf te beheersen en kalm te blijven. Deze twee stemmen strijden dan voor een voortgezet bestaan door met elkaar te wedijveren om de macht, en omdat ze verband houden met beperkte gezichtspunten, verdraaien ze hun inbreng in het waarnemingsproces. We krijgen een helderder beeld wanneer we vanuit eenheid te werk gaan.

. . . . tussen een sterke wil en de vrije wil is een diepgaand verschil. Een sterke wil is helemaal geen wil, maar de uiting van een abnormaal ontwikkeld afgescheiden zelf – met andere woorden een begeerte. ‘Een sterke wil behaalt een overwinning door middel van een conflict, maar de vrije wil blijft vreedzaam in een burcht die niet kan worden bestormd.’ Een sterke wil is de uiting van een totaal afgescheiden zelf. De vrije wil is de uiting van een Zelf dat met de Wetten van het LEVEN in harmonie is verenigd.2

We kunnen niet werkelijk waarnemen door een sterke wil. Opdat de vrije wil zich in de toekomst manifesteert als inzicht en begrip, is een bewuste aanpassing in het heden noodzakelijk. In tegenstelling tot het fysieke zien en kennen, staat de hoogste vorm van waarnemen te ver van ons af om ons die in te denken, en lijkt op een terugwijkende horizon – er is altijd meer te begrijpen. Maar we kunnen het pad betreden van voortdurende, bewuste pogingen om onze waarnemingen en onze levenswijze te verheffen.

Waarnemen is onderdeel van iedere vorm van observeren, en bij dezelfde observatie kan sprake zijn van veel verschillende manieren van waarnemen. Ook moet het waarnemingsproces passen bij het desbetreffende gebied. Op stoffelijk gebied wordt de aandacht gebruikt om bewust te observeren vanuit de gunstigste positie; men kan dit illustreren met de observaties bij het verrichten van een karwei. De sterke wil, die oordelen heet, kan ons zeggen dat we er niet op gesteld zijn dit karwei te doen, en dus is er weerstand tegen het verrichten daarvan. Wanneer dit wordt geobserveerd, kunnen we ons bewustzijnsniveau verhogen; dit levert de waarneming op dat dit slechts een karwei is dat we zo goed mogelijk willen klaren, waardoor de weerstand, veroorzaakt door het oordeel, afneemt. We gaan dan te werk op een wijze die dichter bij de vrije wil van het geheel staat, omdat onze waarneming niet langer wordt beheerst door de gewoonte-stem die een tegenzin koestert. Hetzelfde geldt voor emotionele, mentale en andere processen. We kunnen onze visie in harmonie brengen met het geheel op elk willekeurig gebied, en zo stap voor stap onze waarnemingen verruimen, waardoor we de gelegenheid krijgen lessen van nog groter belang te leren, en de deur te openen voor een diepere waarneming van onszelf en de wereld om ons heen.

‘Het levensraadsel is te vinden in de actieve functies van een levend organisme, het vermogen deze activiteit werkelijk waar te nemen krijgen we alleen door middel van zelfobservatie en niet via onze uitwendige zintuigen; door onze wil te observeren, voor zover die ons bewustzijn doordringt, en zich aldus onthult aan ons innerlijk zintuig.’3 Zelfobservatie is één stap in de richting van een toename van het waarnemingsvermogen. Dit omvat zowel het uiterlijke als het innerlijke observeren. We kunnen in het begin een glimp opvangen van de wijze waarop het waarnemen werkt door de wisselwerking van deze twee – waardoor onze wil tot uiting komt – te observeren. Het doet er niet toe waar we beginnen, want we kunnen altijd leren meer waar te nemen. Iedereen kan zijn onderscheidingsvermogen vergroten door te observeren hoe onze wil zich manifesteert: we zien dat we onze doelstellingen bereiken (waarbij onze wil werkt door middel van het geheel), of dat we ons doel uit het oog verliezen (een begeerte of gewoonte komt tussenbeide). En als we ons doel bereiken, volgden we dan de rechte lijn die door onze wil voor ons werd uitgezet, of bereikten we het langs een omweg, dwaalden we voortdurend af omdat we moesten navigeren tussen de individuele stemmen die de overhand trachtten te krijgen?

Zolang we niet als een volledig wezen handelen, begeven we ons op zijsporen. Onze wil manifesteert zich nog niet voor een periode van enige betekenis omdat de lagere delen storen en niet in harmonie optreden. Maar alleen al door te weten wanneer en in welke mate we stuurloos zijn, zijn we in staat waar te nemen waar en wanneer we het beter kunnen doen en waar we op ‘automatisch’ staan en niet opletten. We kunnen waarnemen vanaf het voor ons hoogst mogelijke niveau, indien we waakzaam zijn, maar wanneer onze aandacht in beslag wordt genomen door de innerlijke strijd tussen de lagere individuele stemmen, worden we gemakkelijk afgeleid, en vaak zijn we ons er niet eens van bewust waar we de koers kwijtraakten. De vrije wil als een uitdrukking van het Zelf dat in harmonie verenigd is, kan zich niet uiten wanneer er verwarring heerst en er innerlijke conflicten zijn, en ook niet wanneer we pogen onze gewoonten met geweld te onderdrukken of te beheersen. Bijvoorbeeld, wanneer ‘het oordelen’ overheerst kan er een conflict zijn tussen het oordelen en het observeren. We kunnen niet echt observeren zolang het oordelen het roer in handen heeft en we geen oog hebben voor de overvloed van gezichtspunten die nodig zijn om het geheel waar te nemen. Maar wanneer we een poging doen ‘het oordelen’ te onderdrukken, komt ‘het onderdrukken’ in botsing met ‘het oordelen’ en richt onze aandacht zich op het onderdrukken en niet echt op het observeren en waarnemen.

De meesten van ons beseffen dat deze oude conflictueuze methoden, die in feite gewoonten en geen vrije wil zijn, ons niet veel verder kunnen brengen dan waar we nu staan. We zijn allen op zoek naar een betere manier van leven, maar zitten opgesloten in onze huidige beperkingen zolang het waarnemen materieel gericht is, of de gewoonten zo diep zijn ingegrift dat ze vast zijn geworden. Er huizen in ons mentale gesneden beelden waarvoor we buigen en die we aanbidden en niet graag opgeven. Deze gesneden beelden om de dingen steeds van slechts één kant te bezien, her-vormen dezelfde afgezaagde oude waarnemingen en diezelfde waarnemingen her-vormen een toekomstig mens met dezelfde beperkingen als de huidige. We moeten leren onze waarnemingen op een positieve manier een andere vorm te geven.

‘De evolutie van de innerlijke of ware MENS is zuiver geestelijk. . . . een reis van de ‘pelgrim-ziel’ door verschillende toestanden, niet alleen van stof, maar van zelfbewustzijn, en zelfwaarneming, of van visie [Eng.: perception] door bewuste waarneming [Eng.: apperception].’4 Apperceptie is bewuste waarneming, met de woorden van Leibnitz ‘het licht van volmaakt bewustzijn’. Maar wat is datgene wat men bewust noemt ter onderscheiding van ‘niet bewust’, en wat zijn waarneming en zelfwaarneming? Deze vragen moeten afzonderlijk worden beantwoord. De verschillen maken iedere persoon en het leven zelf uniek. ieder mens is in feite geen enkelvoudige bewuste entiteit, maar bestaat uit ongeordende stemmen die handelen als kinderen, die periodiek in bedwang moeten worden gehouden en discipline worden bijgebracht. Telkens wanneer we ons waamemingspeil kunnen verhogen, verhogen we ook het peil van de observeerders, en winnen zij iets meer aan discipline en rijpheid. Dit geeft op zijn beurt de stoot tot de reis door zelfbewustzijn en zelfwaarneming. Zonder een bewuste wisselwerking en herhaalde oefening zullen deze individuele stemmen blijven werken als onafhankelijke, automatische gewoonten, die we ons misschien als kinderen hebben aangeleerd, die de leiding nemen en ons in slaap houden. Het geheel kan niet worden begrepen aan de hand van één van deze losse gezichtspunten. De stemmen moeten in harmonie beginnen te zingen om iets anders te kunnen waarnemen dan fragmenten. Dit gebeurt niet plotseling maar is, evenals de meeste dingen in het leven, een leerproces dat zich ontvouwt in een reeks van kleine stappen naar een specifiek doel. Wanneer we onze eigen gewoonten en daden gaan observeren, beginnen we de dingen die we bewust doen en de overheersende invloed, die gewoonten in ons leven hebben, waar te nemen, en beginnen we misschien te ontsnappen aan de overheersing van verslavende gewoonten, wat op zijn beurt de zelfwaarneming van het organisme van het leven als geheel vergemakkelijkt. ‘Voordat de ziel kan zien, moet er innerlijke harmonie zijn bereikt, en moeten de ogen van vlees blind worden voor alle illusie.’5

 

Noten

  1. Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, Theosophical Publishing House, Wheaton, 1965, blz. 515.
  2. P.G. Bowen, The Occult Way, Theosophical Publishing House, Londen, 1978, blz. 35.
  3. “Elementaire Instructies’ van de esoterische fysiologie van het praktische occultisme’, geciteerd in Lucifer (6:32), 15 april 1890, blz. 98.
  4. H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 1:204.
  5. H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, Fragm. I.
 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency