Veel mensen verwarren het fysieke zien met kennis.
Zij denken niet diep genoeg na om te ontdekken, dat men iets kan zien
en het toch niet kent, terwijl men iets kan kennen en het
toch niet ziet.
Echte waarneming is ware kennis. Waarneming is het
vermogen van de ziel; het is het zien door de hogere intelligentie
waarvan de visie nimmer dwaalt.1
Onze waarnemingen van nu vormen de grondslag van de persoon die we
zullen worden, en verworven kennis is de kennis die ons ter beschikking
zal staan. Waarneming, zoals hier gebruikt, is een bewust iets dat weloverwogen
en doelgericht is, zoals de ogenblikkelijke flits van inzicht die we
kunnen krijgen wanneer we op een nieuwe manier gericht naar
iets kijken. Het wordt een deel van ons. Door ons waarnemingsproces
aan te passen zodat we bewust keuzes maken, bevorderen we de ontwikkeling
van een betere toekomst. Zelfs wanneer de verandering gering is, kunnen
er nieuwe inzichten ontstaan en gecombineerd worden, zodat de resultaten
de oorspronkelijke inspanning verre overtreffen. Een scherpere waarneming
kan ertoe bijdragen dat onze samengestelde natuur gaat samenwerken met
inzicht; en omdat het geheel meer is dan de som van zijn delen, kan
door toenemende samenwerking het geheel veel grotere dingen tot stand
brengen dan elk deel op zichzelf zou kunnen.
Als we onszelf niet als een enkelvoudige, bewuste entiteit beschouwen,
maar als een wanordelijk leger van vele verschillende stemmen, begrijpen
we misschien hoe het gebrek aan heelheid de waarneming belemmert, en
hoe de verschillende stemmen soms uit gewoonte een eigen leven leiden,
los van het geheel. De theosofie gebruikt het beeld van de menselijke
constitutie die uit zeven verschillende delen is samengesteld –
geestelijk, mentaal, begeerte, enz. – die voor een harmonisch
evenwicht alle moeten samenwerken als in een symfonie, waarin elk bijdraagt
met zijn eigen stem, op het juiste moment, op de juiste manier, ten
behoeve van het geheel. Maar dat gaat alleen op voor een wezen dat zich
in deze wereld heeft vervolmaakt. Wij, die nog ‘onvolmaakt’
zijn, gaan niet altijd te werk vanuit een bewust standpunt. We worden
bijvoorbeeld niet boos omdat het juist is boos te zijn, maar hebben
in plaats daarvan de gewoonte een van onze afzonderlijke stemmen toe
te staan zich boos te uiten en in bepaalde situaties te overheersen,
in het bijzonder als we moe of overstuur zijn – en veelal zijn
we ons niet bewust van het tijdstip waarop dit begint. Een intern conflict
tussen de verschillende gewoonten is dan het natuurlijk gevolg, en dit
belemmert ons als een innerlijk samenwerkende eenheid te opereren. De
begeerte-gewoonte, die boosheid wordt genoemd, komt misschien in conflict
met de mentale wens onszelf te beheersen en kalm te blijven. Deze twee
stemmen strijden dan voor een voortgezet bestaan door met elkaar te
wedijveren om de macht, en omdat ze verband houden met beperkte gezichtspunten,
verdraaien ze hun inbreng in het waarnemingsproces. We krijgen een helderder
beeld wanneer we vanuit eenheid te werk gaan.
. . . . tussen een sterke wil en de vrije wil is
een diepgaand verschil. Een sterke wil is helemaal geen wil, maar
de uiting van een abnormaal ontwikkeld afgescheiden zelf – met
andere woorden een begeerte. ‘Een sterke wil behaalt een
overwinning door middel van een conflict, maar de vrije wil blijft
vreedzaam in een burcht die niet kan worden bestormd.’
Een sterke wil is de uiting van een totaal afgescheiden zelf. De vrije
wil is de uiting van een Zelf dat met de Wetten van het LEVEN
in harmonie is verenigd.2
We kunnen niet werkelijk waarnemen door een sterke wil. Opdat de vrije
wil zich in de toekomst manifesteert als inzicht en begrip, is een bewuste
aanpassing in het heden noodzakelijk. In tegenstelling tot het fysieke
zien en kennen, staat de hoogste vorm van waarnemen te ver van ons af
om ons die in te denken, en lijkt op een terugwijkende horizon –
er is altijd meer te begrijpen. Maar we kunnen het pad betreden van
voortdurende, bewuste pogingen om onze waarnemingen en onze levenswijze
te verheffen.
Waarnemen is onderdeel van iedere vorm van observeren, en bij dezelfde
observatie kan sprake zijn van veel verschillende manieren van waarnemen.
Ook moet het waarnemingsproces passen bij het desbetreffende gebied.
Op stoffelijk gebied wordt de aandacht gebruikt om bewust te observeren
vanuit de gunstigste positie; men kan dit illustreren met de observaties
bij het verrichten van een karwei. De sterke wil, die oordelen heet,
kan ons zeggen dat we er niet op gesteld zijn dit karwei te doen, en
dus is er weerstand tegen het verrichten daarvan. Wanneer dit wordt
geobserveerd, kunnen we ons bewustzijnsniveau verhogen; dit levert de
waarneming op dat dit slechts een karwei is dat we zo goed mogelijk
willen klaren, waardoor de weerstand, veroorzaakt door het oordeel,
afneemt. We gaan dan te werk op een wijze die dichter bij de vrije wil
van het geheel staat, omdat onze waarneming niet langer wordt beheerst
door de gewoonte-stem die een tegenzin koestert. Hetzelfde geldt voor
emotionele, mentale en andere processen. We kunnen onze visie in harmonie
brengen met het geheel op elk willekeurig gebied, en zo stap voor stap
onze waarnemingen verruimen, waardoor we de gelegenheid krijgen lessen
van nog groter belang te leren, en de deur te openen voor een diepere
waarneming van onszelf en de wereld om ons heen.
‘Het levensraadsel is te vinden in de actieve functies van
een levend organisme, het vermogen deze activiteit werkelijk waar te
nemen krijgen we alleen door middel van zelfobservatie en niet via onze
uitwendige zintuigen; door onze wil te observeren, voor zover die
ons bewustzijn doordringt, en zich aldus onthult aan ons innerlijk zintuig.’3
Zelfobservatie is één stap in de richting van een toename
van het waarnemingsvermogen. Dit omvat zowel het uiterlijke als het
innerlijke observeren. We kunnen in het begin een glimp opvangen van
de wijze waarop het waarnemen werkt door de wisselwerking van deze twee
– waardoor onze wil tot uiting komt – te observeren. Het
doet er niet toe waar we beginnen, want we kunnen altijd leren meer
waar te nemen. Iedereen kan zijn onderscheidingsvermogen vergroten door
te observeren hoe onze wil zich manifesteert: we zien dat we onze doelstellingen
bereiken (waarbij onze wil werkt door middel van het geheel), of dat
we ons doel uit het oog verliezen (een begeerte of gewoonte komt tussenbeide).
En als we ons doel bereiken, volgden we dan de rechte lijn die door
onze wil voor ons werd uitgezet, of bereikten we het langs een omweg,
dwaalden we voortdurend af omdat we moesten navigeren tussen de individuele
stemmen die de overhand trachtten te krijgen?
Zolang we niet als een volledig wezen handelen, begeven we ons op zijsporen.
Onze wil manifesteert zich nog niet voor een periode van enige betekenis
omdat de lagere delen storen en niet in harmonie optreden. Maar alleen
al door te weten wanneer en in welke mate we stuurloos zijn, zijn we
in staat waar te nemen waar en wanneer we het beter kunnen doen en waar
we op ‘automatisch’ staan en niet opletten. We kunnen waarnemen
vanaf het voor ons hoogst mogelijke niveau, indien we waakzaam zijn,
maar wanneer onze aandacht in beslag wordt genomen door de innerlijke
strijd tussen de lagere individuele stemmen, worden we gemakkelijk afgeleid,
en vaak zijn we ons er niet eens van bewust waar we de koers kwijtraakten.
De vrije wil als een uitdrukking van het Zelf dat in harmonie verenigd
is, kan zich niet uiten wanneer er verwarring heerst en er innerlijke
conflicten zijn, en ook niet wanneer we pogen onze gewoonten met geweld
te onderdrukken of te beheersen. Bijvoorbeeld, wanneer ‘het oordelen’
overheerst kan er een conflict zijn tussen het oordelen en het observeren.
We kunnen niet echt observeren zolang het oordelen het roer in handen
heeft en we geen oog hebben voor de overvloed van gezichtspunten die
nodig zijn om het geheel waar te nemen. Maar wanneer we een poging doen
‘het oordelen’ te onderdrukken, komt ‘het onderdrukken’
in botsing met ‘het oordelen’ en richt onze aandacht zich
op het onderdrukken en niet echt op het observeren en waarnemen.
De meesten van ons beseffen dat deze oude conflictueuze methoden, die
in feite gewoonten en geen vrije wil zijn, ons niet veel verder kunnen
brengen dan waar we nu staan. We zijn allen op zoek naar een betere
manier van leven, maar zitten opgesloten in onze huidige beperkingen
zolang het waarnemen materieel gericht is, of de gewoonten zo diep zijn
ingegrift dat ze vast zijn geworden. Er huizen in ons mentale gesneden
beelden waarvoor we buigen en die we aanbidden en niet graag opgeven.
Deze gesneden beelden om de dingen steeds van slechts één
kant te bezien, her-vormen dezelfde afgezaagde oude waarnemingen en
diezelfde waarnemingen her-vormen een toekomstig mens met dezelfde beperkingen
als de huidige. We moeten leren onze waarnemingen op een positieve manier
een andere vorm te geven.
‘De evolutie van de innerlijke of ware MENS
is zuiver geestelijk. . . . een reis van de ‘pelgrim-ziel’
door verschillende toestanden, niet alleen van stof, maar van
zelfbewustzijn, en zelfwaarneming, of van visie [Eng.: perception]
door bewuste waarneming [Eng.: apperception].’4
Apperceptie is bewuste waarneming, met de woorden van Leibnitz ‘het
licht van volmaakt bewustzijn’. Maar wat is datgene wat men bewust
noemt ter onderscheiding van ‘niet bewust’, en wat zijn
waarneming en zelfwaarneming? Deze vragen moeten afzonderlijk worden
beantwoord. De verschillen maken iedere persoon en het leven zelf uniek.
ieder mens is in feite geen enkelvoudige bewuste entiteit, maar bestaat
uit ongeordende stemmen die handelen als kinderen, die periodiek in
bedwang moeten worden gehouden en discipline worden bijgebracht. Telkens
wanneer we ons waamemingspeil kunnen verhogen, verhogen we ook het peil
van de observeerders, en winnen zij iets meer aan discipline en rijpheid.
Dit geeft op zijn beurt de stoot tot de reis door zelfbewustzijn en
zelfwaarneming. Zonder een bewuste wisselwerking en herhaalde oefening
zullen deze individuele stemmen blijven werken als onafhankelijke, automatische
gewoonten, die we ons misschien als kinderen hebben aangeleerd, die
de leiding nemen en ons in slaap houden. Het geheel kan niet worden
begrepen aan de hand van één van deze losse gezichtspunten.
De stemmen moeten in harmonie beginnen te zingen om iets anders te kunnen
waarnemen dan fragmenten. Dit gebeurt niet plotseling maar is, evenals
de meeste dingen in het leven, een leerproces dat zich ontvouwt in een
reeks van kleine stappen naar een specifiek doel. Wanneer we onze eigen
gewoonten en daden gaan observeren, beginnen we de dingen die we bewust
doen en de overheersende invloed, die gewoonten in ons leven hebben,
waar te nemen, en beginnen we misschien te ontsnappen aan de overheersing
van verslavende gewoonten, wat op zijn beurt de zelfwaarneming van het
organisme van het leven als geheel vergemakkelijkt. ‘Voordat de
ziel kan zien, moet er innerlijke harmonie zijn bereikt, en moeten de
ogen van vlees blind worden voor alle illusie.’5
Noten
- Damodar and the Pioneers of
the Theosophical Movement, Theosophical Publishing House, Wheaton,
1965, blz. 515.
- P.G. Bowen, The Occult Way,
Theosophical Publishing House, Londen, 1978, blz. 35.
- “Elementaire Instructies’
van de esoterische fysiologie van het praktische occultisme’,
geciteerd in Lucifer (6:32), 15 april 1890, blz. 98.
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 1:204.
- H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, Fragm.
I.