De ziekte van de menselijke natuur: Een ruimere visie op gezondheid
Jim Belderis

 

Wat betekent gezond zijn? Er goed uitzien? Je goed voelen? Vrij zijn van kwalen die ons normale functioneren verstoren? Dit zijn inderdaad belangrijke tekenen van gezondheid. Onze cultuur hecht grote betekenis aan lichamelijk welzijn. Voortdurend wordt de aandacht gericht op hoe we er uitzien en hoe we ons voelen. Onze gevestigde gewoonten schijnen de behoefte te versterken om ons uiterlijk en onze conditie te verbeteren. De media verlokken ons er jeugdig uit te zien, van pijn af te komen en zo gauw mogelijk van een ziekte verlost te worden. Omdat de waarde van deze zienswijze niet in twijfel wordt getrokken, is het niet verwonderlijk dat onze gezondheid voor een groot deel wordt bepaald door onze lichamelijke toestand.

Wat wel verwondering wekt is dat deze houding overheerst ondanks talloze tegenstrijdigheden. We kunnen er gezond uitzien en ons gezond voelen, als we plotseling door een ernstige ziekte worden getroffen. We kunnen allerlei ingewikkelde onderzoeken ondergaan die aantonen dat we gezond zijn, terwijl we toch het gevoel hebben dat er met ons iets mis is. We zouden elk contact kunnen vermijden met ieder die een ziekte onder de leden heeft en tenslotte toch geïnfecteerd worden, terwijl velen die ervoor kiezen om zieken te verzorgen gezond blijven. Het motief om ‘bacillendragers’ te vermijden ligt in het geloof dat bacillen ziekte veroorzaken, toch hebben we soms weerstand tegen besmetting als we erdoor worden omringd. Vaak lijkt het erop alsof we door de manier waarop we denken vatbaar worden voor lichamelijke ziekte.

Deze tegenstrijdigheden wijzen erop dat gezondheid wordt bepaald door onze innerlijke natuur. We moeten een bepaalde innerlijke integriteit bezitten waardoor we weerstand hebben tegen ziekte. Verstoren we deze integriteit, dan zetten we een lange keten van oorzaken in beweging die geleidelijk door ons wezen heen werkt. Als we gevoelig zijn voor deze krachten die diep in ons werken, merken we misschien dat er iets mis is vóór het zich als een lichamelijke ziekte openbaart. Aan de andere kant is het mogelijk dat we ons totaal niet bewust zijn van een kwaal die zich al tientallen jaren ontwikkelt en die op het punt staat ons met het pijnlijke feit te confronteren dat we niet zo gezond zijn als het lijkt.

Deze vorm van ‘bewustwording’ zou wel eens het wezenlijke doel van ziekte kunnen zijn. De onvermijdelijke pijn of het ongemak van een ziekte dwingen ons ons meer bewust te worden van wat we doen, al is het slechts om te voorkomen dat onze toestand verergert. Misschien gaan we zelfs inzien dat onze gemoedstoestand ons meer kan doen lijden: negatieve gedachten en emoties kunnen onze symptomen verergeren; spanning en angst kunnen ons weerstandsvermogen verminderen. Elke vorm van innerlijke conflicten kunnen het essentiële evenwicht van onze integriteit verstoren, de innerlijke bron van heelheid die het vermogen bezit ons gezond te houden. Omdat ziekte ons leert het verband te zien tussen onze lichamelijke kwalen en ons van verdeeldheid doordrongen denken, beginnen we te zoeken naar de genezende kracht van een meer holistische houding.

Natuurlijk kunnen we dit verband ontkennen. Als we ziekte zien als iets dat van buitenaf het lichaam binnendringt, verwelkomen we misschien het gebruik van geneesmiddelen die bacillen doden, onze symptomen onderdrukken en ons ongevoelig maken voor pijn. De meesten van ons hebben hun hele leven gebruik gemaakt van deze conventionele behandeling en het is begrijpelijk dat we erop vertrouwen, vooral in geval van ziekten met een slopende werking. Maar als we elke ziekte op deze wijze behandelen, verzwakken we dan niet het vermogen van het lichaam om zichzelf te genezen? Als we de natuurlijke ontplooiing van een bepaalde karmische gesteldheid onderdrukken, zal die dan andere wegen zoeken om tot uitdrukking te komen? Misschien geeft het een gevoel van veiligheid als we onze toevlucht nemen tot betrouwbare uiterlijke geneesmiddelen, maar in welke mate beperkt deze houding onze gedachten en ontneemt ze ons de vrijheid het leven te onderzoeken, na te denken over vragen betreffende diepere bestaansgebieden in ons en zelf de antwoorden te vinden? Juist wanneer ziekte ons lichamelijk uitschakelt, kunnen we dat doen – onze aandacht naar binnen richten en nadenken over de waarde van onze gedachten.

Stel dat we voortdurend worden belemmerd – gehandicapt door de verdeeldheid in ons eigen denken. Het aannemen van zo’n chronische kwaal van onze natuur kan een heel gezond standpunt zijn, dat ons ertoe brengt onze botsende gedachten en gevoelens te verzoenen. Misschien zijn we hier juist voor deze verzoening. Naarmate we leren de essentiële harmonie van ons wezen te herstellen, komen we tot de ontdekking wie we werkelijk zijn.

Leren denken in termen van heelheid is beslist niet gemakkelijk. Gewoonlijk wordt ons denken beheerst door de idee dat we losstaan van de dingen die we ervaren. Vanuit deze karakteristieke houding doen we alle moeite te verwerpen of zelfs uit te schakelen wat ons niet aanstaat. Hier ligt de belangrijkste bron van een conflict, want dit leidt ertoe dat we proberen een deel van ons bestaan te ontkennen. Omdat het grootste deel van ons gedachtenleven de idee van afgescheidenheid probeert te steunen, denken we gewoonlijk in tegenstellingen, contrasterende eigenschappen en elkaar uitsluitende verschillen. Ruimte wordt verdeeld in plaatsen die niet met elkaar zijn verbonden. Tijd wordt verdeeld in heden, verleden en toekomst. Anorganische of ‘dode’ stof wordt gescheiden van bezield leven. Menselijke gewaarwordingen staan veraf van die van planten en dieren. Wij maken een onderscheid bij alles wat we maar kunnen bedenken, waarbij we uitmaken wat goed en wat slecht voor ons is. Hoe kunnen we die verdeeldheid omzetten in een visie van het geheel?

Eén manier is te beginnen ons te bekommeren om de gezondheid van al wat bestaat alsof het één bewust wezen betreft: een kosmische entiteit die alle tijd en ruimte op elk gebied van oorzaak en gevolg omvat. Op de niet gemanifesteerde gebieden van dit Wezen vormt zich onze toekomst – op dit ogenblik. Wat zich nu manifesteert op stoffelijk gebied wordt onmiddellijk ons verleden, terwijl het tegelijk het geheel beïnvloedt – dat werkt om onze toekomst vorm te geven. Ieder moment bevat de sporen van wat is geweest en de zaden van wat nog gaat komen. Binnen het bewustzijn van de natuur is tijd één.

Dit bewustzijn heeft ook besef van alle ruimte binnen zijn hele lichaam. De grootste afstand wordt in een enkele gedachte overbrugd. Er is geen afgescheidenheid. Voor de geest van de natuur is hier overal. Wat één deel beïnvloedt, beïnvloedt het geheel. Alle levensvormen zijn even nauw verbonden als de cellen in een enkel organisme. We zijn zelfbewuste cellen in het lichaam van de kosmos. We kunnen kiezen met de natuur samen te werken voor ons gemeenschappelijk welzijn, of we kunnen ons bewustzijn isoleren van ons grotere zelf. Door onze keuze komen we dichter bij de eenmakende essentie van het leven: het ene zelf dat ieder punt in de ruimte doordringt.

Hoe kan de stof dood zijn als ze deel uitmaakt van een levend universeel Wezen? Als het heelal leeft, moet zijn stoffelijk voertuig ook leven. Zoals ons lichaam zijn omgeving kan aanvoelen en daarop kan reageren op een manier die ons normale bewustzijn te boven gaat, kan een lichaam van stof op een zo subtiele manier reageren die we op stoffelijk gebied niet kunnen waarnemen. Maar veel diepere gebieden van waarneming zouden een levend bewustzijn onthullen en wij voelen dit als we ons onderhouden met de natuur. In een zeer innige relatie laat de aarde ons delen in haar leven en hoe dieper onze gemeenschap is, des te nauwer onze verwantschap met iedere bestaansvorm.

Deze verwantschap strekt zich uit over alle verschillende vormen van onze ervaringen. Aan de oppervlakte worden we heen en weer geslingerd door tegenstrijdige emoties zoals liefde en haat, mededogen en boosheid, vertrouwen en angst. Voortdurend zoeken we naar wat ons aantrekt en proberen we te vermijden wat ons afstoot. Vanuit dit oppervlakkige standpunt zien we geen verband tussen wat ons genoegen doet en waar we afkerig van zijn. Pas wanneer we deze zienswijze loslaten, kunnen we die visie deelachtig worden die verenigt, wat we ook ervaren. Een dergelijke visie gaat verder dan wat we beschouwen met plezier, afkeuring of onverschilligheid: ze ziet alles wat gebeurt als een indicatie van onze eigen gezondheid, de gezondheid van ons grotere zelf.

Ieder van ons is een uitdrukking van ons ouderwezen, ons alomvattende zelf. Onze totale gezondheid wordt bepaald door het evenwicht van het geheel, en dat wordt verstoord wanneer we tegen onze ‘heelheid’ handelen om een deelbelang te bevredigen. Om onze partijdigheid te compenseren, worden krachten in beweging gesteld die geleidelijk hun weg vinden door ons grotere wezen en ons op vele gebieden beïnvloeden. We worden mentaal, emotioneel en lichamelijk met de gevolgen geconfronteerd – zowel in onszelf als met anderen. Onze opvattingen worden misschien weersproken, onze hartstochten tegengewerkt en onze daden tenietgedaan. Hoe we ook worden beïnvloed, het heeft als bedoeling ons evenwicht te herstellen. Het uiteindelijke doel ervan is ons te leren zo flexibel te zijn in wat we denken, voelen en doen dat ons eigenbelang plaatsmaakt voor bezorgdheid om het welzijn van het geheel.

Dit is genezing in de ruimste zin. We kunnen ertoe bijdragen dat dit proces zich voortzet of we kunnen het tegenwerken, en onze keuzen bepalen hoe we de lessen van het leven ervaren. Vroeg of laat moeten we leren om ons te bekommeren om de gezondheid van ons alomvattende ouder-wezen. Bedenk eens hoe bezorgd we zijn voor onze menselijke ouders wanneer zij tekenen van ziekte vertonen en hoe we gewoonlijk reageren op hun noden. De negatieve emoties die we allen hebben zijn een teken dat onze kosmische ouder niet gezond is. Zij brengen de behoefte aan ‘heelheid’ tot uitdrukking: haat is in feite een roep om liefde; boosheid vraagt ons om mededogen; vrees roept luid om vertrouwen. Met elke storende emotie wordt op ons een beroep gedaan om voor een of andere vorm van genezing te zorgen – voor ons grotere zelf.

Geven met zoveel begrip vereist een grote flexibiliteit van het denkvermogen, want we lijden allen aan starre denkwijzen. Toch is er één heel menselijke impuls die sterk genoeg is om de meest starre houding te versoepelen: de drang om aan een roep om hulp gevolg te geven. Hoe halsstarrig we ook vasthouden aan onze individuele manier van denken, het verlangen om te helpen brengt ons ertoe verschillen opzij te zetten. Dit verlangen spoort ons aan ons met de belangen van anderen te vereenzelvigen, en op die manier komen we erachter wat zij werkelijk willen: het is de heelheid die we allen zoeken.

Wanneer we eenmaal verband leggen tussen onze behoefte aan heelheid en de behoefte van ieder ander, beginnen we ons gemeenschappelijk zoeken naar eenheid te herkennen, op welke manier dat ook tot uiting komt. Bij dit zoeken naar eenheid vragen we in boosheid en angst om hulp. Dit wordt vaak gezien als een persoonlijke aanval die altijd moet worden weerstaan. Maar naarmate we leren deze te aanvaarden als een uiting van een gemeenschappelijke behoefte, worden we zelf genezers. Het besef dat er iets belangrijks is dat we met anderen delen brengt ons ertoe zorgzaam te zijn. Door ons om anderen te bekommeren kunnen we de ‘ziekte van de menselijke natuur’ genezen. Zo herstellen we de gezondheid van onze medemensen en daarmee genezen we ook onszelf.

Dit inzicht stelt ons in staat de ware oorzaak van het menselijk lijden aan te pakken: onze eigen verdeeldheid. In dat proces is er geen sprake van iemand die gezond is. Wij als gezamenlijke mensheid zijn bezig gezond te worden. In plaats van zoveel belang te hechten aan het feit of we er fit uitzien of ons goed voelen, richt onze aandacht zich naar binnen om de waarde van onze betere gevoelens te ontdekken. Die treden het meest op de voorgrond als we met elkaar omgaan, want het is onze fundamentele taak met anderen banden van sympathie aan te gaan. Het versterkt onze gezondheid en verbetert elk niveau van ons bewustzijn. Het helpt ons de pijn van ouderdom en ziekte te dragen en houdt ons jong van hart.

Voor alle kwalen die ons mensen plagen, bestaat geen betere therapie dan te sympathiseren met degenen die een denkwijze hebben die botst met de onze. Om de spanning te verminderen tussen wat we voelen en wat we denken, worden we aangespoord onze verschillen op hogere gebieden van de werkelijkheid te overbruggen. Uitstijgende boven het eindeloze drama van elkaar bestrijdende persoonlijkheden, ontmoeten we elkaar als medepelgrims en eindigt de betovering van de tijd. Als we afzien van een houding die ons beperkt tot onderling onverenigbare geestesgesteldheden, treden we de ruimte binnen waar de intuïtie het ons mogelijk maakt zonder belemmerende grenzen bijeen te komen. Achter de verschillen die ons afzonderen van het grootste deel van onze omgeving, herkennen we de verbondenheid van het leven die de hele aardse familie verenigt. Naarmate we starre opvattingen loslaten, die bepalen wat goed voor ons is en wat voor ons geen nut heeft, vormen we een beeld van gezondheid dat aan ons leven een edel doel geeft: het genezen van onze mensheid.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency