De dichtkunst beweegt zich op heel veel terreinen: het treurspel, het
blijspel, de geschiedenis, de natuur. Dichters, in het bijzonder zij
die zich met de natuur bezighouden, leggen momenten van bewustzijn vast
en belichamen die zo, dat ook wij aan hun ervaring deelhebben. In de
ruimste zin van het woord kan de dichtkunst niet in een keurslijf van
rijm of metrum worden geperst; niettemin maken rijm en metrum deel uit
van dichterlijke vaardigheid. Ritme, aan de andere kant, is onvervangbaar
– de stroom van de woorden moet het thema versterken. De spraak
en proza kunnen ook heel poëtisch zijn. Natuurlijk gelden de beginselen
van grote poëzie voor alle kunsten: grote kunst moet uitgaan boven
louter beschrijvingen, en ons bewust maken van een wereld van goddelijke
en geestelijke krachten. In onszelf voelen we de beweging van deze krachten
indien de dichter of kunstenaar geïnspireerd is.
Laten we beginnen met een universeel beeld. Het Evangelie naar Johannes
opent met ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God
en het Woord was God.’ De bijbel bevat heel veel prachtige poëzie,
weergegeven in een verheven taal. In den beginne was het Woord, de Logos,
geluid, trilling. Dit levende geluid of deze levende adem deed uit de
stof een heelal of een wereld ontstaan. Uit een onmetelijke, schijnbaar
lege ruimte kwam een wereld tevoorschijn – en geluid is de eerste
emanatie uit het grenzeloze Al. De dichtkunst maakt in haar toepassing
gebruik van geluid – ze moet worden gehoord. De dichter Kenneth
Morris uit Wales zei eens:
Konden we met het oor luisteren naar het geluid,
zoals we daarvan de uiterlijke schoonheid van vorm zien met het oog,
welke symfonieën zouden we dan horen van de grasklokjes op de
bosgrond en de gele narcissen op de heuvels; want zijn ze geen grasklokjes
en narcissen dankzij de prachtige, vreemde muziek, waarvan de trillingen
de atomen vormen tot lieflijke klokjes en kronen? Welke muzikale trillingen
brachten deze grootse bloem, het Heelal, tot bloei? Welke schitterende
harmonieën werden voortgebracht om aan deze stralende melkwegstelsels
vorm, leven en beweging te geven?
Ik denk dat de dichtkunst ontstond in de dageraad van de beschaving,
toen het menselijk denken voor het eerst werd gewekt. Aan het ontwaken
van het denkvermogen wordt herinnerd in alle grote geschriften van de
wereld, die ook zeggen dat kunsten en wetenschappen oorspronkelijk aan
de mensheid werden onderricht door goddelijke leermeesters. De dichtkunst
werd geboren en vervolmaakt, ontelbare eeuwen voor iets daarvan op schrift
werd gesteld. Al waren er roemrijke tijden in de geschiedenis van de
mens, we kennen ook duistere eeuwen, waarin delen van de wereld wellicht
onproduktief of onbeschaafd leken. Toch is het vaak in deze duistere
tijden, waarin alle cultuur vernietigd is, dat barden en minstrelen
liederen, hymnen, heldendichten en mythen door mondelinge overlevering
in stand hielden. En deze grote voortbrengselen getuigen van de geboorte
van werelden, van goden en van een vroegere mensheid. Door hun stijl
en inhoud doen ze een beroep op onze hogere vermogens. Als we sommige
van deze geschriften en verhalen die ons zijn overgeleverd lezen, zien
we dat ze wat stijl of inhoud betreft geenszins primitief zijn. Ze spreken
tot ons in een verheven taal – in poëzie.
De Rig-veda is een van de oudste verzamelingen gedichten,
gebeden en invocaties, die door hindoes uit hun geboorteland in Centraal-Azië
naar India zijn gebracht. De ‘Scheppingshymne' spreekt over de
grote onbekende Duisternis waaruit alles ontspringt en waarvan we zo
weinig weten:
Noch iets noch niets bestond; die heldere hemel
daar
Was niet, noch ’t brede hemeldak daarboven uitgestrekt.
Wat dekte ’t al? wat beschutte? wat verborg?
Was ’t van ’t water het peilloze diep?
Er was geen dood – toch was er niets onsterfelijks,
Er was geen grens nog tussen dag en nacht;
Het enig Ene ademde stil alleen,
Behalve Dat is er sindsdien niets geweest.
’t Was duister, en het al was eerst gehuld
In diepe somberheid – een
lichtloze oceaan –
De kiem, bedekt nog in de schil
Barstte open, één van aard, uit hittegloed.
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
Wie kent 't geheim? Wie verkondigde ’t hier?
Vanwaar ontstond die veelvoudige schepping?
De goden zelf ontstonden later pas –
Wie weet vanwaar die schepping plots ontstond?
Kent Dat, vanwaar die grote schepping kwam,
Weet of Zijn wil het schiep of dat die zweeg,
De Hoogste Ziener in de hoogste hemel,
Hij weet het – of misschien zelfs Deze niet.
— Rig-Veda, 129 (Colebrooke)
(Deze vertaling
is overgenomen uit De Geheime Leer 1:56)
Niet bepaald primitieve dichtkunst!
Het ontwaken van het menselijk denkvermogen gaf ons de mogelijkheid
om te denken, om ons met zelfbespiegeling bezig te houden, om gedachten
tot uitdrukking te brengen en over te dragen, zelfs abstracte, en dat
is een enorm waardevol goed. Het ontwaakte denkvermogen brengt situaties
voort die ons mensen eigen zijn: vanwege ons zelfbewustzijn balanceren
we tussen het dierlijke en de geestelijke krachten en weifelen we tussen
die twee misschien vele malen in de loop van een dag. Ons denkvermogen
isoleert ons, als achter een sluier, en we zien en voelen de onzichtbare
krachten van de natuur niet zoals sommige lagere schepselen dat wel
doen. We zien alleen wat we willen zien en onze beschaving bereidt ons
er slecht op voor krachten als levende entiteiten te zien en de natuurwetten
als de werkzaamheid van intelligente wezens. De enige dingen die nu
als levend worden gezien zijn planten, dieren en mensen. De rest beschouwt
men als anorganisch. Onze aarde zien we als levenloos; onze zon louter
als een astrofysisch verschijnsel. Zelfs onze religieuze opvattingen
zijn vaak meer doctrinair dan intuïtief; dat wil zeggen dat we
onze eenheid met het leven en met onze medeschepselen niet ervaren,
en dat is toch het wezen van de religie – en ook van de dichtkunst!
Daarom zei Wordsworth in zijn sonnet ‘De Wereld’:
De wereld is ons te nabij; en vroeg of laat,
gevend en nemend verspillen w’onze kracht:
Te weinig zien w’onszelf in wat de natuur volbracht
Ons hart schonken we weg, een trieste daad!
De zee, die zich in ’t zachte maanlicht baadt;
De wind die, altijd huilend dag en nacht,
Nu als een bloem de kop opsteekt, haast onverwacht;
We zijn op dit, op alles niet meer afgestemd;
Het roert ons niet. – Mijn God! ’k zou op mijn woord
Liever een heiden zijn in ’t oud geloof;
Opdat ik, staande in dit schone oord
Een glimp opving die mij mijn pijn ontrooft;
’k Zou Proteus zien die oprijst uit de zee
Of Triton wiens omkranste hoorn ’t geraas der golven dooft.
(vrij
vertaald)
U ziet waar hij op doelt: een levende natuur en een religie die ook
leeft en door middel waarvan wij de natuur op al haar gebieden kunnen
ervaren.
Andere volkeren, generaties lang opgegroeid met de werkelijkheid van
de natuurkrachten en -wetten en een overal bestaand leven, zijn oneindig
veel sensitiever dan wij. Zij zien ook dat waar zij in getraind
zijn om te zien en wat de meeste dichters zien: overal leven. Volgens
de oude overleveringen zijn deze natuurkrachten elementale wezens –
maar geen zelfbewuste goden, die met hun leven en bestaan het intelligente
weefsel van de natuur vormen en haar harmonie en wetmatigheid tot stand
brengen. Naarmate sommige van de vroege religies oud werden, gingen
zij er vaak toe over deze natuurkrachten te aanbidden. We citeren H.P.
Blavatsky:
Er was oorspronkelijk één transcendentale
en filosofische opvatting. Maar de hoofdgedachte werd geleidelijk
versluierd door een weelderig groeiende menselijke verbeelding, naarmate
de stelsels iedere eeuw meer en meer de eigenaardigheden van de volkeren
begonnen te weerspiegelen en naarmate de laatsten na hun scheiding
verschillende groepen gingen vormen, waarvan elk zich ontwikkelde
volgens eigen nationale of stamtraditie. Terwijl in sommige landen
aan de KRACHTEN, of liever aan de intelligente
machten van de natuur goddelijke eer werd bewezen, waarop zij nauwelijks
aanspraak konden maken, wordt in andere – zoals nu in Europa
en de beschaafde landen – zelfs de gedachte dat een
dergelijke kracht ‘intelligent’ zou kunnen zijn, absurd
gevonden en voor onwetenschappelijk uitgemaakt.
— De geheime leer, 1:465
Maar waarom de dichter uitzonderen? Wat presteert hij of zij dat in
een heldere beschrijving niet volkomen duidelijk wordt gemaakt? Het
is waar dat elke eeuw haar dichtkunst heeft en dat heel wat gedichten
in proza hadden moeten worden geschreven, want ze zijn, op zijn zachtst
uitgedrukt, prozaïsch: ze vertegenwoordigen noch in taal, noch
in verhevenheid van stijl dat wat we gewoonlijk met dichtkunst in verband
brengen. Aan de andere kant zijn beschrijvingen in proza vaak mooi,
zelfs dichterlijk, zoals in de geschriften van naturalisten als Joseph
Wood Krutch, Donald Culross Peatie, William Beebe, John Burroughs en
John Muir – om er enkelen te noemen die vooral in Amerika algemeen
bekend zijn.
De Engelse dichtkunst kent veel mooie scheppingen die een hoog niveau
bereikten. Maar komen we bij Milton's Paradise Lost (Het verloren
paradijs ) dan zien we, naast Shakespeare, Engelse dichtkunst op haar
best, want dichtkunst is op haar hoogtepunt wanneer ze een verheven
doel dient. Hier is de oude blinde Milton, vermoeid van zijn Cromwelliaanse
verplichtingen, die aan zijn dochters de tekst van dit epische werk
dicteert, en aan zijn geheugen de ontelbare klassieke, bijbelse en andere
beelden ontleent die die bladzijden hun roem verlenen. Hij spreekt over
de oorlog in de hemel, zoals alle religies doen; de verdrijving van
de goddelijke Lucifer naar de Tartarus – Lucifer van wie hij een
titaan maakt zoals Prometheus. Al noemt Milton hem Satan, de vijand
van God, Lucifer wordt de sterkste figuur in Paradise Lost.
Milton zoekt goddelijke hulp bij deze taak en zijn beginwoorden doen
sterk denken aan de Gayatri van het oude India, de oproep tot de eigen
innerlijke god die G.de Purucker als volgt parafraseerde: ‘O Gij
Gouden Zon van uitzonderlijke pracht, verlicht ons hart en vervul onze
geest zodat wij, onze eenheid erkennende met de Godheid die het hart
van het heelal is, het pad voor onze voeten mogen zien en op weg gaan
naar dat verre doel van volmaking, aangespoord door uw eigen stralende
licht.’ Hier volgt Milton’s invocatie:
O Geest, die boven alle tempels
’t Oprechte en zuiv’re hart de voorkeur geeft,
Leer mij, want Gij weet; Gij waart vanaf het
Eerst begin aanwezig en zat met wijdgespreide vleugels
Als een duif te broeden op de weidse Afgrond,
En maakte die zwanger: verlicht in mij wat
Duister is, verhef en steun wat laag is,
Opdat, ten aanzien van dit grootse punt
Ik de Eeuwige Voorzienigheid kan bevestigen,
En voor de mens Gods wegen kan rechtvaardigen.
(onze vertaling)
— Bk.I, regels 17-26
Toch vinden we het mooiste gebruik van dichterlijke visie en magie
misschien in het drama, in het bijzonder in zulke treurspelen als die
van de Griekse dichters en toneelschrijvers Aeschylus, Sophocles en
Euripedes, en in de werken van Shakespeare, Marlow en Goethe. Het drama
raakt diepe wortels: de Grieken beweerden dat door de grote drama’s
bij te wonen, vooral de treurspelen, er een katharsis of reiniging
van de ziel plaatsvond.
En hoe staat het met de grote heldendichten – de Ramayana,
Mahabharata, Kalevala, de Edda’s –
in al deze speelt de dichtkunst een centrale rol. De Mahabharata
bijvoorbeeld, vertelt over de vijf Pandava prinsen die uit hun koninkrijk
werden verbannen door de blinde koning Dhrtarastra en zijn honderd zonen
en beschrijft hoe de vijf broers hun koninkrijk herwonnen. We hoeven
niet in te gaan op de vele inzichten die dit gedicht geeft in onze goddelijke
en geestelijke natuur en onze menselijke en lagere aspecten. Maar één
deel van het zesde boek, de Bhagavad-gita, wordt vaak afzonderlijk
uitgegeven. Het speelt op de vlakte van de Kuru’s waar Arjuna,
een van de Pandava broers en held van het gedicht, tussen de twee tegenover
elkaar staande legers in zijn strijdwagen zit met zijn wagenmenner Krishna,
de aardse incarnatie van de god Vishnu. Krishna spoort Arjuna aan te
vechten, maar Arjuna is afkerig, want hij ziet oude vrienden aan beide
zijden van het strijdperk. Dit is geen gewone oorlog tussen partijen,
al kan er wel zo’n oorlog zijn geweest, net als het geval was
met de Ilias en het beleg van Troje.
Volgens één interpretatie gaat het om een oorlog die
in ons plaatsvindt. Arjuna of de individuele mens streeft ernaar groter
en wijzer te worden. Door dat te doen wekt hij de traagheid van zijn
eigen aard op. Om onze menselijke natuur meer waarlijk menselijk te
maken, doorschijnend voor het licht van de innerlijke Krishna die in
ieder van ons woont, moeten we de strijd aanvaarden, de weerspannige
aspecten van onszelf zuiveren en temmen. Vandaar dat Krishna erin slaagt
Arjuna aan te sporen de strijd te beginnen. Als we de Bhagavad-gita,
met Arjuna als de menselijke monade of het zelf, plaatsen in het kader
van de 18 boeken van de Mahabharata, krijgen we een grootser
beeld van de menselijke evolutie als deel van de aardse en kosmische
evolutie, die alle delen van onszelf omvat, alle Pandava-prinsen in
ons, op de eindeloze reis van monadische ontplooiing die, in de loop
van de oneindige tijd, ieder levend atoom verheft tot een menselijk
wezen en ieder mens tot een godheid.
Dit geeft enig idee van de wijsheid die is vervat in de epische dichtkunst
van de oude wereld. De bard verschijnt en vertelt of reciteert de oude
verhalen. Vaak kennen zijn luisteraars het verhaal heel goed en volgen
het verloop van de ideeën, zien nieuwe betekenissen en krijgen
een dieper inzicht. Ik vraag me af of er niet iets verloren is gegaan
toen, na eeuwen van mondelinge overlevering, enkele van deze prachtige
heldendichten op schrift werden gesteld. Ik herinner me dat toen mijn
broer en ik nog jonge mensen waren op de boerderij, wij de ouderen ’s
avonds hardop hoorden vertellen en we in onze verbeelding ons eigen
verhaal opbouwden.
Wat leren dichters? Zij leren dat we in een levend heelal wonen, aan
alle kanten omgeven door ontelbare grote en kleine levende wezens –
de wind strijkt langs ons gezicht met miljoenen heelallen. We leren
van de dichtkunst dat ook wij de hoogten kunnen beklimmen. We zijn dan
misschien geen dichters, maar als het om een groot gedicht gaat dat
ons roert, dan stijgen we op tot die hoogten. We leren ook dat alle
leven onderling is verbonden, een enorme broederschap, die onszelf insluit:
we zijn niet zomaar op een levenloze bol in een dood heelal geplaatst.
Laat me besluiten met twee korte uittreksels uit de Keltische dichtkunst
– volgens Matthew Arnold bezit die een eigen toverkracht die hij
‘natuurlijke magie’ noemde. De ‘Ode aan de Noordenwind’
is van een dichter die Kenneth Morris zag als de grootste van de middeleeuwse
barden uit Wales, Dafydd ab Gwilym:
Vormloze luister van de Hemeltrans,
Die voet- en vleugelloos, gezwind en klaar
Zich hoog langs ’t sterrenpad beweegt in lichte dans
En zingt temidden van de wolkenschaar –
Wind van het Noorden! geen vuur of macht
Kan uw magische vleugel verlammen of branden;
En Gij ontbladert met uw reuzen-kracht
't Geboomte van de voorjaarslanden.
En als de kale bomen opwaarts zien of druilen,
Heft gij uw lofzang aan waar duizend bossen huilen.
(vrij vertaald)
En één regel van de legendarische Taliesin, die in de
5e eeuw zou hebben geleefd: ‘Ik ken de verbeeldingskracht van
de eiken’.
In deze geest moet onze aarde inderdaad heilige plaatsen hebben. De
berg, wilde rivieren, de zeekust, ze wemelen van krachten die we daar
voelen. Ze zijn er – allemaal delen van de levende aarde,
waarvan ook wij levende delen zijn. Het ontwaken van het denkvermogen
gaf de mensheid de macht gedichten te schrijven en te waarderen, die
vaak een beroep doen op de god in ons en de god in de natuur. Maar bovenal
toont de dichtkunst ons dit heelal als een levend wezen: geest immanent
in de natuur, een poëtisch inzicht.