De kunst van het geven
R.W. Machell

 

Iets geven is zo’n natuurlijk en vriendelijk gebaar, dat spreken over de kunst van het geven er afbreuk aan lijkt te doen: toch is het zeker een kunst, en wel een zeer verheven soort. Dit blijkt vooral als we bedenken dat kunst niet kunstmatigheid is, maar een spontane uiting van de ziel.
     Hoeveel mensen zijn er die geven? Een oprechte gift is geen investering; ze levert geen rente op. Het is een verzaken van elk eigenbelang in dat wat wordt gegeven; het is een offer, een vergoeding. Sommigen verwachten dankbaarheid van de ‘slachtoffers’ van hun weldadigheid; anderen zoeken hun dividend hogerop, een terugbetaling met woekerrente in het hiernamaals. Weer anderen verwachten hun terugbetaling van God, en wel in de vorm van vergeving van vroegere zonden en toestemming de overtredingen tegen dezelfde prijs te herhalen.
     Een mens kan alleen geven wat hem toebehoort, en wanneer hij ijverig zijn bezittingen heeft onderzocht om te zien welk recht hij erop heeft, kan hij heel goed tot de conclusie komen dat zijn recht op wat hij zijn bezit noemt weliswaar legaal is, maar niet veel meer dan dat. Hij kan tot het inzicht komen dat alles wat hij enigszins permanent het zijne kan noemen, datgene is wat hij in zijn karakter heeft opgebouwd.
     Een gedachte uit de oudheid is dat alle dingen de goden toebehoren, en de mens erkende dit feit door de offers die ze hen brachten. Dat was het hogere aspect van de religieuze ceremonie. Het lagere was gebaseerd op de gedachte dat de mens tenminste tijdelijk de eigenaar was van alles waarop hij zijn hand kon leggen, en dat als hij aan de goden offerde, hij alleen voor de diensten betaalde die door hen werden verleend of van hen werden verwacht. Wanneer de mens het contact met spirituele zaken verliest, kan hij alleen commercieel denken en daalt de religie tot dat niveau. Dat alles wat wordt gegeven zijn natuurlijke resultaat of reactie met zich brengt, is duidelijk; maar de boer die aan de grond zijn zaad geeft en naar een overvloedige oogst uitziet, stelt zich niet op als een liefdadige gever!
     In een samenleving waar van oprechte liefde voor onze medemensen sprake is, is geen plaats voor liefdadigheid in de gewone betekenis, noch voor dankbaarheid zoals die gewoonlijk wordt begrepen. Dit wordt geïllustreerd door een verhaal van Robert Louis Stevenson, die zeer geliefd was bij de inwoners van het eiland waar hij leefde en stierf. Ze kwamen bij hem en zeiden dat ze iets voor hem wilden doen om te tonen hoeveel ze van hem hielden, en stelden voor dat ze een weg zouden aanleggen om zijn woning met de hoofdweg te verbinden. Stevenson was het ermee eens en zei: ‘We zullen hem de weg van dankbare harten noemen.’ Maar ze waren ontsteld over dat idee, en antwoordden: ‘Nee! Het moet de weg van het liefdevolle hart worden genoemd.’ En Stevenson was beschaamd om zijn eigen ongevoeligheid.
     Echt geven is een verborgen iets, zoals de geur van een bloem: men ziet de bladeren, de steel, de bloemblaadjes, maar de geur is onzichtbaar.


Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency