Bewustzijn IS
Hugh H. Harrison

 

De eerste keer dat ik Amit Goswami ontmoette was in het begin van de jaren tachtig, toen hij en zijn vrouw naar Bandon, Oregon, kwamen om de Continuüm-tentoonstelling te bezoeken, die mijn vrouw en ik kort daarvoor voor het publiek hadden opengesteld. Deze tentoonstelling ging in op de mogelijkheid of het bewustzijn zich voortzet na de dood.
     Wij ontmoetten elkaar ongeveer twee jaar geleden opnieuw, toen ik me liet inschrijven voor zijn cursus natuurkunde (‘in de eerste plaats voor niet-wetenschappelijke senioren’) aan de Universiteit van Oregon. Ik heb sindsdien veel geluisterd naar en gelezen over zijn ideeën.1
     Na opgegroeid te zijn in een brahmaans gezin in Calcutta en als doorkneed Vedanta-kenner, ontving Goswami een opleiding in de nucleaire en quantumfysica. Nu doceert, spreekt en schrijft hij over de invloed van het bewustzijn in en op het leven. Zijn axioma is dat ‘bewustzijn de basis vormt van al het zijn.’
     Ik werd tot dit idee aangetrokken als een nachtvlinder tot een vlam. Zo’n vijf maanden geleden begon ik een literatuuronderzoek op kleine schaal naar het onderwerp bewustzijn, in het bijzonder in de theosofische literatuur. Ik heb nu meer dan honderd boeken en artikelen over het onderwerp bewustzijn om me heen en er komen er nog steeds bij.
     Ik heb dit materiaal niet allemaal gelezen en dat zal waarschijnlijk ook niet gebeuren. Ik doe het ook niet systematisch. In plaats daarvan zoek ik al snuffelend mijn weg door deze ogenschijnlijke onmetelijkheid, als een kat die in de tuin naar iets eetbaars zoekt. Maar ik heb nu een werkzin ontwikkeld en wil graag enkele van mijn vondsten met u delen. Ik noem dit het delen van

‘essentiële uitspraken’

  1. ‘Bewustzijn is de grondslag van al het zijn’, de grondoorzaak van alle manifestatie. Manifestatie (het tot aanzijn komen) verschaft het bewustzijn de middelen om zichzelf te ervaren.
  2. Alle wezens zijn bezield (belichaamd) bewustzijn.
  3. Alle wezens zijn, hoewel op zichzelfstaand, integrale en onverbrekelijke delen van het ene grote en enige Geheel, zoals de draden van een groot tapijt.
  4. Alle wezens – of het elektronen, moleculen, stenen, planten, dieren, mensen, planeten, sterren of melkwegstelsels zijn, bevatten in zich, vanwege het inwonende bewustzijn, de potentie van al wat bestaat – in variërende graden van latent en actueel bestaan.
  5. Evolutie is het proces waardoor wat latent is zich ontvouwt tot actueel bestaan. Involutie is het proces waardoor de actuele zich invouwt tot het latente.
  6. De processen van evolutie en involutie van wezens zetten zich onafgebroken voort. Ze waren er altijd, zijn er nu en zullen er altijd zijn.
  7. Individuele wezens of monaden leven (ervaren hun bestaan) binnen een eindeloze opeenvolging van vormen die variëren in dichtheid van etherisch tot grofstoffelijk, en ook in hun graad van complexiteit van organisatie – van een cel tot een universum. Elk van deze vormen of lichamen bestaat zelf weer uit andere bewustzijnscentra in verschillende stadia van evolutie.
  8. In de hele natuur (het domein van alle wezens) volgt de vorm de functie. Naarmate de evoluerende en involuerende ervaringsbehoeften van het inwonende bewustzijnscentrum of de monade veranderen, past de gebruikte vorm zich aan de steeds nieuwe behoeften aan. Zulke veranderingen in het lichaam betreffen samenstelling zowel als vorm. In het geval van de aarde-bewonende mensen, waren de eerste vormen zo etherisch dat ze nu niet waargenomen zouden kunnen worden; de latere lichaamsvormen verschilden zo van die van ons, dat ze door de mens van nu niet als menselijk te herkennen zouden zijn.
  9. Mensen ervaren bewustzijn op verschillende wijzen terwijl ze leven en in een lichaam verblijven – wakend, slapend, gehypnotiseerd, onder drugs, alert, suf, mediterend, boos, vrolijk, nadenkend, koppig – en ook terwijl ze leven en geen lichaam gebruiken (in verschillende toestanden van bewustzijn in de dood).
  10. Bewustzijn ontstaat op vele manieren – in ontelbare vormen, die een allesomvattende keten samenstellen van onderling verbonden en verwante op bewustzijn gerichte wezens. Deze waarneembare vormen worden door de hedendaagse wetenschappers gewoonlijk materie genoemd. Twee van de meest krachtige en etherische van deze vormen – niet waarneembaar voor de wetenschap en daardoor beschouwd als niet-bestaand – zijn denkvermogen en geest. Het denkvermogen omvat gedachte, begrip, ontwerpen en plannen maken. De geest omvat creativiteit, vrijheid en liefde.
  11. De mens is afhankelijk van zijn zintuigen en hun mechanische toevoegingen (microscopen, telescopen, röntgendetectors, radio’s, enz.) om het bestaan en de aanwezigheid van stoffelijke dingen (de lichamen van bewustzijnscentra) waar te nemen. Omdat de mens zintuiglijk beperkt is, is hij zich slechts van een klein gedeelte van het gemanifesteerde bestaan bewust.
  12. Periodiciteit is een hoofdkenmerk van de werkingen van de natuur. De onophoudelijke getijden van de zeeën, waken en slapen, dag en nacht, de seizoenen, het in- en uitademen, het kloppen van het hart, de cyclussen van leven en dood van atomen en melkwegstelsels – deze afwisselingen van actie en rust – pulseren alle in ritmische patronen die in frequentie variëren van ongelooflijk snel tot onvoorstelbaar langzaam.
  13. De processen van verandering in de natuur gaan eindeloos en onafgebroken door. De tijdsperioden die ermee gemoeid zijn, zijn ongelooflijk: oneindig kort aan het ene, en bijna oneindig lang aan het andere einde van de voor ons denkbare tijdschaal.
  14. De voornaamste werktuigen van evolutie en involutie zijn karma en wederbelichaming. Ze vormen de prikkel, geven de leiding, bepalen de omstandigheden en omvatten de ervaringsmogelijkheden van wezens op hun evolutionaire reis binnen het kader van hun individuele ontwikkelingsstadium, van atoom tot steen, tot vogel, tot mens, tot ster.
  15. Dit heeft allemaal betrekking op de verheven cyclus van het tevoorschijn treden van het individuele bewustzijnscentrum uit de ondenkbare, onuitsprekelijke, onvoorwaardelijke bewustzijnsbron van ZIJN2 via de ervaring van de volledige reeks van alle mogelijke ervaringen van zijn en de uiteindelijk daaruit voortvloeiende ontwikkeling tot een wezen dat in staat is om huiswaarts te keren, naar het onvoorwaardelijk bewustzijn van ZIJN.

Nabeschouwing: Het bewustzijn ervaart, als watermolecule, zijn bestaan in een betrekkelijk uitgestrekt gebied van mogelijke vormen: in etherische vorm als een onzichtbare component van een heldere zomerlucht (waarvan de aanwezigheid wordt bevestigd door de weerman als gemeten vochtigheid), als deel van een condensatie-streep gevormd door de verstoring teweeggebracht door een passerend vliegtuig, als deel van verschillende typen wolken, als mist aan de kust, als nevel in de vallei, als een stoompluim van een fabriek; in vloeibare vorm als deel van een druppel in de oceaan, een meer, rivier, bron of dauw; in vaste vorm als deel van een sneeuwvlok, hagelsteen, rijp of het ijs dat een meer bedekt. Net als de menselijke monade heeft er een verandering plaats van een etherisch, onzichtbaar bestaan tot een solide, tamelijk gefixeerd bestaan en weer terug naar de oorspronkelijke toestand van het zijn, een goed voorbeeld van de eindeloze evolutie en involutie van ieder bewustzijnscentrum.

Verwijzingen:

  1. Zijn recente boek, The Self Aware Universe: How Consciousness Creates the Material World [Het Zelf-bewuste heelal: hoe bewustzijn de stoffelijke wereld schept], werd besproken door Elsa-Brita Titchenell in het nummer van mei/juni 1994 van Sunrise.
  2. H.P. Blavatsky, De geheime leer (1:37, 43-4, enz.)

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency