Boekbespreking: The Hidden History
of the Human Race [De verborgen geschiedenis van het menselijk
ras] van Michael A. Cremo en Richard L. Thompson, Govardhan Hill Publishing,
Badger, Californië, 1994; bibliografie, index, 322 blz., ISBN
0-9635309-6-8, gebonden. Dit boek is een verkorte versie van Forbidden
Archeology: The Hidden History of the Human Race, Govardhan Hill
Publishing, 1993; bibliografie, index, 914 blz., ISBN 0-9635309-8-4,
gebonden.
De meesten van ons kennen het klassieke beeld van het
ontstaan van de mens: een reeks opeenvolgende afbeeldingen van aapachtige
wezens, in opgaande lijn van links naar rechts, waarin iedere volgende
‘aapmens' steeds menselijker trekken vertoont, en die tenslotte
eindigt met een in anatomisch opzicht menselijk wezen van deze tijd.
Dit is het wetenschappelijke beeld van de menselijke evolutie dat tientallen
jaren lang is gepropageerd. Is dat beeld nog steeds van toepassing?
Paleoantropologische vondsten van de laatste 25 jaar schijnen dit duchtig
uit te dagen, maar de meest serieuze uitdaging komt misschien wel van
de historische gegevens van de antropologie zelf: wanneer deze op kritische
wijze worden geanalyseerd, brengen ze een wijdverspreid evolutionair
vooroordeel aan het licht.
De uitvoerigste analyse van deze aard is The Hidden
History of the Human Race [De verborgen geschiedenis van het menselijk
ras] van Michael A. Cremo en Richard L. Thompson.
De auteurs poneren twee hypothesen die op de vedische
geschriften berusten: het menselijk ras is veel ouder dan nu in het
algemeen wordt aangenomen, en verscheidene mensachtige en aapachtige
wezens bestonden in het verleden gedurende lange perioden naast elkaar.
Zij beweren dat anomale [van de regel afwijkende] vondsten die niet
in de geaccepteerde theorie over de menselijke evolutie passen, jarenlang
zijn gerapporteerd, vooral aan het eind van de negentiende en in het
begin van de twintigste eeuw. Niettemin zijn ze door wetenschappers
dermate genegeerd en onderdrukt dat de meeste thans vrijwel onbekend
zijn. Volgens de auteurs zijn als gevolg van wetenschappelijke vooroordelen
zulke afwijkende vondsten categorisch verworpen en heftig bekritiseerd.
Het boek begint met uit te leggen aan welke verscheidene
essentiële beperkingen het paleoantropologisch onderzoek onderhevig
is. In de eerste plaats zijn de ontdekkingen tamelijk zeldzaam en werden
ze vaak gedaan onder twijfelachtige omstandigheden. Zodra er iets is
gevonden, opgegraven en naar elders gebracht, worden essentiële
elementen – zoals de exacte positie ervan in de aardlagen –
vernietigd en is men naderhand aangewezen op de getuigenis van de ontdekkers.
Vele van hun beweringen zijn afhankelijk van uiteenlopende waarnemingen
en conclusies omtrent geologische lagen en verstoringen daarin. De getuigenis
van de een kan verschillen van die van een ander. Bovendien bestaat
de verleiding om te bedriegen, wat systematisch kan zijn (zoals in het
geval van de Piltdownmens1) of minder
vooraf beraamd (zoals in verslagen waarin onderzoeksmateriaal wordt
achtergehouden dat niet helemaal past in de gewenste conclusies). Ook
de moderne chemische en radiometrische datering heeft haar beperkingen.
Verontreiniging kan het resultaat beïnvloeden, of vooraf berekende
data worden soms verworpen of aanvaard op grond van argumenten die niet
altijd duidelijk worden vermeld of gepubliceerd. Aangezien paleoantropologische
verslagen de neiging vertonen onvolledige informatie te verschaffen
omtrent ‘ingewikkelde, onoplosbare problemen’, besloten
de schrijvers de kwaliteit van de diverse verslagen te vergelijken.
Het eerste deel van het boek bespreekt tal van rapporten van zogenaamde
anomale vondsten van voorwerpen en menselijke skeletresten. Het tweede
deel beschrijft rapporten van vondsten die door wetenschappers zijn
aanvaard om de heersende opvattingen aangaande de menselijke evolutie
te ondersteunen.
Men moet weten dat er in Darwins tijd nog geen gevestigde
theorie omtrent de menselijke afstamming bestond – geen volgreeks
van aapachtige wezens en geen dateringen – omdat men nog geen
ontdekkingen had gedaan van mensachtige fossiele resten, behalve twee
Neanderthalschedels en enkele vondsten van de moderne morfologie. Pas
in het begin van de jaren negentig in de vorige eeuw toen Eugene Dubois
de ‘Javamens’ ontdekte, werd een theorie van een volgreeks
van dateringen opgesteld. Deze protomenselijke fossielen werden later
bekend als de Homo erectus, en omdat ze in afzettingen van
het Midden-Pleistoceen werden gevonden, werd gezegd dat ze 800.000 jaar
oud waren. Deze ontdekking fungeerde als een referentiepunt, aldus Cremo
en Thompson: ‘Voortaan verwachtten wetenschappers niet langer
fossielen of voorwerpen aan te treffen van in anatomisch opzicht moderne
menselijke wezens in afzettingen van gelijke of hogere ouderdom. Als
ze die wel vonden, besloten ze (of een wijzer iemand) dat dit onmogelijk
was en zochten ze naar een manier om de vondst als een vergissing, een
illusie of een vervalsing in diskrediet te brengen’ (blz. 7).
Zo werd de anomalie geboren . . . want voordat
de opgestelde theorie ontstond, was er niets anomaals, niets afwijkends.
Een aantal anomalieën was in de negentiende eeuw ontdekt door wetenschappers
van goede naam, die skeletresten hadden gevonden van anatomisch moderne
mensen in tamelijk oude geologische lagen (Plioceen en Mioceen). Bovendien
vonden ze talrijke stenen werktuigen en beenderen die tekenen droegen
van activiteiten van menselijke wezens. Omdat de menselijke evolutietheorie
vaste vorm had gekregen, werden deze vondsten genegeerd of verworpen.
‘Filtratie van kennis’ heeft wetenschappers ervan weerhouden
deze verslagen (opnieuw) te onderzoeken. Ook zijn wetenschappers min
of meer opgehouden met het zoeken naar voorwerpen en resten in oudere
lagen die buiten het mogelijke bereik van de theorie liggen. Als zich
anomalieën voordoen worden ze volgens zeer strenge maatstaven beoordeeld,
terwijl vondsten die wel in de theorie passen volgens zeer
soepele maatstaven worden beoordeeld. Enkele van de strengere maatstaven
zijn beschreven door de antropoloog James B. Griffin: een betrouwbare
vindplaats moet een duidelijk te identificeren geologische samenhang
hebben (de kans op intrusie2 moet
uitgesloten zijn); ze moet door verschillende deskundige geologen worden
bestudeerd (en deze moeten het in belangrijke mate met elkaar eens zijn);
er moet een reeks werktuigvormen zijn, goed geconserveerde dierlijke
resten, stuifmeelanalyses, macrobotanisch materiaal, menselijke skeletresten,
radioactieve-koolstofdatering of datering met andere methoden. De auteurs
van Hidden History wijzen erop dat
Volgens deze maatstaf praktisch geen
enkele van de lokaties waar belangrijke paleoantropologische ontdekkingen
zijn gedaan als echte vindplaatsen in aanmerking zou komen . . . de
meeste Afrikaanse ontdekkingen van Australopithecus, Homo
habilis en Homo erectus hebben niet plaatsgevonden in
duidelijk te identificeren geologische context, maar aan de oppervlakte
of in afzettingen in grotten . . . De meeste vondsten van Homo
erectus op Java vonden eveneens plaats aan de oppervlakte, op
slecht gespecificeerde lokaties. –
blz. 89
Het boek gaat verder met een bespreking van zes soorten
anomale vondsten: gebroken en ingekerfde beenderen, eolieten, (afgekapte
vuurstenen), ruwe paleolithische werktuigen, paleolithische en neolithische
werktuigen van hogere kwaliteit, extreme anomalieën, en menselijke
skeletresten. Na de ontdekking van de Javamens en de Pekingmens geloofden
wetenschappers dat de overgang naar werktuigmakende mensen had plaatsgevonden
in het vroeg- tot midden-Pleistoceen, zodat ze niet langer naar Pliocene
of oudere werktuigen zochten, of beweerde vondsten zelfs niet eens meer
bekeken. Cremo en Thompson behandelen meer dan veertig anomale gevallen
van ingekerfde beenderen, evenals verschillende eolithische, paleolithische
en neolithische werktuigen uit verschillende delen van de wereld, en
vermelden de argumenten van hen die zogenaamd valse aanspraken aan het
licht brachten. De schrijvers wijzen op een patroon in de standaardbenadering
van controversieel bewijsmateriaal. ‘Men maakt melding van een
exceptionele ontdekking, men zegt dat er enige tijd over werd geredetwist,
en vervolgens citeert men een autoriteit . . . die zogenaamd de zaak
voorgoed heeft afgedaan. Maar wanneer men er de tijd voor neemt het
verslag op te diepen, dat . . . vermoedelijk de genadeklap zou hebben
gegeven, is dit vaak niet overtuigend’ (blz. 81).
De laatste categorie van anomale vondsten zijn menselijke
skeletresten. Deze vondsten kunnen variëren van stukken bot tot
gedeeltelijke of hele skeletten. Ze zijn op diverse plaatsen in de beide
Amerika’s en in Europa aangetroffen. Hieronder bevinden zich ook
extreme anomalieën, bijvoorbeeld een skelet dat op een steenkoolbedding
werd gevonden, overdekt met een 60 cm dikke laag leisteen, of skeletten
die werden gevonden in diverse lagen van het Oligoceen, Eoceen of vroeg-Mioceen.
Bij vaker voorkomende vondsten gaat het om skeletten en fragmenten uit
het laat-Mioceen (10 tot 5 miljoen jaar oud), het Plioceen (5 tot 2
miljoen jaar) en het Pleistoceen tijdvak (van 10.000 tot 2 miljoen jaar).
Zij die de vondsten van menselijke resten in zeer oude
geologische lagen betwisten, beweren vaak dat het om een recent gemaakt
graf in oude lagen gaat, in het bijzonder indien anatomisch moderne
mensen worden gevonden. Als dat het geval zou zijn, zouden de lagen
boven de resten aangetast moeten zijn, maar toch hebben wetenschappers
vele menselijke overblijfselen in zeer oude lagen ontdekt, waarbij de
lagen boven de resten onaangeroerd waren. Nog een argument dat door
opponenten wordt aangevoerd, is dat de resten terechtkwamen waar ze
werden gevonden als gevolg van modderstromen uit lagen van jongere datum.
Modderverschuivingen zijn evenwel ook naspeurbaar in de geologische
stratigrafie en men heeft vastgesteld dat ze in de betreffende gevallen
geen rol spelen. Bovendien nemen skeletresten vaak de kleur aan van
de grond waarin ze gedurende lange geologische perioden verbleven, wat
ook een argument is tegen intrusie vanuit recentere, anders gekleurde
grond.
Het tweede deel van Hidden History behandelt
in hoofdzaak vondsten van menselijke skeletresten die door de wetenschap
zijn geaccepteerd als bijdragen tot de menselijke evolutietheorie. De
eerste belangrijke ontdekking werd op Java gedaan door Dubois, die in
1891 een kies en schedelkap en in 1892 een gefossiliseerd menselijk
dijbeen vond. Hij geloofde dat die bij elkaar hoorden en de resten waren
van een uitgestorven reuzenchimpansee. Pas na een briefwisseling met
Ernst Haeckel, die het bestaan van een ontbrekende schakel (Pithecanthropus)
postuleerde, beschouwde Dubois zijn vondst als een specimen van deze
aapmens. Na aanvankelijk verzet schoot Pithecanthropus wortel in het
brein van wetenschappers als een vroege voorouder van de mens. In de
jaren dertig reisde G.H.R. von Koenigswald naar Java om het onderzoek
naar Pithecanthropus voort te zetten en huurde tientallen Javaanse arbeiders.
De plaatselijke dorpsbewoners, aan wie men geld had beloofd in ruil
voor vondsten, werden per object betaald, zodat stukken van beenderen
werden gebroken om meer geld te verdienen. Door deze benadering werd
de strenge maatstaf van een nauwkeurige locatiebeschrijving onmogelijk,
en toch is Pithecanthropus nu als Homo erectus bekend en wordt
hij nog steeds beschouwd als een geaccepteerde schakel in onze voorouderlijke
geschiedenis.
Naarmate de antropologen nog meer mensachtige overblijfselen
vonden, ontwikkelden ze een methode van morfologische datering die Cremo
en Thompson voor zeer twijfelachtig houden. Wanneer bijvoorbeeld twee
specimens van mensachtigen van verschillende morfologie in dezelfde
aardlaag en in aanwezigheid van een gelijksoortige fauna worden aangetroffen,
moeten ze in dezelfde geologische periode worden geplaatst. Deze periode
kan zich evenwel uitstrekken over vele honderdduizenden jaren. In sommige
gevallen, wanneer verschillende paleomagnetische, chemische en radiometrische
methoden een wijde spreiding van tegenstrijdige dateringen in die periode
laten zien, dan
beslissen de wetenschappers, uitsluitend
op grond van hun gebondenheid aan de evolutietheorie, dat het morfologisch
meer aapachtige specimen moet worden verplaatst naar het vroegste
deel van zijn eventuele tijdschaal en het te verwijderen uit dat deel
van zijn mogelijke tijdschaal dat die van het morfologisch meer mensachtige
specimen overlapt. Als onderdeel van dezelfde procedure kan het meer
mensachtige specimen worden verschoven naar het latere of meer recente
deel van de tijdschaal die binnen de mogelijkheden valt. Zo worden
de twee specimens wat de tijd betreft van elkaar gescheiden. . . .
Het zou een slechte indruk maken als van twee gelijktijdig bestaande
vormen de een in het algemeen als de voorvader van de ander wordt
beschouwd. . . . Door deze kunstgreep uit te voeren, worden de twee
fossiele hominiden, die nu in de tijd van elkaar zijn gescheiden,
vervolgens in de leerboeken vermeld als een bewijs van evolutionaire
vooruitgang. . . . – blz. 204-5
Tegenwoordig schijnt Afrika de arena te zijn voor wetenschappers
waar zij hun woordenstrijd en meningsverschillen omtrent de menselijke
evolutietheorie uitvechten. De afstammingslijn die tot niet zolang geleden
nog opgeld deed, was in grove trekken Ramapithecus (fossiele
aap), Australopithecus, Homo habilis, Homo erectus,
die tenslotte eindigde met Homo sapiens. In deze reeks werden
aan Australopithecus en Homo habilis tamelijk mensachtige
kenmerken gegeven, zoals een aapachtig hoofd of gelaat op een modern
uitziend menselijk lichaam. Paleoantropologische ontdekkingen van de
laatste 25 jaar hebben er veel aan bijgedragen om dit nogal simpele
beeld te ondermijnen. Daarnaast hebben diverse andere soorten van onderzoek
naar fossiele mensachtigen het beeld nog verder verstoord.
Men gelooft dat Homo sapiens ongeveer 100.000
jaar geleden voor het eerst is verschenen. Verondersteld wordt dat Homo
erectus ongeveer 1 miljoen jaar oud is, en Australopithecus
verscheidene miljoenen jaren. Recente vondsten dateren deze mensachtigen
evenwel terug voorbij de hun toegewezen tijdsperioden en soms maken
ze hen tot tijdgenoten, waardoor natuurlijk de opvatting dat ze elkaars
voorouders zijn teniet wordt gedaan. De fossiele resten van Homo
habilis zijn zo heterogeen dat een aantal wetenschappers zich afvraagt
of sommige hiervan misschien moeten worden toegeschreven aan
Australopithecus en andere aan Homo erectus. Wegens dimorfie
(waarbij de man ongeveer tweemaal zo groot is als de vrouw) in sommige
van deze vroege soorten, is het tevens mogelijk dat er overblijfselen
werden toegeschreven aan verschillende types, terwijl ze in werkelijkheid
verschillende seksen van één soort vertegenwoordigden.
Donald Johanson, de ontdekker van Lucy, een Australopithecus
die volgens datering 3,5 miljoen jaar oud is, blijft ‘volhouden
dat Homo rechtstreeks uit Australopithecus afarensis
is voortgekomen’ (blz. 265). ‘Louis Leakey was van mening
dat Australopithecus een vroege en zeer aapachtige zijtak van
de hoofdlijn van de menselijke evolutie is geweest. Later huldigde zijn
zoon, Richard Leakey, vrijwel hetzelfde standpunt’ (blz. 257).
Momenteel zijn er tenminste vier verschillende types van Australopithecus
bekend: A. afarensis, A. africanus, A. robustus
en A. boisei, waarvan de laatste twee robuustere typen met
grotere kaken vertegenwoordigen. Wetenschappers zijn het echter oneens
over hun afstammingslijn. Sommigen denken dat de een van de ander afstamde,
terwijl anderen geloven dat de robuustere typen een zijtak vormden die
zich specialiseerde. Toen werd in 1985 de zogenaamde ‘zwarte schedel’
door Alan Walker gevonden bij het Turkanameer. Deze schedel had grotere
tanden, een grotere kaak en een pijlnaad (naad tussen de bovenranden
van de twee wandbeenderen van de schedel), en lijkt op A. boisei,
maar bleek 2,5 miljoen jaar oud te zijn, ouder dan de oudste robuuste
Australopithecus. Hierdoor werd de theorie van specialisatie
in robuuste typen zeer twijfelachtig.
Gezien de resultaten van hun onderzoek naar anomale vondsten,
geaccepteerde ontdekkingen en wat er in de laatste tijd in Afrika aan
het licht is gekomen, trekken Cremo en Thompson de volgende conclusies:
(1) Er is een opmerkelijke hoeveelheid
bewijsmateriaal uit Afrika dat doet vermoeden dat in het vroeg-Pleistoceen
en Plioceen wezens bestonden die op anatomisch moderne mensen lijken.
(2) Het conventionele beeld van Australopithecus als een
zeer mensachtige aardse tweevoeter blijkt onjuist te zijn. (3) De
status van Australopithecus en Homo erectus als
menselijke voorouders is twijfelachtig. (4) De status van Homo
habilis als een aparte soort is twijfelachtig. (5) Zelfs wanneer
we ons beperken tot het conventioneel aanvaarde bewijsmateriaal, geeft
de veelheid van veronderstelde evolutionaire verbindingen tussen de
mensachtigen in Afrika een zeer verward beeld. –
blz. 265-6
Wanneer ze deze waarnemingen combineren met wat ze hebben
ontdekt bij de bestudering van verslagen aangaande anomale vondsten,
komen ze tot de slotsom dat het bewijsmateriaal in zijn geheel (beenderen
en stenen) ‘in zeer hoge mate verenigbaar is met het denkbeeld,
dat anatomisch moderne mensen gedurende tientallen miljoenen jaren gelijktijdig
met andere primaten hebben bestaan’ (blz. 266).
Deze conclusie stemt overeen met wat H.P. Blavatsky ruim
honderd jaar geleden verklaarde – in theosofische geschriften
die eveneens naar de vedische geschriften verwezen. Vanuit het gezichtspunt
van de theosofie stamden menselijke wezens niet van voorouderlijke mensapen
af: de mensheid vormt de voornaamste stam waaruit alle wezens zijn voortgekomen.
Apen ontstonden tientallen miljoenen jaren geleden na gemeenschap van
de eerste verstandloze mensen met primitieve zoogdieren. In die tijd
was de stof plastischer en waren de barrières tussen de soorten
minder uitgesproken dan thans. Later werd deze daad herhaald door gedegenereerde
(maar niet langer verstandloze) wezens van de menselijke stam en afstammelingen
van de vroege hybriden (apen). Het gevolg was een verscheidenheid van
halfmenselijke wezens met min of meer aapachtige trekken. De oude heilige
geschriften beschrijven deze wezens als ‘apen’ die meer
op menselijke wezens leken dan onze huidige antropoïde apen. Ook
vertellen ze ons dat de mensen uiteindelijk oorlog hebben gevoerd tegen
deze half-mensen en de meeste van hen hebben uitgeroeid, waarbij ze
de meest dierlijke in leven hebben gelaten. Onze huidige mensapen zijn,
zo wordt beweerd, de afstammelingen van deze dierlijke hybriden.
Een evolutionaire afstamming van deze aard zou de verklaring
zijn waarom de fysieke structuur van de mens onweerlegbaar primitief
is, terwijl die van de dieren, waaronder de zoogdieren en antropoïde
apen, in toenemende mate is gespecialiseerd. G. de Purucker wijst op
enkele van deze primitieve kenmerken in zijn Mens
en Evolutie, met name op de menselijke schedel, de neusbeentjes,
de gelaatstrekken, het skelet, de spieren, de tong, het wormvormig aanhangsel,
de slagaderen, het tussenkaaksbeen en de voet, als voorbeelden van primitieve
eenvoud in mensen. Vergeleken met de menselijke voet is de voet van
de aap een duidelijk voorbeeld van specialisatie – deze heeft
zich ontwikkeld tot een hand. Wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling
van het gebit en de positie van het strottehoofd van mensen en apen
heeft een opmerkelijk verschil aan het licht gebracht. Dit onderzoek
gold fossiele mensachtigen en wordt door Richard Leakey beschreven in
zijn Origins Reconsidered [De oorsprong opnieuw beschouwd]
(1992). Het blijkt dat Australopithecus, Homo habilis
en de vroege Homo erectus kenmerken hebben die aapachtiger
zijn, terwijl de patronen in de latere Homo erectus, de Neanderthalers
en Homo sapiens menselijk zijn.
Indien de hypothesen die in The Hidden History of
the Human Race ter tafel worden gebracht, dat de mens veel ouder
is dan doorgaans wordt geloofd, juist zijn en dat mensachtige en aapachtige
wezens lange tijdsperioden gelijktijdig hebben bestaan, wie waren dan
Australopithecus, Homo habilis en Homo erectus?
Sommige wetenschappers hebben al erkend dat we eigenlijk niet weten
waar Homo sapiens vandaan kwam. Zouden al deze vroege mensachtigen
de gemengde vormen kunnen zijn tussen menselijke en aapachtige wezens
zoals in de theosofische literatuur is beschreven? Misschien is het
zoeken naar de eerste aapmens die rechtop stond en zich als een mens
gedroeg niet eens relevant. Is het wellicht zo, dat de mens zijn eigen
voorouder is?
Noten
- De veronderstelde voorouder of ‘ontbrekende
schakel’ in de evolutie van de mens, die op bedrog bleek te
berusten. [- vert.]
- Inpersing van magma in al aanwezig gesteente. [- vert.]