Evolutie en de seksen
Sarah Belle Dougherty

 

Het besef van onze seksuele identiteit is zo sterk dat het geslacht een fundamenteel onderdeel van het menszijn lijkt. Toch zegt de theosofische filosofie die ten grondslag ligt aan mythologieën en religies over de wereld, dat de mensheid oorspronkelijk niet was verdeeld in seksen. De bijbel bijvoorbeeld zegt dat de eerste menselijke wezens als ‘man-en-vrouw’ werden geschapen – met andere woorden als tweeslachtige wezens – en dat dit androgyne ras zich later in twee seksen splitste, hetgeen gesymboliseerd wordt door Eva die uit de zijde of ‘rib’ van Adam werd gevormd. Adam is hier een verzamelwoord, zoals het Nederlandse woord Mens, en duidt op ‘man’ in de zin van ‘mensheid’. Ook Plato merkt in zijn Symposium op dat mensen, oorspronkelijk eivormige androgynen, door Zeus in mannelijke en vrouwelijke helften werden gescheiden ‘als met een haar die een ei in tweeën deelt’ en sinds die tijd zoekt iedere helft de andere om zichzelf te completeren.

Terwijl wetenschappers leven en bewustzijn als bijprodukten van de stoffelijke evolutie beschouwen, stelt de theosofie dat het stoffelijke lichaam de activiteit van onderliggende spirituele en psychomentale krachten weerspiegelt. Alle wezens in het universum zijn levende, bewuste, evoluerende wezens, niet de eindresultaten van willekeurige en puur mechanische materiële processen. Volgens deze visie volgen de drang tot evolutie en de richting van de ontwikkeling uit het innerlijk wezen van iedere entiteit zelf. Bovendien voltrekt de evolutie zich in individuele wezens die zich ontwikkelen door middel van een aeonenlang proces van wederbelichaming, en niet door middel van de vormen van soorten of klassen die zich op de één of andere wijze in elkaar transformeren door een reeks van fysieke veranderingen.

De moderne theosofische literatuur ziet mensen als in wezen seksloze bewustzijnscentra die zich tot uitdrukking brengen door middel van materiële vormen, aangepast aan hun steeds groeiende bewustzijn. De voortplantingsmethoden zijn sterk veranderd naarmate de mensheid zich in heel verschillende lichaamsvormen openbaarde onder sterk wisselende aardse omstandigheden. De vroege stadia van menselijke evolutie op deze bol in deze planetaire cyclus1, vormen een progressieve ontwikkeling over een periode van miljoenen jaren: van etherische aseksuele wezens via meer materiële androgyne wezens tot de huidige seksuele mensheid. De verschillende vormen van voortplanting in de natuur zijn tenslotte variaties op één enkel thema. Altijd scheidt een individu een deel van zichzelf af, dat zich daarna zelfstandig ontwikkelt tot een gelijksoortig individu, of dit nu gebeurt door deling, knopvorming, sporen, zaden, of eieren die binnen dan wel buiten het lichaam worden uitgebroed. Eieren kunnen zelfbevruchtend zijn (wanneer ze beide voortplantingselementen bevatten) of moeten van buitenaf bevrucht worden (omdat ze maar één element bevatten). In het laatste geval kan het tweede element door hetzelfde individu worden bijgedragen (hermafroditisme), of door een ander (seksuele voortplanting).

Het menselijk lichaam is, als menselijk lichaam, in zijn lange geschiedenis door al deze voortplantingsprocessen heengegaan en heeft hierbij typen uit de lagere rijken van de natuur in het kort herhaald, die tijdens de vroegere grote cyclussen of ronden van de aardse evolutie met behulp van de bewustzijnscentra van de mensheid zijn opgebouwd. Want verre van laatkomers te zijn, bestonden de innerlijke zelven die het mensenrijk samenstellen al voordat de aarde werd gevormd en werden vele aeonen geleden bijeengebracht met alle andere zaden van de aardse levens om deze planeet geboren te doen worden.

De menselijke evolutie op deze bol herhaalde in deze vierde aardse cyclus dus eerdere grote cyclussen in het kort. Eerst was de mensheid meer etherisch dan fysiek: gigantische, semi-astrale ‘cellen’ die zich aanvankelijk voortplantten doordat één vorm versmolt in zijn nageslacht, en later door middel van deling, zoals dat tegenwoordig bij cellen gebeurt. Deze individuen kenden de dood niet zoals wij haar nu kennen omdat zij hun eigen nageslacht werden. Met het verstrijken van de aeonen maakte de eerste grote menselijke cyclus of het eerste wortelras plaats voor de tweede. Het menselijk lichaam werd vaster, alhoewel nog steeds astraal: gelatineachtig en draderig, zonder botten, organen, haar, of echte huid, ongeveer zoals een kwal van nu, of het doorschijnende vlees van een jong embryo. Ze plantten zich eerst voort door knopvorming, later door een proces dat lijkt op het afwerpen van sporen of levenscellen. Deze ‘mens’ was niet-zelfbewust en amoreel, en had in dit opzicht veel weg van de dieren van nu. Deze etherische ontwikkelingsprocessen namen vele miljoenen jaren in beslag. Omdat deze mensen minder fysiek waren dan de aarde waarop ze leefden, lieten ze geen fossielen na.

Zo’n 20 tot 25 miljoen jaar geleden begon de vroege mens zijn derde cyclus of wortelras. Aanvankelijk waren de mensen nog betrekkelijk etherisch, ze waren fysiologisch gezien mannelijk noch vrouwelijk en plantten zich nog steeds voort door levenscellen af te geven. Naarmate hun protoplasma langzaam dichter en vaster werd, specialiseerde het zich tot skelet-, zenuw-, spierachtige en andere systemen en organen, zodat de eerste herkenbare menselijke wezens ontstonden – hoewel ze er nog heel anders uitzagen dan nu. Naarmate de voortplantingsorganen een vaste plaats kregen, werd de mens androgyn en plantte hij zich voort door middel van eieren, die eerst buiten het lichaam rijpten en daarna binnen het lichaam, zoals dat nu gebeurt. De aanwezigheid van rudimenten in iedere sekse van de voortplantingsorganen van de andere is een overblijfsel van dit hermafroditisme.

Naarmate de mensheid stoffelijker werd en haar innerlijke en uiterlijke voertuigen zich in het derde wortelras ontwikkelden, begonnen de menselijke bewustzijnscentra hun ware menselijke aspecten tot uitdrukking te brengen. Ieder mens bestaat uit meerdere afzonderlijke, karmisch met elkaar verbonden bewustzijnscentra op verschillende evolutionaire niveaus, die ruwweg overeenkomen met de natuurrijken. Toen het menselijke intellectuele centrum of Zelf in staat was zich tot uitdrukking te brengen door zijn dierlijk-menselijke ziel en zijn stoffelijk lichaam, traden mentale krachten zelfbewust het menselijk bewustzijn binnen. Dit punt was het cruciale moment in de menselijke evolutie, dat in mythen over de wereld als de komst van het denkvermogen werd vereeuwigd. Veel tradities beschrijven deze gebeurtenis als de incarnatie van goden onder de mensen, omdat het het ontwaken van ons ware menselijke zelf vertegenwoordigt, onder de invloed van onze eigen innerlijke goddelijkheid en van hoog ontwikkelde wezens die het bewustzijn van de vroege mens ontstaken en onderwezen.

Het was de bipolaire activiteit van hun mentale vermogens die ertoe leidde dat de androgyne mensen zich langzaam splitsten in de twee seksen. In het begin werden nu en dan individuen geboren in wie de ene of de andere sekse overheerste, totdat seksuele wezens de norm werden en tweeslachtigheid verdween. Maar hoewel onze psychofysieke aspecten blijk geven van seksuele verschillen, gaan onze spirituele en goddelijke delen die van incarnatie tot incarnatie blijven bestaan, nog steeds het sekseverschil volledig te boven.

Het menselijk leven veranderde radicaal met de komst van intellectueel zelfbewustzijn. Deze ontwikkeling was sterk verbonden met de sluimertoestand van het zogenaamde derde oog van geestelijke waarneming, de komst van de ‘dood’ en de scheiding van de seksen. De aarde naderde haar meest stoffelijke stadium, en na de scheiding van de seksen naderde ook het menselijk lichaam zijn meest materiële stadium, een fase waarnaar wordt verwezen als het vierde of Atlantische wortelras. Op dat moment vond een andere belangrijke gebeurtenis plaats: het scheidingspunt voor deelname aan menselijke en hogere rijken. Het zelfbewuste denkvermogen had zich gemanifesteerd in alle wezens die in staat waren hun intellectuele beginsel tijdens deze belichaming van de aarde tot uitdrukking te brengen. Gelijksoortige scheidingspunten vonden plaats met betrekking tot het mineralen-, het planten- en het dierenrijk in vroegere aardse cyclussen, en andere zullen in de toekomst volgen wanneer sommige entiteiten in staat zullen zijn om verder te evolueren dan het menselijke stadium en andere niet.

Als in essentie spirituele entiteiten, openbaren menselijke wezens zich door middel van vormen die veranderen in overeenstemming met innerlijke behoeften en ontwikkelingen. De fysiologische verschillen tussen de seksen weerspiegelen de huidige activiteit van onze psychomentale krachten. Naarmate de mensheid als geheel geleidelijk de meer ontwikkelde aspecten van de geest tot uitdrukking brengt – die uitgaan boven de dualiteit – zal het menselijk lichaam uiteindelijk de actie van de tweepolige levenskrachten weerspiegelen die circuleren door wat in India de nadi’s (‘buizen’, ‘kanalen’) worden genoemd. Nadi slaat op kanalen zoals de bloedvaten en zenuwen, maar in het bijzonder op drie kanalen die de ruggengraat vormen: de sushumna, in het centrum van de ruggengraat, en de ida en pingala, astraal-fysieke en energiekanalen aan beide zijden van de ruggengraat. Deze zijn nauw verbonden met de chakra’s, zowel fysiek als astraal, en voeren de fysieke, psychovitale, intellectuele en spirituele krachten door de hele menselijke constitutie.

H.P. Blavatsky wijst op het verband tussen de ida en pingala met het sympatische zenuwstelsel en zegt dat

Vanuit een heilig punt boven de medulla oblongata, de trideni genaamd, ontspringen sympathische strengen. Uit ditzelfde punt beginnen ida en pingala, waardoor een hoger knooppunt van de sympatische en de cerebro-spinale assen wordt gevormd. . . .

Sushumna is de centrale doorgang, ida ligt aan de linkerzijde van het ruggemerg en pingala aan de rechterzijde. Als de sympatische strengen vergroeien om een nieuw ruggemerg te vormen, zoals hierboven uitgelegd, zullen ida en pingala met sushumna worden verenigd en ook één worden. De sympatische strengen, die zo nauw betrokken zijn bij het stelsel van klieren, ontwikkelen zich bij de vrouw meer dan bij de man, en de cerebro-spinale as, die verbonden is met het spierstelsel, ontwikkelde zich bij de man meer dan bij de vrouw, maar zullen gelijkwaardigheid of een evenwicht bereiken, en daarmee zal het androgyne het typisch menselijke worden.
     – H.P. Blavatsky, Collected Writings 12:700-2

Het doel van de scheiding tussen de seksen was dus om bij de mensen de ingeboren bipolaire aspecten van hun lagere mentaliteit tot voller wasdom te brengen. Naarmate de mens een evenwichtige ontwikkeling bereikt tussen de psychomentale krachten die verbonden zijn met de nadi’s, zullen deze zich lichamelijk manifesteren als twee kanalen of ‘ruggegraten’ in een dan tweeslachtig lichaam: omdat de bipolariteit die op het ogenblik het bestaan van twee seksen veroorzaakt dan in evenwicht zal zijn in ieder mens, zal ieder zowel de ‘mannelijke’ als de ‘vrouwelijke’ kwaliteiten belichamen en dus zowel fysiek als psychisch tweeslachtig zijn. Met het voortgaan van de evolutie van de geest en de involutie van de stof, zal de mens uiteindelijk geslachtloos worden, zoals hij dat in zijn verder geëvolueerde, spirituele aspecten altijd is geweest.

Tegelijkertijd zullen de menselijke voortplantingsmethoden noodzakelijkerwijze veranderen. Naarmate het menselijk lichaam meer etherisch wordt en we beter in staat zijn om onze menselijke en spirituele krachten bewust te gebruiken, zal het huidige seksuele proces plaatsmaken voor een proces waarbij door één enkel individu een ander mens zal worden voortgebracht, een proces dat Blavatsky omschreef als ‘wil en yoga’, in het Sanskriet kriyasakti: de kracht van de actieve wil en de creatieve verbeelding die uiterlijke gevolgen teweegbrengt. De mensheid zal deze huidige evolutiecyclus op aarde voltooien als een ras van uit de geest geboren christussen en boeddha’s.

In onze tijd zijn mensen noch geheel mannelijk noch geheel vrouwelijk: naast een latent tweeslachtig lichaam, zijn we ook in meerdere of mindere mate psychologisch tweeslachtig en brengen we beide polariteiten van de lagere mentale en emotionele krachten tot uitdrukking. Waarom zouden we iets anders verwachten wanneer ieder van ons zoveel levens heeft doorgemaakt in lichamen van beide seksen? Een mens kan in een reeks levens verschillende malen als man incarneren en vervolgens in een reeks levens als vrouw, heen en weer geslingerd naarmate de polariteit van lagere psychomentale krachten zich langzaam van de ene kant naar de andere beweegt, in overeenstemming met de gedachten en ervaringen van de betreffende persoon, totdat tenslotte een evenwichtige ontwikkeling wordt bereikt. Daarom is geen van de seksen superieur aan de andere, en evenmin zijn de leden van één sekse als groep superieur aan die van de andere. Ieder mens evolueert als een individu, maakt gebruik van fysieke en psychische instrumenten van een bepaald type, als gevolg van psychomentale neigingen die gedurende recente aardse levens zijn opgebouwd en als gevolg van karmische eisen en mogelijkheden.

Maar fysieke factoren zijn slechts een enkel aspect in de evolutie van de seksen. De mensheid is gedompeld in de gedachten-atmosfeer van de aarde, het akasa: de opslagplaats van die levende energieën die gedachten en gevoelens worden genoemd. Deze verzameling niet-fysieke maar heel reële psychomentale energieën beroert ieder mens, en elk individu trekt díe gedachten en gevoelens aan die het meest bij haar of zijn eigen grondtoon en tijdelijke gemoedstoestand passen. Als we de morfische velden van Rupert Sheldrake als analogie gebruiken, dan vertegenwoordigen deze energieën psychomentale gebieden die door de mensheid zijn opgebouwd sinds zij op aarde verscheen. Naarmate deze velden door herhaling worden versterkt, kunnen ze zeer overheersend en gemakkelijk toegankelijk worden.

In de loop van de opgetekende geschiedenis hebben mannen als totaliteit zich op bepaalde karakteristieke wijzen gedragen en een specifiek stel neigingen getoond die sterke collectieve psychomentale gewoonten of velden in het leven hebben geroepen. Hetzelfde geldt voor vrouwen als groep. Volgens Sheldrake trekken we door resonantie de velden aan die het meest met ons overeenstemmen. Iemand die in een mannelijk lichaam is geboren lijkt op een radio die is afgestemd op de ontvangst van bepaalde zenders, terwijl iemand in een vrouwelijk lichaam is afgestemd om andere zenders te ontvangen. Tenzij de aangeboren karaktertrekken van het individu sterker zijn dan deze inherente gevoeligheid, zal hij of zij geneigd zijn in gebreke te blijven door deze typisch mannelijke of vrouwelijke reacties en gedragingen te manifesteren. Op deze wijze hebben het gebruikelijke gedrag en de ervaringen van mannen en vrouwen over de hele wereld in de loop van de tijd gebrekkige neigingen van menselijk denken en gedrag ontwikkeld, waarvan sommige wenselijk zijn, maar andere niet. Sommige weerspiegelen zonder twijfel fysiologische verschillen in de structuur en het functioneren van de hersenen, die verband houdt met de bipolariteit van de mentale krachten. Het is daarom belangrijk om bewust te kiezen als het om onze gedachten, emoties en daden gaat en na te gaan of deze voortvloeien uit wat we waarderen en geloven of dat het eenvoudig onbewuste collectieve gewoonten zijn die ons beïnvloeden vanuit het akasa.

Onze variërende toestand in verleden en toekomst geven aan dat sekse en de sekseverschillen niet fundamenteel zijn voor het menselijk bestaan. Omdat de aarde het meest stoffelijke punt in haar evolutie is gepasseerd, heeft er een verschuiving plaats van haar rijken van fysieke manifestatie naar spirituele expressie. De toekomstige menselijke evolutie hangt af van de mate waarin wij de hogere mentale, intuïtieve, en spirituele kwaliteiten cultiveren die zich uiten als mededogen, altruïsme, wilskracht, kennis, intuïtie, zelf-beschikking, zelfexpressie, samenwerking, dienstbaarheid, rechtvaardigheid en liefde, naast nog vele andere. Sommige van deze kwaliteiten zijn voornamelijk in verband gebracht met een van de seksen, zoals het geval is met minder gewenste trekken als agressie, geweld, onwetendheid, competitiedrang, onderdanigheid, zwakheid, frivoliteit en passiviteit. De vooruitgang als mens berust op het verwerven van een evenwichtige spirituele groei. Zowel vrouwen als mannen moeten alle positieve menselijke kwaliteiten die in spirituele tradities over de hele wereld benadrukt worden voortbrengen, en de negatieve aspecten in zich onder ogen zien en overwinnen. Als we deze weg van ontwikkeling volgen, kan ieder van ons niet alleen een completer mens worden, maar ook een reëlere en vollediger uitdrukking van het goddelijke bewustzijnscentrum dat we in wezen zijn.

 

Verwijzing

  1. Zie in dit nummer ‘De evolutie van de mensheid en haar beschavingen’ en ‘Cyclussen van de mens en van de kosmos’ voor een meer volledige uiteenzetting van de cyclussen van de aarde en de mens, zoals ronden en wortelrassen.
 
Andere artikelen over evolutie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency