Cyclussen van mens en kosmos: De ronden en rassen in ons
James T. Belderis 

 

De universaliteit van cyclische groei behoort tot de meest fundamentele stellingen van de eeuwige filosofie. Dit wil zeggen dat de cyclussen van de kosmos zich in ons weerspiegelen: allemaal zijn we vonken van de eeuwigheid, komen periodiek tot aanzijn, ontwikkelen meer van onze latente vermogens en keren dan terug naar onze ouderster. Natuurlijk hebben velen er moeite mee dit te geloven. Kosmische cyclussen hebben immers te maken met de ontwikkeling van het universum, met de bewegingen van de sterren en planeten; hoe kan hun ontwikkeling dan in ons zijn weerspiegeld?

Als we het groeiproces zelf nader beschouwen, treffen we een gemeenschappelijk kenmerk aan van universele proporties. Van planeten en sterren tot ieder type leven op aarde – ieder doorloopt zijn progressieve ontwikkelingsstadia van lagere naar hogere organisatievormen. Maar wat bestuurt die groei van het ene stadium naar het volgende? De latente mogelijkheid voor hogere organisatieniveaus van ontwikkeling moet al aanwezig zijn in de lagere niveaus die eraan voorafgaan, maar dat potentieel kan niet worden gevonden op stoffelijk gebied. De materie kan haar eigen transformatie niet tot stand brengen. Iets anders moet het proces sturen, iets hogers dan de stof. Dat moet op zijn beurt ook door iets hogers worden gestuurd, en dat weer door iets nog hogers. Zodoende begint alle geopenbaarde evolutie met de laagste vormen – maar ze wordt geregeld door de hoogste niveaus van het bestaan. Zo denkt men bijvoorbeeld in het algemeen dat we het leven beginnen als een enkele cel, die zich dan deelt en vermenigvuldigt tot een kluitje van identieke eenheden. Maar terwijl we onze weg banen naar de baarmoeder, beginnen onze cellen zich verschillend te ontwikkelen en zich te specialiseren om verschillende functies te kunnen verrichten. In ons stoffelijk lichaam is er niets om dit soort groei te leiden. Al onze cellen hebben precies hetzelfde genetische materiaal en toch gaan ze ermee door zich op steeds ingewikkelder manieren te specialiseren. Die groeipatronen kunnen op het stoffelijke gebied niet worden aangetroffen, omdat ze bestaan op hogere onstoffelijke niveaus, en daar is het dat elk menselijk leven zijn ware oorsprong heeft.

We komen voort uit de eenheid van de alomvattende BRON en komen in eerste instantie tot aanzijn als een geestelijke straal. Die straal kent de hoofdtrekken van het ongeboren toekomstige kind – in feite overschaduwt hij vanaf de tijd van onze conceptie de manier waarop we groeien. Hij drukt een stempel op de elementale krachten die onze eerste embryonale levenssfeer bepalen en leidt ons door een reeks van uiterlijke en innerlijke transformaties. Ieder stadium in onze uiterlijke vorming verschaft een voertuig voor de ontwikkeling van onze innerlijke natuur, die op haar beurt vooruitloopt op de volgende transformatie van onze uiterlijke natuur. Die stadia zijn feitelijk weerspiegelingen in het klein van de vormingsevolutie van de natuur waar we allemaal deel aan hebben gehad. Die archaïsche cyclussen zijn in ons weerspiegeld omdat we ons eigen wezen op de fundering ervan opbouwen. We moeten embryonale voertuigen uit elk rijk dat we hebben helpen vormen weer opnieuw tot manifestatie brengen, zodat ze onze samengestelde natuur kunnen helpen opbouwen.

Terwijl we als een enkele cel bestaan en ons vervolgens delen in een groep cellen, gaan we opnieuw door het bewustzijn van de moleculaire structuur dat in de wereld van de mineralen overheerst – dat wat ons stoffelijk lichaam nodig heeft. Als we ons vastzetten in de slijmvliezen van de baarmoeder en een netwerk van wortels uitzenden om voedsel op te nemen, beleven we opnieuw de ervaring van vegetatieve levenskracht die in het plantenrijk voorkomt – wat voor onze lichaamsfuncties nodig is. Terwijl het genestelde embryo stevig geworteld raakt in de baarmoeder, wordt het omringd door een dik vlies van weefsel en binnen dit omhulsel maken we een drastische en versnelde gedaanteverwisseling door. Er beginnen zich hersenen te vormen, samen met het ruggemerg, ingesloten door een lang en spits toelopend uitsteeksel – dezelfde constructie zou in een dierlijk embryo een staart worden. Aan de basis van het hoofd groeien weefselplooien – dezelfde soort plooien zien we bij visseëmbryo’s en ontwikkelen daar tot kieuwen. We doorlopen de prenatale veranderingen die dieren doormaken omdat een dierlijke natuur een wezenlijk onderdeel van onze constitutie is: het verschaft ons het instinctieve verlangen om onze lichamelijke behoeften te bevredigen.

Naarmate we de vorm van een mensenkind aannemen, ondergaat onze uiterlijke metamorfose vertraging en versnelt onze innerlijke groei. Daarmee is veel meer gemoeid dan alleen onze inwendige organen – we zijn bezig onze capaciteit om via uitdrukkingsmogelijkheden van het denkvermogen te werken, snel uit te breiden. We vullen de hoofdlijnen in die door vele eeuwen van evolutie zijn uitgestippeld en bouwen het vermogen op ons te vereenzelvigen met onze waarnemingen en een ik-besef tot stand te brengen. Dit is de mentale identiteit die we gebruiken om over onszelf na te denken. Het is het voertuig waarin we als mens leven. En het zal steeds meer kunnen opnemen, naargelang we worden gedreven door de oerdrang onze essentiële eenheid te herwinnen.

Wat nemen we waar terwijl we als ongeboren kind deze vormingscyclus doorlopen? Daar we ons nog erg dicht bij de eenheid van de geest bevinden die onze groei overschaduwt, worden onze eerste waarnemingen overheerst door eenheid. We zijn grotendeels één met onze stoffelijke wereld, want de schoot is van nature toegewijd aan ons comfort en onze veiligheid. Maar onze wereld omvat ook de niet-stoffelijke natuur van de moeder, die een hiërarchie van beginselen heeft waarop we innig zijn afgestemd. Haar levenskracht is voor ons gevoel van eenheid meer van belang dan haar lichamelijk wezen. Haar emoties, die op haar levenskracht inwerken, zijn zelfs nog belangrijker. En nog meer de gedachten die haar emoties opwekken.

Op al die niveaus ontmoeten we pijnlijke aspecten die ons gevoel van eenheid terstond kunnen bedreigen. Door die aspecten uit onze identiteit te weren, beginnen we een illusionair gevoel van eenheid te ontplooien rond de beperkte vormen waarmee we vertrouwd zijn en die in toenemende mate beperkt worden naarmate we in de stof afdalen. Daar dit in steeds kleinere gebieden van onze zich ontvouwende natuur gebeurt, kondigt het de uitdrukkingsmiddelen aan waardoor we zullen werken in onze volgende ontwikkelingsronde.

We worden geboren met het prototype van onze stoffelijke identiteit: onze eerste lichamelijke bewustzijnssfeer. Dat schaduwachtige prototype wordt opgebouwd door de zich ontvouwende niveaus van ons samengestelde wezen terwijl we ons langzamerhand steeds meer gelijkstellen aan ons stoffelijk lichaam. Na alles wat we kunnen van onze stoffelijke identiteit te hebben gemanifesteerd, gaan we door een cyclus van vitaliteit: de energie die ten grondslag ligt aan onze activiteit stellen we centraal. Als onze aandacht zich weer verplaatst, gaan we de cyclus in van onze begeerten en de daarmee gepaard gaande emoties. Dit is het dieptepunt van onze afdaling in de stof, want niets overtreft de kracht van begeerte wat betreft het teweegbrengen van de illusie dat ons bestaan afhankelijk is van de uiterlijke levensvormen. Ze is inderdaad zo krachtig dat ze ons helpt alle hogere gebieden van gewaarzijn in deze cyclus tot manifestatie te brengen. Al spoedig stellen we onszelf voor als de dingen die we wensen, hebben ingevingen erover en voelen ons er zelfs één mee. Maar die hogere sferen brengen ons steeds dichter bij de volgende ontwikkelingscyclus en het is hier dat onze ouders, leraren, en al degenen die aandacht en zorg schenken aan onze groei, ons bewustzijn werkelijk wakker kunnen maken door de vertrouwelijke binding tot stand te brengen die ons inspireert net zo te worden als zij. Hun voorbeeld brengt ons ertoe ons eerste beeld van identiteit veel vroeger te vormen dan we zonder hun inspiratie hadden gedaan.

Hiermee begint een opmerkelijke fase in onze evolutie. Ons ik-gevoel wordt gevormd naar degenen met wie we ons in onze gedachten verbinden. Doordat we ons in dezelfde richting ontwikkelen, stelt onze rollenidentiteit ons in staat onszelf voor te stellen alsof we de lichamelijke verschijningsvorm van anderen hebben: hun levensenergie, hun verlangens en emoties. We kunnen begrip ontwikkelen voor de manier waarop andere mensen denken, hun visie op de waarheid waarderen en in gedachten werkelijk één met hen zijn. Maar we kunnen ook vast blijven zitten aan bepaalde modellen met uitsluiting van alle andere. De regels volgens welke zij leven kunnen gebruikt worden om ieder die een ander gezichtspunt heeft te veroordelen. We kunnen zelfs onze persoonlijke banden met anderen verbreken en ons vereenzelvigen met onze eigen denkwijze die andere uitsluit.

Die gecompliceerde uitdrukkingsvormen van de menselijke geest zijn zo uiteenlopend omdat we die welke passen bij onze doeleinden kiezen. Ons ik-gevoel kan zonder een enkelvoudig eenmakend doel werken door een grote verscheidenheid van uitdrukkingsmiddelen, met inbegrip van die welke in andere groeifasen zijn ontwikkeld. We raken nooit een eerdere sfeer van gewaarzijn kwijt, want elk ervan wordt opgenomen in de eerstvolgende meer omvattende sfeer en dient daar als grondslag voor. Maar gedachten die andere aspecten van het geheel buitensluiten, kunnen zo’n oude sfeer van gewaarzijn plotseling aan de oppervlakte brengen en ons gedrag beïnvloeden. Hoe vlug vergeten we niet onszelf als rijpe volwassenen en handelen we als onvolgroeide kinderen! Wat we in het tegenwoordige stadium van onze ontwikkeling werkelijk nodig hebben, zijn rollenmodellen met een verenigde visie, een wereldbeschouwing die het ons mogelijk maakt op te houden ons te identificeren met beperkte uiterlijke vormen, zodat we ons bewust kunnen worden van de fundamentele innerlijke eenheid van al het leven.

Zo’n zienswijze lijkt misschien buiten het bestek te vallen van wat we in ons dagelijkse bestaan zien. Maar door te proberen een op eenheid gebaseerde wereldbeschouwing te begrijpen, zouden we er goed aan doen onszelf te zien als een essentieel deel van een wereld in ontwikkeling. Als we ons tot de wetenschap wenden voor een verklaring van de oorsprong van onze planeet, vinden we theorieën die allemaal zijn gebaseerd op een materialistische levensopvatting en dus niet kunnen uitleggen wat de aarde heeft geleid bij het tot ontwikkeling brengen van een levend milieu. Voor het scheppingsproces bestaat geen fysiek model en zo’n op de stof gebaseerd model zal ook nooit worden gevonden – want schepping is een emanatieproces dat loopt via een hiërarchie van niveaus die van niet-materiële aard zijn.

De aarde begint ermee zich als een planeetgeest te openbaren, de eerste etherische sluier die afkomstig is uit de allesomvattende ongemanifesteerde Bron. Door deze emanatie heen werken de hoogste geestelijke wezens. Zij hebben een herinnering aan de meer stoffelijke sferen: ze kennen de grondschets van de toekomstige planeet. Dat ontwerp wordt afgedrukt op de elementale krachten als de meest essentiële energiepatronen die de wereld van de natuur vormgeven. Naar die patronen ontwikkelt de aarde een ononderbroken opeenvolging van minder etherische voertuigen om zich uit te drukken tot ze de cyclische grenzen bereikt van haar stoffelijke manifestatie, waarna ze een andere reeks van steeds geestelijker voertuigen ontwikkelt.

Dit zijn de zich ontwikkelende bollen of bestaanstoestanden van de manifestatie van de aarde. Elk bouwt op de grondslag die is gelegd door degene die eraan voorafgingen. Het eerste schaduwachtige prototype wordt opgebouwd door een reeks van lagere energieën die het ontwerp volgen dat daarop door de planeetgeest is afgedrukt. Daarna helpt elke volgende levensgolf de lagere niveaus van het schema in te vullen en begint elk op zijn beurt dat te doen met het prototype van de wereld die erna komt.

De elementale rijken worden het eerst afgebakend. Dan volgen de rijken van de minerale wereld, de planten, de dieren, de mensheid en de geestelijke wereld. Die rijken zullen de voertuigen worden van de hele aardse familie, en ieder voertuiglijk rijk wordt opgebouwd door alle levensgolven die erdoorheen gaan. Het ontwerp zelf wordt begonnen door de hoogste geestelijke wezens die op ieder niveau de geestelijke hoedanigheden schetsen van elke samengestelde structuur. Ze worden gevolgd door de menselijke bewustzijnscentra die zich concentreren op scheppende intelligentie en die het potentieel opbouwen om individuele uitingen van bewustzijn tot stand te brengen. De dierlijke levensgolf activeert de begeertekracht die de gewaarwording concentreert. Die prototypen worden gecompleteerd door wezens van wie de energieën stoffelijke vormen creëren en die welke de laagste krachten in de stof zelf kristalliseren.

Nadat we ons potentieel in volle omvang tot aanzijn hebben gebracht in dat etherische en embryonale stadium, leggen wij die de aardse familie vormen gezamenlijk een volledige cyclus af om boven zowel stof als geest uit te stijgen. In tijd en ruimte verlaten we dan het gebied van de vormen en worden weer opgenomen in de ongemanifesteerde Bron. Daar kunnen we de goddelijke aspecten van onze planetaire levenscyclus assimileren, tot we weer in een nieuwe evolutiecyclus worden getrokken.

We kunnen ons verwonderen over de duizelingwekkende complexiteit in deze zienswijze omtrent de formatie van de aarde. Wat zou dit alles ooit kunnen coördineren? De hiërarchische eenheid van de natuur – dezelfde eenheid die onze verbazingwekkende gedaanteverandering in de baarmoeder regelt. Net als ieder levend wezen bestaat de aarde uit hiërarchieën van kleinere wezens. Toch is ze in haar diepste essentie een individuele vonk van de eeuwigheid – haar wezenlijke zelf. Dit is het wat al haar hiërarchieën bijeenhoudt, want het stroomt door alle wezens en komt door hen tot uitdrukking. Ook wij maken deel uit van de massa’s levens die onscheidbaar met die verheven planetaire geest zijn verbonden. Als individu hebben we onze eigen cyclussen, maar als essentiële onderdelen van één evoluerende aarde zijn we als wielen binnen wielen: we evolueren allemaal samen.

We zijn nu gereed voor een tweede wenteling binnen het ‘grote wiel’ van het leven. De kracht die ons terugbrengt, is onze aantrekkingskracht tot de karmische zaden die we hebben gezaaid, vooral de individuele banden die deel uitmaakten van onze identiteit. De subtiele uitdrukkingsmiddelen die werden geschapen in de eerste ronde van ontwikkeling van de aarde wachten op ons. Maar nu begint het proces van wederbelichaming met de minst ontwikkelde levenscentra, die de sterkste aantrekking van de stof voelen. De eerste die in deze tweede planetaire ronde worden getrokken zijn de elementale krachten, onmiddellijk gevolgd door die entiteiten die de minerale wereld bezielen. Daar zij zich thuis voelen in de meest stoffelijke gebieden van de natuur, ontwikkelen ze zich in een versneld tempo. Die versnelling neemt af bij iedere volgende golf van levens, naargelang ze zich herbelichamen in het plantenrijk, het dierenrijk en de mensheid. De laatsten die zich manifesteren, zijn de wezens die de geestelijke wereld bewonen. Zij worden alleen aangetrokken tot de hoogste niveaus van iedere bol als deze het proces van verstoffelijking doormaakt. Zij dalen steeds langzamer in de stof af, tot de laagste sfeer in deze cyclus haar vermogen om uiterlijke vormen te ontwikkelen uitput. Op dit punt begint de hele aarde geestelijker zijnstoestanden te evolueren, terwijl de levenscentra die haar rijken bezielen hun innerlijke natuur ontwikkelen.

Op deze geestelijke boog is de volgorde van de evolutie omgekeerd, zodat ze gaat in de richting van het ontvouwen van de innerlijke eenheid. Hier gaan juist de hoogste wezens sneller in elk nieuw gebied van de geest, terwijl de minder ontwikkelde worden tegengehouden door de beperkingen van hun bewustzijn. Zij die voortgaan omhoog op de geestelijke boog moeten leren ervaring op te doen in steeds uitgebreidere gebieden van de natuur, waarvan elk meer omvattend is dan de voorafgaande. Als de hoogste sfeer in deze cyclus al haar geestelijke capaciteiten ontvouwt, wordt de hele aarde opnieuw opgenomen in de alomvattende BRON.

Deze patronen worden in de volgende cyclussen herhaald en het zijn reflecties van de grote cyclus van de hele ontwikkelingsketen van de aarde. Zoals de ene bestaanstoestand karmische krachten doet ontstaan die de volgende voorvormen, zullen de leden van een hele levensgolf, die hun natuurlijke plaats in het ene rijk zoeken, geleidelijk hun vermogen ontvouwen om zich in het eerstvolgende hogere rijk te herbelichamen. Onze groeistadia in dit leven – van geest naar stof en dan weer terug naar geest – zijn eveneens een weerspiegeling van grotere cyclussen. In iedere planetaire cyclus is er een neergaande boog waarop uiterlijke vormen steeds meer worden ontwikkeld, gevolgd door een opgaande boog waarop de innerlijke natuur wordt ontwikkeld. Met de voortgang van de cyclussen is er een algehele afdaling in grotere stoffelijkheid en daarna een opklimming van alle wezens in de richting van grotere spiritualiteit.

De eerste ronde van ontwikkeling is een embryonale periode waarin de stoffelijke voertuigen van ieder rijk worden samengesteld. Wanneer we ons met de andere levensgolven in de tweede ronde herbelichamen in die voertuigen, zijn we gereed om de subtiele energieën te ontwikkelen die deze vormen gestalte geven. Tijdens de derde ronde ontplooien onze beginselen hun levenskracht. En als we onze afdaling in de stof voltooien, bevinden we ons in de vierde ronde met onze aandacht op begeerte gericht: de kracht die ons dwingt verbindingen te zoeken met de uiterlijke levensvormen.

De begeertekracht is vooral in deze evolutiefase sterk door de gelijktijdige invloed van neerdalende bogen op ieder cyclisch niveau. De vierde ronde is het meest stoffelijke levensstadium van de aarde. De vierde bol – de stoffelijke bol waarop wij wonen – is in dit stadium haar meest stoffelijke bestaanstoestand. Van alle levensgolven die op deze bol evolueren, heeft de mensheid zich het meest wilsbewust aan de stof gebonden. En dit heeft ze gedaan terwijl ze door vier van haar wortelrassen of evolutionaire cyclussen ging en steeds meer gebonden raakte aan de stoffelijke kant van het leven.

Op dit punt hebben we nog wel de innerlijke drang ons ware zelf terug te vinden – de vormeloze Geest achter alle stoffelijke vormen. Maar die drang wordt verzwakt door het uitsluitende karakter van onze gehechtheden, en velen van ons worden ervan afgehouden onze scheppende mentale en geestelijke eigenschappen te ontwikkelen. We hebben nog altijd veel meer ervaring op dit niveau nodig om te ontdekken hoe ongeschikt begeerten zijn voor het bepalen van onze identiteit. Zulke ervaring is noodzakelijk voordat een bewustzijnscentrum geleidelijk kan evolueren via de steeds meeromvattende gebieden van de geestelijke boog. Zij die dat geestelijke vermogen niet kunnen ontwikkelen, worden door de evolutionaire stroom achtergelaten. Daarom worden ze in een slapende en ongemanifesteerde toestand in de matrix van de schepping opgenomen om de tijd af te wachten waarop die cyclus terugkomt. Toch zijn er sommigen die hun innerlijke geestelijke vermogens veel eerder dan de overigen ontvouwen en feitelijk in een volgende planetaire ronde behoren. Omdat zij niet de ervaring nodig hebben om zich langs de stijgende boog met de overigen van hun levensgolf omhoog te ontwikkelen, kunnen ze kiezen alle verbinding met het op de aarde gemanifesteerde leven te beëindigen – om in het zuivere bewustzijn van het kosmische bestaan te worden opgenomen. Of zij kunnen kiezen in de wereld te blijven – als dienaren van de evolutie zelf.

Hier treffen we de rollenmodellen met een verenigde visie: degenen die de keus maken het geheel te dienen. We treffen hen aan onder ieder mensenras op iedere bol en in iedere kosmische cyclus. Steeds als zij ons verzwakt zagen op het pad van de evolutie, hebben zij de essentiële verbinding gelegd die ons terugzette in de levensstroom. Ze hebben ons een lichaam, levenskracht en een instinct gegeven. Ze hebben zichzelf aan ons gegeven als het licht in ons denkvermogen. Ze hebben ons mens-zijn, onze spiritualiteit en onze goddelijkheid gewekt. Maar bovenal hebben ze het ideaal belichaamd van kameraadschap dat ons heeft aangespoord ons met hen te vereenzelvigen. Door na te denken over hun gedachten en daden en te zien hoe die in ons eigen leven werken, kondigen we onze groei aan in de grote toekomstige cyclussen. We geven gestalte aan het uitdrukkingsmiddel van ons meest creatieve denken, het vermogen om verbanden tussen alles te zien en deze tot een geïntegreerd geheel te maken. We ontwerpen ons grootste intuïtieve zintuig, dat ons Zelf in alle dingen ziet. En we voeden onze eigen embryonale goddelijkheid, koesteren die in de schoot van onze meest zorgzame geestestoestand: onze betrokkenheid bij de hele aardse familie.

 
Cyclussen, reïncarnatie en wederbelichaming
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency