De universaliteit van cyclische groei behoort tot de meest
fundamentele stellingen van de eeuwige filosofie. Dit wil zeggen dat
de cyclussen van de kosmos zich in ons weerspiegelen: allemaal zijn
we vonken van de eeuwigheid, komen periodiek tot aanzijn, ontwikkelen
meer van onze latente vermogens en keren dan terug naar onze ouderster.
Natuurlijk hebben velen er moeite mee dit te geloven. Kosmische cyclussen
hebben immers te maken met de ontwikkeling van het universum, met de
bewegingen van de sterren en planeten; hoe kan hun ontwikkeling dan
in ons zijn weerspiegeld?
Als we het groeiproces zelf nader beschouwen, treffen
we een gemeenschappelijk kenmerk aan van universele proporties. Van
planeten en sterren tot ieder type leven op aarde – ieder doorloopt
zijn progressieve ontwikkelingsstadia van lagere naar hogere organisatievormen.
Maar wat bestuurt die groei van het ene stadium naar het volgende? De
latente mogelijkheid voor hogere organisatieniveaus van ontwikkeling
moet al aanwezig zijn in de lagere niveaus die eraan voorafgaan, maar
dat potentieel kan niet worden gevonden op stoffelijk gebied. De materie
kan haar eigen transformatie niet tot stand brengen. Iets anders moet
het proces sturen, iets hogers dan de stof. Dat moet op zijn beurt ook
door iets hogers worden gestuurd, en dat weer door iets nog hogers.
Zodoende begint alle geopenbaarde evolutie met de laagste vormen –
maar ze wordt geregeld door de hoogste niveaus van het bestaan. Zo denkt
men bijvoorbeeld in het algemeen dat we het leven beginnen als een enkele
cel, die zich dan deelt en vermenigvuldigt tot een kluitje van identieke
eenheden. Maar terwijl we onze weg banen naar de baarmoeder, beginnen
onze cellen zich verschillend te ontwikkelen en zich te specialiseren
om verschillende functies te kunnen verrichten. In ons stoffelijk lichaam
is er niets om dit soort groei te leiden. Al onze cellen hebben precies
hetzelfde genetische materiaal en toch gaan ze ermee door zich op steeds
ingewikkelder manieren te specialiseren. Die groeipatronen kunnen op
het stoffelijke gebied niet worden aangetroffen, omdat ze bestaan op
hogere onstoffelijke niveaus, en daar is het dat elk menselijk leven
zijn ware oorsprong heeft.
We komen voort uit de eenheid van de alomvattende BRON
en komen in eerste instantie tot aanzijn als een geestelijke straal.
Die straal kent de hoofdtrekken van het ongeboren toekomstige kind –
in feite overschaduwt hij vanaf de tijd van onze conceptie de manier
waarop we groeien. Hij drukt een stempel op de elementale krachten die
onze eerste embryonale levenssfeer bepalen en leidt ons door een reeks
van uiterlijke en innerlijke transformaties. Ieder stadium in onze uiterlijke
vorming verschaft een voertuig voor de ontwikkeling van onze innerlijke
natuur, die op haar beurt vooruitloopt op de volgende transformatie
van onze uiterlijke natuur. Die stadia zijn feitelijk weerspiegelingen
in het klein van de vormingsevolutie van de natuur waar we allemaal
deel aan hebben gehad. Die archaïsche cyclussen zijn in ons weerspiegeld
omdat we ons eigen wezen op de fundering ervan opbouwen. We moeten embryonale
voertuigen uit elk rijk dat we hebben helpen vormen weer opnieuw tot
manifestatie brengen, zodat ze onze samengestelde natuur kunnen helpen
opbouwen.
Terwijl we als een enkele cel bestaan en ons vervolgens
delen in een groep cellen, gaan we opnieuw door het bewustzijn van de
moleculaire structuur dat in de wereld van de mineralen overheerst –
dat wat ons stoffelijk lichaam nodig heeft. Als we ons vastzetten in
de slijmvliezen van de baarmoeder en een netwerk van wortels uitzenden
om voedsel op te nemen, beleven we opnieuw de ervaring van vegetatieve
levenskracht die in het plantenrijk voorkomt – wat voor onze lichaamsfuncties
nodig is. Terwijl het genestelde embryo stevig geworteld raakt in de
baarmoeder, wordt het omringd door een dik vlies van weefsel en binnen
dit omhulsel maken we een drastische en versnelde gedaanteverwisseling
door. Er beginnen zich hersenen te vormen, samen met het ruggemerg,
ingesloten door een lang en spits toelopend uitsteeksel – dezelfde
constructie zou in een dierlijk embryo een staart worden. Aan de basis
van het hoofd groeien weefselplooien – dezelfde soort plooien
zien we bij visseëmbryo’s en ontwikkelen daar tot kieuwen.
We doorlopen de prenatale veranderingen die dieren doormaken omdat een
dierlijke natuur een wezenlijk onderdeel van onze constitutie is: het
verschaft ons het instinctieve verlangen om onze lichamelijke behoeften
te bevredigen.
Naarmate we de vorm van een mensenkind aannemen, ondergaat
onze uiterlijke metamorfose vertraging en versnelt onze innerlijke groei.
Daarmee is veel meer gemoeid dan alleen onze inwendige organen –
we zijn bezig onze capaciteit om via uitdrukkingsmogelijkheden van het
denkvermogen te werken, snel uit te breiden. We vullen de hoofdlijnen
in die door vele eeuwen van evolutie zijn uitgestippeld en bouwen het
vermogen op ons te vereenzelvigen met onze waarnemingen en een ik-besef
tot stand te brengen. Dit is de mentale identiteit die we gebruiken
om over onszelf na te denken. Het is het voertuig waarin we als mens
leven. En het zal steeds meer kunnen opnemen, naargelang we worden gedreven
door de oerdrang onze essentiële eenheid te herwinnen.
Wat nemen we waar terwijl we als ongeboren kind deze vormingscyclus
doorlopen? Daar we ons nog erg dicht bij de eenheid van de geest bevinden
die onze groei overschaduwt, worden onze eerste waarnemingen overheerst
door eenheid. We zijn grotendeels één met onze stoffelijke
wereld, want de schoot is van nature toegewijd aan ons comfort en onze
veiligheid. Maar onze wereld omvat ook de niet-stoffelijke natuur van
de moeder, die een hiërarchie van beginselen heeft waarop we innig
zijn afgestemd. Haar levenskracht is voor ons gevoel van eenheid meer
van belang dan haar lichamelijk wezen. Haar emoties, die op haar levenskracht
inwerken, zijn zelfs nog belangrijker. En nog meer de gedachten die
haar emoties opwekken.
Op al die niveaus ontmoeten we pijnlijke aspecten die
ons gevoel van eenheid terstond kunnen bedreigen. Door die aspecten
uit onze identiteit te weren, beginnen we een illusionair gevoel van
eenheid te ontplooien rond de beperkte vormen waarmee we vertrouwd zijn
en die in toenemende mate beperkt worden naarmate we in de stof afdalen.
Daar dit in steeds kleinere gebieden van onze zich ontvouwende natuur
gebeurt, kondigt het de uitdrukkingsmiddelen aan waardoor we zullen
werken in onze volgende ontwikkelingsronde.
We worden geboren met het prototype van onze stoffelijke
identiteit: onze eerste lichamelijke bewustzijnssfeer. Dat schaduwachtige
prototype wordt opgebouwd door de zich ontvouwende niveaus van ons samengestelde
wezen terwijl we ons langzamerhand steeds meer gelijkstellen aan ons
stoffelijk lichaam. Na alles wat we kunnen van onze stoffelijke identiteit
te hebben gemanifesteerd, gaan we door een cyclus van vitaliteit: de
energie die ten grondslag ligt aan onze activiteit stellen we centraal.
Als onze aandacht zich weer verplaatst, gaan we de cyclus in van onze
begeerten en de daarmee gepaard gaande emoties. Dit is het dieptepunt
van onze afdaling in de stof, want niets overtreft de kracht van begeerte
wat betreft het teweegbrengen van de illusie dat ons bestaan afhankelijk
is van de uiterlijke levensvormen. Ze is inderdaad zo krachtig dat ze
ons helpt alle hogere gebieden van gewaarzijn in deze cyclus tot manifestatie
te brengen. Al spoedig stellen we onszelf voor als de dingen die we
wensen, hebben ingevingen erover en voelen ons er zelfs één
mee. Maar die hogere sferen brengen ons steeds dichter bij de volgende
ontwikkelingscyclus en het is hier dat onze ouders, leraren, en al degenen
die aandacht en zorg schenken aan onze groei, ons bewustzijn werkelijk
wakker kunnen maken door de vertrouwelijke binding tot stand te brengen
die ons inspireert net zo te worden als zij. Hun voorbeeld brengt ons
ertoe ons eerste beeld van identiteit veel vroeger te vormen dan we
zonder hun inspiratie hadden gedaan.
Hiermee begint een opmerkelijke fase in onze evolutie.
Ons ik-gevoel wordt gevormd naar degenen met wie we ons in onze gedachten
verbinden. Doordat we ons in dezelfde richting ontwikkelen, stelt onze
rollenidentiteit ons in staat onszelf voor te stellen alsof we de lichamelijke
verschijningsvorm van anderen hebben: hun levensenergie, hun verlangens
en emoties. We kunnen begrip ontwikkelen voor de manier waarop andere
mensen denken, hun visie op de waarheid waarderen en in gedachten werkelijk
één met hen zijn. Maar we kunnen ook vast blijven zitten
aan bepaalde modellen met uitsluiting van alle andere. De regels volgens
welke zij leven kunnen gebruikt worden om ieder die een ander gezichtspunt
heeft te veroordelen. We kunnen zelfs onze persoonlijke banden met anderen
verbreken en ons vereenzelvigen met onze eigen denkwijze die andere
uitsluit.
Die gecompliceerde uitdrukkingsvormen van de menselijke
geest zijn zo uiteenlopend omdat we die welke passen bij onze doeleinden
kiezen. Ons ik-gevoel kan zonder een enkelvoudig eenmakend
doel werken door een grote verscheidenheid van uitdrukkingsmiddelen,
met inbegrip van die welke in andere groeifasen zijn ontwikkeld. We
raken nooit een eerdere sfeer van gewaarzijn kwijt, want elk ervan wordt
opgenomen in de eerstvolgende meer omvattende sfeer en dient daar als
grondslag voor. Maar gedachten die andere aspecten van het geheel buitensluiten,
kunnen zo’n oude sfeer van gewaarzijn plotseling aan de oppervlakte
brengen en ons gedrag beïnvloeden. Hoe vlug vergeten we niet onszelf
als rijpe volwassenen en handelen we als onvolgroeide kinderen! Wat
we in het tegenwoordige stadium van onze ontwikkeling werkelijk nodig
hebben, zijn rollenmodellen met een verenigde visie, een wereldbeschouwing
die het ons mogelijk maakt op te houden ons te identificeren met beperkte
uiterlijke vormen, zodat we ons bewust kunnen worden van de fundamentele
innerlijke eenheid van al het leven.
Zo’n zienswijze lijkt misschien buiten het bestek
te vallen van wat we in ons dagelijkse bestaan zien. Maar door te proberen
een op eenheid gebaseerde wereldbeschouwing te begrijpen, zouden we
er goed aan doen onszelf te zien als een essentieel deel van een wereld
in ontwikkeling. Als we ons tot de wetenschap wenden voor een verklaring
van de oorsprong van onze planeet, vinden we theorieën die allemaal
zijn gebaseerd op een materialistische levensopvatting en dus niet kunnen
uitleggen wat de aarde heeft geleid bij het tot ontwikkeling
brengen van een levend milieu. Voor het scheppingsproces bestaat geen
fysiek model en zo’n op de stof gebaseerd model zal ook nooit
worden gevonden – want schepping is een emanatieproces dat loopt
via een hiërarchie van niveaus die van niet-materiële aard
zijn.
De aarde begint ermee zich als een planeetgeest te openbaren,
de eerste etherische sluier die afkomstig is uit de allesomvattende
ongemanifesteerde Bron. Door deze emanatie heen werken de hoogste geestelijke
wezens. Zij hebben een herinnering aan de meer stoffelijke sferen: ze
kennen de grondschets van de toekomstige planeet. Dat ontwerp wordt
afgedrukt op de elementale krachten als de meest essentiële energiepatronen
die de wereld van de natuur vormgeven. Naar die patronen ontwikkelt
de aarde een ononderbroken opeenvolging van minder etherische voertuigen
om zich uit te drukken tot ze de cyclische grenzen bereikt van haar
stoffelijke manifestatie, waarna ze een andere reeks van steeds geestelijker
voertuigen ontwikkelt.
Dit zijn de zich ontwikkelende bollen of bestaanstoestanden
van de manifestatie van de aarde. Elk bouwt op de grondslag die is gelegd
door degene die eraan voorafgingen. Het eerste schaduwachtige prototype
wordt opgebouwd door een reeks van lagere energieën die het ontwerp
volgen dat daarop door de planeetgeest is afgedrukt. Daarna helpt elke
volgende levensgolf de lagere niveaus van het schema in te vullen en
begint elk op zijn beurt dat te doen met het prototype van de wereld
die erna komt.
De elementale rijken worden het eerst afgebakend. Dan
volgen de rijken van de minerale wereld, de planten, de dieren, de mensheid
en de geestelijke wereld. Die rijken zullen de voertuigen worden van
de hele aardse familie, en ieder voertuiglijk rijk wordt opgebouwd door
alle levensgolven die erdoorheen gaan. Het ontwerp zelf wordt begonnen
door de hoogste geestelijke wezens die op ieder niveau de geestelijke
hoedanigheden schetsen van elke samengestelde structuur. Ze worden gevolgd
door de menselijke bewustzijnscentra die zich concentreren op scheppende
intelligentie en die het potentieel opbouwen om individuele uitingen
van bewustzijn tot stand te brengen. De dierlijke levensgolf activeert
de begeertekracht die de gewaarwording concentreert. Die prototypen
worden gecompleteerd door wezens van wie de energieën stoffelijke
vormen creëren en die welke de laagste krachten in de stof zelf
kristalliseren.
Nadat we ons potentieel in volle omvang tot aanzijn hebben
gebracht in dat etherische en embryonale stadium, leggen wij die de
aardse familie vormen gezamenlijk een volledige cyclus af om boven zowel
stof als geest uit te stijgen. In tijd en ruimte verlaten we dan het
gebied van de vormen en worden weer opgenomen in de ongemanifesteerde
Bron. Daar kunnen we de goddelijke aspecten van onze planetaire levenscyclus
assimileren, tot we weer in een nieuwe evolutiecyclus worden getrokken.
We kunnen ons verwonderen over de duizelingwekkende complexiteit
in deze zienswijze omtrent de formatie van de aarde. Wat zou dit alles
ooit kunnen coördineren? De hiërarchische eenheid van de natuur
– dezelfde eenheid die onze verbazingwekkende gedaanteverandering
in de baarmoeder regelt. Net als ieder levend wezen bestaat de aarde
uit hiërarchieën van kleinere wezens. Toch is ze in haar diepste
essentie een individuele vonk van de eeuwigheid – haar wezenlijke
zelf. Dit is het wat al haar hiërarchieën bijeenhoudt, want
het stroomt door alle wezens en komt door hen tot uitdrukking. Ook wij
maken deel uit van de massa’s levens die onscheidbaar met die
verheven planetaire geest zijn verbonden. Als individu hebben we onze
eigen cyclussen, maar als essentiële onderdelen van één
evoluerende aarde zijn we als wielen binnen wielen: we evolueren allemaal
samen.
We zijn nu gereed voor een tweede wenteling binnen het
‘grote wiel’ van het leven. De kracht die ons terugbrengt,
is onze aantrekkingskracht tot de karmische zaden die we hebben gezaaid,
vooral de individuele banden die deel uitmaakten van onze identiteit.
De subtiele uitdrukkingsmiddelen die werden geschapen in de eerste ronde
van ontwikkeling van de aarde wachten op ons. Maar nu begint het proces
van wederbelichaming met de minst ontwikkelde levenscentra, die de sterkste
aantrekking van de stof voelen. De eerste die in deze tweede planetaire
ronde worden getrokken zijn de elementale krachten, onmiddellijk gevolgd
door die entiteiten die de minerale wereld bezielen. Daar zij zich thuis
voelen in de meest stoffelijke gebieden van de natuur, ontwikkelen ze
zich in een versneld tempo. Die versnelling neemt af bij iedere volgende
golf van levens, naargelang ze zich herbelichamen in het plantenrijk,
het dierenrijk en de mensheid. De laatsten die zich manifesteren, zijn
de wezens die de geestelijke wereld bewonen. Zij worden alleen aangetrokken
tot de hoogste niveaus van iedere bol als deze het proces van verstoffelijking
doormaakt. Zij dalen steeds langzamer in de stof af, tot de laagste
sfeer in deze cyclus haar vermogen om uiterlijke vormen te ontwikkelen
uitput. Op dit punt begint de hele aarde geestelijker zijnstoestanden
te evolueren, terwijl de levenscentra die haar rijken bezielen hun innerlijke
natuur ontwikkelen.
Op deze geestelijke boog is de volgorde van de evolutie
omgekeerd, zodat ze gaat in de richting van het ontvouwen van de innerlijke
eenheid. Hier gaan juist de hoogste wezens sneller in elk nieuw gebied
van de geest, terwijl de minder ontwikkelde worden tegengehouden door
de beperkingen van hun bewustzijn. Zij die voortgaan omhoog op de geestelijke
boog moeten leren ervaring op te doen in steeds uitgebreidere gebieden
van de natuur, waarvan elk meer omvattend is dan de voorafgaande. Als
de hoogste sfeer in deze cyclus al haar geestelijke capaciteiten ontvouwt,
wordt de hele aarde opnieuw opgenomen in de alomvattende BRON.
Deze patronen worden in de volgende cyclussen herhaald
en het zijn reflecties van de grote cyclus van de hele ontwikkelingsketen
van de aarde. Zoals de ene bestaanstoestand karmische krachten doet
ontstaan die de volgende voorvormen, zullen de leden van een hele levensgolf,
die hun natuurlijke plaats in het ene rijk zoeken, geleidelijk hun vermogen
ontvouwen om zich in het eerstvolgende hogere rijk te herbelichamen.
Onze groeistadia in dit leven – van geest naar stof en dan weer
terug naar geest – zijn eveneens een weerspiegeling van grotere
cyclussen. In iedere planetaire cyclus is er een neergaande boog waarop
uiterlijke vormen steeds meer worden ontwikkeld, gevolgd door een opgaande
boog waarop de innerlijke natuur wordt ontwikkeld. Met de voortgang
van de cyclussen is er een algehele afdaling in grotere stoffelijkheid
en daarna een opklimming van alle wezens in de richting van grotere
spiritualiteit.
De eerste ronde van ontwikkeling is een embryonale periode
waarin de stoffelijke voertuigen van ieder rijk worden samengesteld.
Wanneer we ons met de andere levensgolven in de tweede ronde herbelichamen
in die voertuigen, zijn we gereed om de subtiele energieën te ontwikkelen
die deze vormen gestalte geven. Tijdens de derde ronde ontplooien onze
beginselen hun levenskracht. En als we onze afdaling in de stof voltooien,
bevinden we ons in de vierde ronde met onze aandacht op begeerte gericht:
de kracht die ons dwingt verbindingen te zoeken met de uiterlijke levensvormen.
De begeertekracht is vooral in deze evolutiefase sterk
door de gelijktijdige invloed van neerdalende bogen op ieder cyclisch
niveau. De vierde ronde is het meest stoffelijke levensstadium van de
aarde. De vierde bol – de stoffelijke bol waarop wij wonen –
is in dit stadium haar meest stoffelijke bestaanstoestand. Van alle
levensgolven die op deze bol evolueren, heeft de mensheid zich het meest
wilsbewust aan de stof gebonden. En dit heeft ze gedaan terwijl ze door
vier van haar wortelrassen of evolutionaire cyclussen ging en steeds
meer gebonden raakte aan de stoffelijke kant van het leven.
Op dit punt hebben we nog wel de innerlijke drang ons
ware zelf terug te vinden – de vormeloze Geest achter alle stoffelijke
vormen. Maar die drang wordt verzwakt door het uitsluitende karakter
van onze gehechtheden, en velen van ons worden ervan afgehouden onze
scheppende mentale en geestelijke eigenschappen te ontwikkelen. We hebben
nog altijd veel meer ervaring op dit niveau nodig om te ontdekken hoe
ongeschikt begeerten zijn voor het bepalen van onze identiteit. Zulke
ervaring is noodzakelijk voordat een bewustzijnscentrum geleidelijk
kan evolueren via de steeds meeromvattende gebieden van de geestelijke
boog. Zij die dat geestelijke vermogen niet kunnen ontwikkelen, worden
door de evolutionaire stroom achtergelaten. Daarom worden ze in een
slapende en ongemanifesteerde toestand in de matrix van de schepping
opgenomen om de tijd af te wachten waarop die cyclus terugkomt. Toch
zijn er sommigen die hun innerlijke geestelijke vermogens veel eerder
dan de overigen ontvouwen en feitelijk in een volgende planetaire ronde
behoren. Omdat zij niet de ervaring nodig hebben om zich langs de stijgende
boog met de overigen van hun levensgolf omhoog te ontwikkelen, kunnen
ze kiezen alle verbinding met het op de aarde gemanifesteerde leven
te beëindigen – om in het zuivere bewustzijn van het kosmische
bestaan te worden opgenomen. Of zij kunnen kiezen in de wereld te blijven
– als dienaren van de evolutie zelf.
Hier treffen we de rollenmodellen met een verenigde visie:
degenen die de keus maken het geheel te dienen. We treffen hen aan onder
ieder mensenras op iedere bol en in iedere kosmische cyclus. Steeds
als zij ons verzwakt zagen op het pad van de evolutie, hebben zij de
essentiële verbinding gelegd die ons terugzette in de levensstroom.
Ze hebben ons een lichaam, levenskracht en een instinct gegeven. Ze
hebben zichzelf aan ons gegeven als het licht in ons denkvermogen. Ze
hebben ons mens-zijn, onze spiritualiteit en onze goddelijkheid gewekt.
Maar bovenal hebben ze het ideaal belichaamd van kameraadschap dat ons
heeft aangespoord ons met hen te vereenzelvigen. Door na te denken over
hun gedachten en daden en te zien hoe die in ons eigen leven werken,
kondigen we onze groei aan in de grote toekomstige cyclussen. We geven
gestalte aan het uitdrukkingsmiddel van ons meest creatieve denken,
het vermogen om verbanden tussen alles te zien en deze tot een geïntegreerd
geheel te maken. We ontwerpen ons grootste intuïtieve zintuig,
dat ons Zelf in alle dingen ziet. En we voeden onze eigen embryonale
goddelijkheid, koesteren die in de schoot van onze meest zorgzame geestestoestand:
onze betrokkenheid bij de hele aardse familie.