Boekbespreking

Catching the Light: The Entwined History of Light and Mind, Arthur Zajonc, Bantam Books, New York, 1993; 388 blz., isbn 0-553-08985-4, gebonden.


Steeds meer wetenschappers worden tevens filosofen, en om tot begrip te komen, dringen ze door tot de diepten van het menselijk bewustzijn. Ze stellen zich niet langer tevreden met het beschrijven van louter verschijnselen in de natuur. Dr. Zajonc gaat verder dan de meesten bij het zoeken naar de oorzaken van verschijnselen die de nieuwsgierigheid van de mens hebben gewekt sinds zijn denkend bewustzijn ontwaakte en die een beroep op zijn intelligentie hebben gedaan.
    In Catching the Light gaat de schrijver recht op zijn doel af. We zien dát waarvoor we het instrument bezitten. Dit bestaat niet alleen uit het gezichtsorgaan en de hersenen die nodig zijn om het beeld te vertalen, maar, en dat is belangrijker, uit onze geest, onze ervaring, onze instelling en ons gevoel, die ons gereedmaken te begrijpen wat het beeld suggereert. ‘Zelfs de eenvoudigste, meest “objectieve” waarnemingen vragen om onze betrokkenheid’ (blz. 13). Dit verklaart waarom twee mensen die naar dezelfde wolk kijken in de vorm ervan iets heel anders zien.
    Bepaalde wetenschappelijke conclusies over de eigenschappen van licht zijn radicaal veranderd sinds de quantummechanica aan de wetten van de natuurkunde een heel ander aanzien heeft gegeven. Om te beginnen: we zien geen licht. De hele ruimte is gevuld met straling komend uit en zich verspreidend in alle richtingen. Wat we zien is de weerkaatsing via stoffelijke voorwerpen van een zeer gering aantal stralingsgolflengten die binnen een smal venster in het elektromagnetische spectrum vallen. We zien niet de oorspronkelijke straling, maar alleen het weerkaatste deel voorzover dat binnen het zichtbare gebied valt. Met andere woorden, geen stof – geen licht.
    Dit brengt opnieuw de veelbesproken vraag naar voren: ‘Wat is licht; een golf of een deeltje?’ en de nog lastiger vraag: ‘Wat is een golf?’ Zajonc herinnert ons aan een merkwaardig verschijnsel dat we allemaal wel eens hebben waargenomen: het feit dat een golf iets anders is dan de substantie waar hij doorheen gaat. Aan zee moet het ons wel eens zijn opgevallen dat het water niet met de golf naar de kust meetrekt. Het water, en alles wat erop drijft, danst op en neer als de golf aankomt en voorbijgaat, maar trekt niet met de golf mee. Het verschijnsel kennen we allemaal, maar wat er allemaal mee samenhangt, daar hebben we niet voldoende over nagedacht. Toch kan het, beter dan iets anders, verklaren wat licht in essentie is, want al geeft water ons een tastbare, duidelijk zichtbare demonstratie van golf-werking, we hebben niet ingezien wat dit impliceert. ‘Licht zou dus geen substantie zijn, maar eerder vorm!’ (blz. 95). De ‘vorm’, hoewel sterk genoeg om een schip te laten zinken, is toch geen stoffelijk voorwerp, maar iets anders.

Hij [Einstein] had veel gedaan om de basis te leggen voor het idee van het vreemde lichtquantum, maar hij was ervan overtuigd dat de quantumtheorie niet het hele verhaal kon zijn. . . . Voor Einstein was de quantumfysica van de microwereld nog onvolledig, een fragment van de waarheid. ...
    Veertig jaar geleden waarschuwde Einstein al tegen de arrogantie van de wetenschappelijke zelfverzekerdheid betreffende het licht. Pogingen om licht te begrijpen zijn sinds zijn dood niet verminderd, en toch blijft de essentie van licht een raadsel.     – blz. 279

    Dit voert ons terug naar de wijsheid van de ouden, die wisten dat absoluut licht absolute duisternis is. We ontdekken een nieuwe betekenis in de geschriften en overleveringen die gaan over het begin van het bestaan. ‘Duisternis lag op den vloed’ (Gen 1:2), of ‘De eeuwige moeder, gewikkeld in haar altijd onzichtbare gewaden, had opnieuw zeven eeuwigheden lang gesluimerd. . . . Duisternis alleen vulde het grenzeloze al . . .’ (Stanza’s van Dzyan, De geheime leer, I:57), of ‘Donker was het en alles was eerst gesluierd / In diepe duisternis . . .’ (Rig Veda). In de Noorse Edda ‘Er waren noch zand, noch zee, noch golven’ d.w.z. geen straling (Völuspa). We zouden nog eindeloos veel voorbeelden kunnen noemen, want dichters en zieners uit alle tijden hebben aangevoeld dat licht de uitstroming is van goddelijke energie die gevoelloze stof doordringt met haar dynamiek, de enige Oorzaak die ten grondslag ligt aan alle leven, groei en ervaringen.
    Professor Zajonc refereert niet alleen aan de jongste ontdekkingen en theorieën van de moderne wetenschap. Hij ziet ook binnen haar grenzen de mysterieuze wisselwerking tussen de geest en de wereld van de verschijnselen en wendt zich tot de ontdekkingen van grote denkers op velerlei gebied – dichters, filosofen, wetenschappers, mystici – die met hun inzicht licht werpen op het aldoordringende mysterie dat we licht noemen. Dr. Zajonc verschaft de lezer een opmerkelijke nieuwe visie en maakt gebruik van eigen observaties om in heldere en begrijpelijke taal verband te leggen tussen zaken die de meeste wetenschappelijke schrijvers tot een wirwar van argumenten verstrengelen die voor de gemiddelde mens te ingewikkeld zijn om te ontrafelen. Er is een goede kans dat men de quantumfysica na lezing van dit boek inderdaad begrijpt, en ook dat men er een heldere verklaring in vindt van verschijnselen die lang te geheimzinnig zijn gebleven om er diep in door te dringen.
    Ieder nadenkend mens zal Catching the Light een bijzonder verhelderende studie vinden, waarin de geheimen die aan de stoffelijke natuur ten grondslag liggen zonder enige aarzeling worden behandeld, en die op moedige wijze de grondslag legt voor een filosofisch begrip van één van de fundamentele inzichten van een volwassen wordende wetenschap van het leven van het heelal.     – Elsa-Brita Titchenell

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency