Onzichtbare atomaire levens
Jean B. Crabbendam

 

Een fundamentele leer van de wijzen in de oudheid is dat alles, hoe ver en nabij ook, aan één goddelijke bron ontspringt, zodat ieder stipje in het heelal in zijn kern een vonk van dat goddelijke bevat. Geest en stof zijn in wezen één, maar toch zijn enorme verschillen in plaats, tijd en verschijningsvorm van de myriaden gemanifesteerde levens onvermijdelijk, omdat de entiteiten al talloze eeuwen zijn geëvolueerd. Aangezien het gemanifesteerde leven onderling is verbonden en iedere eenheid alle andere beïnvloedt, is broederschap een natuurlijke universele wet, net zo van toepassing op een atoom als op een ster.
     Door de eeuwen heen hebben filosofen en theologen ziel en geest, de onsterfelijke menselijke eigenschappen, geanalyseerd en negeerden ze voor een groot deel de stoffelijke vorm. Toch is het lichaam, hoe sterfelijk en laag geplaatst ook in het kosmische schema, de drager van alle menselijke aspecten en vormt het voor ons de enige mogelijkheid om op aarde te leven. Het bestaat uit biljoenen atomen, georganiseerde legers waarvan de troepen in aangewezen gebieden regelend optreden, herstellen en opbouwen en zich vermengen, communiceren en het evenwicht in het geheel instandhouden. De moderne biotechnologie heeft ontdekt dat ieder atoom of verzameling ervan een thuisbasis heeft – in beenmerg, nieren, lever of een ander orgaan – waarheen het onveranderlijk terugkeert. Onderzoekers hebben de plaats van deze thuisbasis vastgesteld door middel van eentonige, steeds weer herhaalde microscopische proeven. Het is nog erger dan het zoeken naar een speld in een hooiberg, merkte een onderzoeker op; het lijkt meer op het zoeken van een grasspriet in een hooiberg. Deze lagere levensvormen in ons binden ook de strijd aan met schadelijke bacteriën en virussen, die op zichzelf neutrale werktuigen van karma zijn.
     De mens bij wie de atomen horen, is zich niet bewust van deze onzichtbare delen van hemzelf, hoewel een slechte gezondheid al heel snel onthult dat er iets fout is gegaan. Tot betrekkelijk kortgeleden was het menselijk lichaam een mysterie voor de wetenschap. Hoewel in de twintigste eeuw de kennis ervan snel groeide, nam het begrip van de oorzaken pas toe toen de professoren Watson en Crick in 1953 het DNA ontrafelden, een in elkaar gedraaide molecule, uitgerold meer dan twee meter lang maar te fijn om gezien te kunnen worden, die de genetische geschiedenis van een organisme bevat. Iedere lichaamscel bevat DNA, een cellulaire blauwdruk en fysieke neerslag van de persoonlijke evolutionaire reis van ieder individu.
     De atomaire levens in ons zijn, vanuit het theosofische gezichtspunt, actieve, levende entiteiten, toegerust met een bewustzijn dat past in hun sfeer. Ze horen bij ons en hun bestemming is mens te worden, een geleidelijk stapsgewijs proces dat een onmetelijk lange tijd vergt. Wij zijn voor altijd van hen afhankelijk en zij van ons, want na de dood valt het fysieke lichaam uiteen, maar de atomen ervan niet. Die verspreiden zich en worden aangetrokken tot levende lichamen in de rijken van de natuur waar ze zich thuisvoelen, waarbij hun keuze afhangt van het niveau van het gedrag en de voorkeuren van de overledene. Dit is de vaak verkeerd begrepen leer van transmigratie. Als de tijd voor reïncarnatie aanbreekt, keren onze atomen terug door magnetische aantrekking om opnieuw het menselijk lichaam in wording te vormen. Naarmate wij evolueren, doen onze atomen dat ook en onze invloed op hun groei is groot, ten goede of ten kwade.
     Heel geleidelijk wordt het wetenschappelijk materialisme ontzenuwd, omdat theoretische fysici het als een ontoereikend denkpatroon beginnen te zien. Michio Kaku’s recente boek Hyperruimte1 beschrijft op meesterlijke wijze veel oude en nieuwe natuurkundige theorieën. Momenteel gaat zijn belangstelling in het bijzonder uit naar de speculatieve opvatting dat ons universum niet 3-, 4- of 5- maar 10- of 26-dimensionaal is en bestaat uit parallelle gebieden, elk met ingangen en uitgangen, die door de wetenschappers ‘wormgaten’ worden genoemd, vergelijkbaar met wat de theosofie laya-centra noemt. Dit is een nieuwe manier om ons hiërarchisch heelal met zijn gebieden van verschillende bewustzijnsniveaus te beschrijven. Hij heeft het niet over bewustzijn, wat de sleutel is tot de kosmologie, maar veronderstelt toch kosmische circulaties, wisselwerkingen en verkeer tussen en met de verschillende gebieden. Hij introduceert en verklaart de snaartheorie, die stelt dat alle materie is opgebouwd uit trillende snaren, en zegt :

     De snaartheorie kan materiedeeltjes afleiden uit de resonanties van de trillingen op een snaar. En de snaartheorie kan ook de vergelijkingen van Einstein afleiden uit de eis dat de snaar zich intern consistent in de ruimte-tijd verplaatst. Daarmee hebben we een theorie die zowel materie-energie als ruimte-tijd omvat.      – blz. 164

     Hij schrijft ook: ‘De symmetrieën van het subatomaire gebied zijn slechts restanten van de symmetrie van een hogerdimensionale ruimte’ (blz. 170), een uitspraak die theosofisch accurater zou zijn als het woord ‘restanten’ zou worden vervangen door weerspiegelingen. Zijn opvatting lijkt een echo van de oude leer dat de microkosmos de macrokosmos weerspiegelt.
     Men zou zich een 10-dimensionaal universum kunnen voorstellen als een immens symmetrisch tapijt, waarvan de golvende plooien de kleuren van de regenboog uitstralen. In een bepaald deel werkt de menselijke familie aan het eeuwige weefgetouw, ieder op zijn aangewezen plaats. Omdat de meesten ongeschoold zijn, werken ze langzaam en moeten ze hun zwakke plekken corrigeren door middel van reïncarnatie en karma. Door oefening en kennis wordt echter een flink percentage van hen meester-wevers, verlichte mensen. Terwijl ze stilzwijgend hulp bieden aan onwetende gezellen, moeten volleerde vaklieden doorschuiven naar een leven op het eerstvolgende hogere niveau, een gebied dat past bij degenen die geestelijk meer ontwikkeld zijn.
     Het toppunt van occult denken is dat mensen embryo-heelallen zijn, die geleidelijk hun latente innerlijke eigenschappen ontvouwen. Uiteindelijk zal ieder een zon worden, hun huidige organen planeten, hun atomen de levende wezens in de verschillende rijken van de natuur, en zijzelf hiërarchen over alles. De Chinezen zeiden: zoveel sterren aan de hemel, zoveel mensen op aarde. Zo’n grootse bestemming is wellicht adembenemend, maar men begint te begrijpen waarom wijzen ons door de eeuwen heen hebben geleerd dat er geen begin is en geen einde.

 

Verwijzing:

  1. Hyperruimte: een wetenschappelijke odyssee langs parallelle heelallen, tijdsprongen, zwarte gaten en de tiende dimensie, Contact, Amsterdam, 1995 [Hyperspace: a Scientific Odyssey through Parallel Universes, Time Warps, and the Tenth Dimension], Oxford University Press, New York, etc., 1994.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency