De Grootvader en de kano
Jaren geleden, lang voordat het Volk van de Noordelijke Meren de Longknife-handelaren
en -missionarissen kende, woonde er een gerespecteerde oude man in zijn
dorp aan de Oever van het Meer. Hij was een zeer bekwaam Kanobouwer
en het gebeurde soms dat mensen die wel vijf dagmarsen weg woonden naar
hem toe kwamen als ze een heel speciale boot wilden hebben.
Op een nacht, in een Droom, bezochten de Zeven Grootvaders hem. Ze
zaten in een Kring rond de Vuurkuil van zijn Wigwam en hij liet naar
elk van hen zijn Pijp rondgaan. Ze rookten in stilte. Daarna bood hij
hen gekookt Hertevlees en gedroogde Bosbessen aan, die ze ook in stilte
aten.
Na een tijdje begonnen de Grootvaders te spreken. Ze vertelden de oude
handwerksman dat hij weldra zijn Volk zou gaan verlaten en dat hij moest
beginnen aan de bouw van een speciale Kano om hem op de laatste fasen
van zijn reis te vervoeren. Deze Kano moest worden gehakt uit het Steen
van de Granieten Rotsen langs het Meer, en een heel speciale pagaai
moest worden gehouwen uit de Es die in het nabijgelegen Moeras groeide.
Ze tekenden symbolen op een stuk Berkenbast, die hij in de handgreep
van de pagaai moest kerven.
Toen hij wakker werd, was hij alleen, maar het voedsel was verdwenen
en de ingekerfde Berkenbast lag vóór hem. Zonder een woord
tegen iemand te zeggen, ging hij onmiddellijk aan het werk zoals hem
dat was opgedragen. Het harde Steen maakte zijn gereedschap snel bot
en daarom vorderde hij langzaam. Maar hij zwoegde zonder ophouden verder.
In het begin besteedden de dorpsbewoners niet veel aandacht aan zijn
werk; ze waren eraan gewend dat hij zijn handwerk vlijtig beoefende.
Maar na een tijdje begonnen ze te roddelen en ze vroegen zich af of
deze man, die zijn tijd ermee doorbracht op dat Steen te beuken, nog
wel bij zijn verstand was. Toen begonnen ze hem openlijk te bespotten.
Nadat zijn werk voor de vierde keer belachelijk was gemaakt, verliet
hij het dorp en bouwde voor zichzelf een kleine Hut dichtbij de plaats
waar hij aan de Kano werkte.
Maar de kinderen, die hem steeds gezelschap hielden, bleven komen.
Ze waren geboeid door deze gerimpelde man die hen verhalen vertelde
over hun ouders en grootouders toen die nog kinderen waren, en over
allerlei dingen waar ze weinig van afwisten, maar wel heel nieuwsgierig
naar waren. Zij twijfelden er niet in ’t minst aan dat de Kano
die hij uit Steen hakte, zou kunnen varen en vroegen zich niet af, zoals
de oudere dorpsbewoners deden, hoe hij zo’n zware boot naar het
Water zou kunnen brengen.
Het groene jaargetijde kwam en ging. Toen, op de vooravond van de Slapende
Maan als de bladeren van kleur veranderen, vertelde hij de kinderen
dat de Kano af was en dat hij hem die nacht te water zou laten zodra
het donker was.
Na het avondeten gingen de kinderen naar hem toe om afscheid te nemen
van hun geliefde verhalenverteller. Een voor een kwamen ook de volwassenen,
maar ze bleven in de schaduw om hun nieuwsgierigheid niet te laten blijken.
Op de aangegeven tijd ging hij in de Kano zitten, tikte met zijn Toverpagaai
tegen de zijkant en weg was hij in de nachtelijke Hemel. Het hele dorp
keek toe terwijl hij hoger en hoger steeg, totdat hij temidden van het
Sterrenvolk was aangekomen. En daar is hij tot de dag van vandaag te
vinden, omdat de Grootvaders hem beloonden door van hem het sterrenbeeld
te maken dat bij het Volk van de Noordelijke Meren bekend is als de
Grootvader en de Kano.
Sedert die dag leven kinderen en Oudsten samen met respect voor elkaar
en begrijpen elkaar goed. De kanobouwer woont daar aan de nachtelijke
Hemel om de Mensen eraan te herinneren dat hun Oudsten getuigen van
een wijsheid van hogere dan menselijke oorsprong. Met nieuwe eerbied
voor de Ouden heeft het Volk sinds die dag toegewijd geluisterd naar
hun raad en hen de ereplaats in hun leven gegeven.
Legenden met dit thema zijn overal in de wereld te vinden. Deze
hoorde ik van Nokomis (Grootmoeder) Keewaydinoquay, geëerd Oudste
en Genezeres.
De beminden
De ‘Creek’ – Indianen uit het zuidoostelijk deel
van Noord-Amerika – spreken, als ze het over hun oude en wijze
mannen en vrouwen hebben, van hun Beminden. Er is niets dat de traditionele
volkeren zozeer met elkaar gemeen hebben dan respect voor hun ouderen.
Bij feestelijkheden en ceremoniën krijgen ze een ereplaats; ze
mogen ook het eerst gaan zitten en worden het eerst bediend. Ze worden
het eerst op de hoogte gesteld en geraadpleegd en, moeilijke omstandigheden
daargelaten, zijn ze de laatsten die ontbering zouden lijden. Bij raadsvergaderingen
en Praat-Kringen (zie Boek II) zijn zij het die het eerst het woord
voeren, en pas met hun toestemming mogen anderen spreken.
Het is heel praktisch dat de Oudsten zo worden vereerd; zij zijn de
bewaarders van kennis en de bronnen van wijsheid voor hun Volk. Het
delen van hun kennis en wijsheid verzekert het voortbestaan van het
Volk. Het leven wordt er rijker en gemakkelijker door. Ze zijn de schakel
tussen de generaties en dragen de leringen en de herinneringen van de
Oudsten uit hún jeugd weer over op de kinderen van hun kinderen.
Wijsheid is de grootste Schenking van de Oudsten. Ze komt slechts met
de jaren, omdat ze berust op kennis en ervaring. Hoe meer jaren, hoe
dieper de wijsheid. Bij het doorgeven van wijsheid vertrouwen de mensen
erop dat bij hun Oudsten het algemeen belang vooropstaat, want bij jongeren
ontbreekt soms de wijsheid om dat te kunnen onderscheiden. Het inzicht
dat de Oudsten hebben verworven en de tradities waarmee ze innig verbonden
zijn, maken dat ze eenvoudig niet anders kúnnen dan hun Volk
onbaatzuchtig dienen.
Oude mensen met respect behandelen, brengt ons dichter bij elkaar.
Het herstelt het gevoel van nederigheid bij hen die minder winters hebben
meegemaakt, maar meer tot stand hebben gebracht, en het eert diegenen
die lange tijd hun Pad zijn gegaan, maar misschien niet zulke in het
oog lopende successen hebben geboekt als anderen.
De oudere man of vrouw heeft al zolang geleden afscheid genomen van
de wereld van het kind, dat er geen gemeenschappelijke taal en leefpatroon
lijkt te bestaan. Maar het blijkt dat de uitwisseling die algemeen voorkomt
tussen kinderen, ook voorkomt tussen ouderen, maar die is snel en woordenloos,
zodat het vrijwel onopgemerkt gebeurt. Het overbruggen van deze communicatiekloof
schijnt tijd en een vermogen tot samenwerking te vragen van de kant
van de oudere, en geduld en aandacht van de kant van het kind.
Dit is echter niet het geval, zoals de hierboven vertelde legende illustreert.
Kinderen en Oudsten hebben een heel bijzondere en natuurlijke relatie
tot elkaar – een relatie die warm, diep en spontaan is. Het is
alsof ze intuïtief beseffen hoe belangrijk ze voor elkaar zijn
als de brug die Kracht en continuïteit schenkt aan het leven van
hun volk.
Als de ‘Beschaafde Leefwijze’ haar ouderen weer zou omarmen,
zou ze wellicht haar oerwortels opnieuw ontdekken en een begin maken
met de terugkeer naar De Moeder die zolang geleden in de steek werd
gelaten.