Wales, een land ongeveer zo groot als Nederland, ligt ten westen van
Engeland en is aan drie kanten begrensd door de zee. De Ierse Zee rolt
zijn soms woeste branding op de noordelijke en westelijke kustlijn,
terwijl de brede riviermond van de Severn de zuidelijke kustlijn bespoelt.
Hier bevinden zich de bergmassa’s, de onstuimige rivieren, de
in wolken gehulde hoogten en het groen van een prachtig natuurgebied
waar herinneringen aan het verleden slechts dun omsluierd zijn. Dyfed
(Wales) was Gwlad Yr Hud (‘het geheimzinnige land’)
toen de aarde jong was en de goden zich onder de mensen begaven. Men
kan de plekken terugvinden – en soms zelfs de ruïnes van
steden – die in de oude legenden worden genoemd, en meren, rivieren
en bergen dragen de naam van Welse goden, helden en reuzen uit het Mabinogion
en de gedichten van de barden. Op een berg aan de Conwayrivier hield
de Welse patriarch Math, zoon van Mathonwy, zijn hof – een Welse
Olympus. Er bevindt zich een monument ter ere van de zesde-eeuwse Taliesin,
de grootste onder de historische barden, op de oevers van het meer Geirionydd,
en het gebied wemelt van plaatsen die worden vermeld in de verhalen
die rondom hem zijn geweven. Er zijn twee plaatsen – één
tussen de pieken van de Snowdon en de andere in midden-Wales bij de
top van Cader Idris – waarvan wordt gezegd dat daar inwijdingen
in de oude mysteriën plaatsvonden.
Volgens de archaïsche overleveringen voltrokken zich verschrikkelijke
natuurrampen, waarbij continenten uiteenscheurden en door de zeeen werden
verzwolgen, en andere landmassa’s tot aanzijn kwamen. Van de rotsen
van de ‘Great Orme’ in Llandudno, Noord-Wales, wordt gezegd
dat ze meer dan 500 miljoen jaar oud zijn, en de fossielen die hierin
worden aangetroffen, tonen aan dat de rotsen zich meer dan eens onder
zee hebben bevonden. De meest hevige en omvangrijke van deze rampen
zouden het einde betekenen van een cyclus uit de geschiedenis van de
mensheid en een nieuwe openen. H.P. Blavatsky spreekt over het Lemurische,
Atlantische en het huidige tijdperk als drie zulke hoofdstukken in de
lange geschiedenis van het menselijk ras.
In een land waar oude tradities zelden werden opgetekend, is het bijna
onmogelijk de werkelijke geschiedenis van zijn bevolking te achterhalen.
Zelfs het Mabinogion stond tot de twaalfde eeuw niet op schrift.
Wie waren dan wel de Kelten en waar kwamen ze vandaan? Brachten zij
het druïdisme voort? In de vorige eeuw accepteerden de meeste geleerden
het idee van Sir John Rhys, dat de Kelten in twee episoden in Brittannië
zijn geïmmigreerd: ten eerste de Goidels, die de voorouders waren
van de Ieren; vervolgens de Brythons, de voorouders van de bewoners
van Wales. Andere geleerden hebben gesuggereerd dat vanaf ongeveer 500
v. Chr. een reeks invasies vanuit het Europese vasteland heeft plaatsgevonden,
waarvan die van Julius Caesar het hoogtepunt vormde. Maar vóór
al deze, zijn er echter sporen van veel oudere bevolkingen die leefden
in wat nu Wales is.
De bewoners van Wales schijnen een hybrideras te zijn van Arische1
en niet-Arische afkomst. Overleveringen vertellen van reuzen in Wales,
die tot het Atlantische ras behoorden, terwijl de Kelten beweerden Ariërs
te zijn, een ras dat de Atlantiërs opvolgde sinds de tijd van de
zondvloed. De Welse goden en helden hadden gebruiken die verschilden
van die van de Arische Kelten. Zij kenden een opvolging langs vrouwelijke
lijn en behoorden tot een ander tijdperk, waarschijnlijk het Atlantische.
Atlantis strekte zich volgens de overlevering uit over wat nu de Atlantische
Oceaan is, en in een bepaalde periode reikte het via Afrika tot het
Midden- en Verre Oosten. Men zegt dat de Atlantiërs beschavingen
bouwden die een intellectueel hoogtepunt bereikten, maar dat zij als
ras nalieten een overeenkomstige geestelijke ontwikkeling te realiseren
en daarom ten onder gingen in een vernietigende onderlinge strijd. In
Welse termen ontaardden de zielen van deze antediluviaanse reuzen tot
zo’n verdorvenheid dat ze niet in staat waren gelijke tred te
houden met de evolutiestroom van de zich ontwikkelende mensheid. Ze
bleven verzonken in grof materialisme, in de cirkel van het lagere Abred
of, nog erger, ze vielen terug in de submenselijke regionen van Annwn.
Niettemin hadden ook de Atlantiërs hun verlossers en leraren,
en optekeningen in India en Egypte zinspelen op Atlantische rishi’s,
van wie enkelen wellicht de lange reis naar het westen hebben ondernomen,
naar de landen van de Hyperboreeërs. De overlevering verbindt Stonehenge
in Engeland, Carnac in Frankrijk en ook de kolossale zodiakken van Avebury
en Glastonbury, met ingewijde Egyptische priesters die over land naar
Albion (Brittannië) reisden toen het nog als een schiereiland verbonden
was met het vasteland. Waren deze priesters de oorspronkelijke druïden,
de eerste barden, van wie de traditionele kennis werd doorgegeven aan
de meest wijzen onder de Kelten in de ‘Chairs’ of geheime
scholen? H.P. Blavatsky meende dat ‘hun priesters de afstammelingen
van de laatste Atlantiërs waren, en wat over hen bekend is, wettigt
de conclusie dat zij oosterse priesters waren, verwant aan de Chaldeeën
en Indiërs, . . .’ (De geheime leer 2:860).
Wat was de geheime wijsheid van de druïden? We zouden zelf ingewijden
moeten zijn om toegang tot die wijsheid te hebben en alles ervan te
begrijpen, maar er is voldoende bewijs dat duidt op het bestaan ervan.
Dat ze geen romantische fictie is, wordt bevestigd door zowel Griekse
als Romeinse schrijvers2. Diodorus Siculus
vermeldt dat de druïden ‘filosofen en theologen, bekend met
de Goddelijke natuur’ waren en zich met de goden konden onderhouden.
Julius Caesar schreef dat ze filosofische en religieuze overtuigingen
hadden die verband hielden met ‘krachten en sferen van handelen
van de onsterfelijke goden’; dat zij ‘veel kennis bezaten
van de sterren en hun loop, van de omvang van de wereld en van de aarde,
van natuurfilosofie’. De Kelten geloofden in reïncarnatie,
en Caesar vermeldt dat ze bereid zouden zijn hun schulden af te betalen
in het volgende leven! Strabo en Cicero zeiden dat de druïden kennis
van de natuur bezaten die de Grieken physis noemden.
Andere oude schrijvers brachten de druïden in verband met de Pythagoreeërs.
Diodorus, Ammianus en Valerius Maximus associeerden het druïdische
geloof in onsterfelijkheid met metempsychose, en maakten van de druïden
‘leden van de innerlijke broederschap van het pythagorische geloof’.
Sommigen gingen verder en leidden de pythagorische filosofie af van
de druïden. Iamblichus bijvoorbeeld, stelde dat Pythagoras bekend
was met de Keltische mysteriën, een bewering die ongeveer 200 n.
Chr. werd bevestigd door Clemens van Alexandrië, die schreef dat
filosofie door de druïden werd bestudeerd voordat de Grieken
dat deden:
Aldus bloeide de filosofie, iets van buitengewoon
nut, in de oudheid onder de barbaren, en verspreidde haar licht over
de volkeren. En daarna kwam zij naar Griekenland. De eersten in haar
gelederen waren de profeten van de Egyptenaren, en de Chaldeeën
onder de Assyriërs, en de druïden onder de Galliërs
. . . en de filosofen onder de Kelten.
De leer van de druïden werd door vele denkers uit de geschiedenis
hooggeacht. In de derde eeuw schreef Hippolytus van Alexandrië
dat de druïden ‘gebruikmaakten van pythagorische rekenmethodes
bij hun profetieën’ en doelde op hun gelijkwaardigheid met
Pythagoras, Socrates, Plato en Aristoteles.
Beschouwen we het Welse verhaal over de schepping, dan zien we opmerkelijke
overeenkomsten met de bijbelse en andere versies. Vergelijk ‘In
den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was
God’ (Johannes I:1) met zijn Welse tegenhanger, waar in het begin
sprake is van de ‘drie kreten’:
God kondigde toen er in het leven en het bestaan
alleen Hijzelf was, Zijn Naam af, en gelijk toen het woord gesproken
was, barstten alle levende en bestaande dingen spontaan los in een
kreet van vreugde; en deze stem was de meest melodieuze die ooit in
muziek werd gehoord. Tegelijkertijd met de stem was er licht, en in
het licht vorm, en de stem bestond uit drie tonen, drie uitingen,
samen uitgesproken op hetzelfde moment3.
In ‘The Welsh Story of Creation’ vervolgt Kenneth Morris:
‘Geen mens heeft ooit de uitspraak van Zijn Naam gehoord, en niemand
weet hoe die uitgesproken moet worden, maar ze wordt weergegeven in
letters, zodat het gekend kan worden wat wordt bedoeld, voor Wie zij
staat.’ De letters zijn drie tekens gelijk de stralen van de zon,
één stelt de zonnestraal bij dageraad voor, een verticale
lijn voor de zonnestraal in de middag, en een derde lijn toont de zonnestraal
bij het aanbreken van de avond, en het geheel wordt kenbaar gemaakt
als:
.
Maar in plaats, en ter vervanging van deze, worden
de drie letters O I W (de naam die de barden aan God gaven) gezet
. . . om te voorkomen dat God onbeleefd en oneerbiedig wordt bejegend,
is het een bard verboden Zijn naam uit te spreken, behalve innerlijk
en in gedachten. Niettemin, als een bard de naam innerlijk onder woorden
zou brengen, zou het voor hem als O-IE-OE in de oren klinken.
Deze ‘Oeaohoo’ is Volgens Blavatsky ‘de kiem van
alle dingen. Hij is “de onlichamelijke mens die in zich de goddelijke
Idee bevat”, – de voortbrenger van Licht en Leven, . . .’
Ze vergelijkt het met de logos of het Woord, de houder van de zeven
scheppende menigten of Sephiroth, en de essentie van gemanifesteerde
Wijsheid (De geheime leer I:102).
De leer van de druïden brengt ook het idee naar voren dat er naast
deze fysieke bol waarop we leven ook onzichtbare werelden zijn. Volgens
deze leer leven we nu in de cirkel van Abred, de stoffelijke wereld.
Abred wordt omringd en doordrongen door de cirkel van Annwn (de onderwereld),
de wereld van de ‘kleine mensen’, submenselijke wezens.
De cirkel van Gwynfyd, de sfeer van de ‘gezegenden’, omringt
Annwn en doordringt zowel Annwn als Abred; en Ceugant – de oneindigheid,
de sfeer van God – omringt Gwynfyd, en doordringt Gwynfyd, Annwn,
en Abred.
William Blake verklaarde dat de druïden vóór Adam
bestonden. Zij zijn in de Welse leringen bekend als de Gwynfydolion,
wezens die in een vorige wereldcyclus of tijdperk volmaakt zijn geworden,
de bewoners van Gwynfyd, de Cirkel van de Gezegenden. Zij waren de Lucifers
(‘lichtbrengers’) uit de hemel, manasaputras of ‘zonen
van het denkvermogen’ genoemd in de hindoe-overlevering, die door
hun liefde voor de ontluikende mensheid opzettelijk in de Cirkel van
Abred of de stoffelijke openbaring ‘vielen’, en zich verenigden
met de mens zonder denkvermogen. Vandaar de mensheid: half god, half
dier; het meer edele deel de Gwynfydol, het mindere beginsel het beginnende
menselijke wezen. Op zekere dag in de eeuwige duur van de voortrollende
cyclussen zou het onze lotsbestemming kunnen zijn de Gwynfydolion te
evenaren en hun plaats in het evolutieschema over te nemen. We zullen
dan meester zijn geworden van die leer van de druïden die zo oud
is als de tijd zelf.
Noten
- Van arya (Sanskriet) wat betekent nobel,
sterk, betrouwbaar; het woord verwijst oorspronkelijk naar de oudste
bewoners van Centraal-Azië die naar India, Iran en Europa emigreerden.
- Zie ‘The Druids’ van Stuart Piggott
en ‘The Famous Druids’ van A.L. Owen.
- Ds J. Williams Ab Ithel, Barddas, blz. 37.