Zegen mij opdat ik dienstbaar zal zijn1
Nancy Coker

 

Van het ogenblik dat Jack Kerouac zijn biografie van de Boeddha publiceerde in de jaren vijftig tot Bertolucci’s film Little Buddha uit 1994, heeft het boeddhisme zich langzaam vanuit een randgebied naar de hoofdstroom van de Amerikaanse samenleving bewogen. Al meer dan 100 jaar geleden hebben transcendentalisten en theosofen ertoe bijgedragen oosterse ideeën ingang te doen vinden in het Westen, maar de meeste Amerikanen verkozen een materialistische boven een transformatieve oosterse filosofie. Onlangs maakte de Amerikaanse televisiezender ABC in een ‘special’ over boeddhisme in een nieuwsrubriek op een uur dat er veel gekeken wordt, er melding van dat dit aan het veranderen is – zoals een Amerikaans tijdschrift het stelde: ‘Boeddhisme is “in” tegenwoordig.’

Hoewel het misschien lijkt alsof er maar één vorm van boeddhisme is, bestaat het boeddhisme net zo min als het christendom uit één enkel stelsel van ideeën en één wijze van beoefening. Het boeddhisme kent vele formuleringen van de leer, waarvan de vier belangrijkste zijn: theravada, mahayana, tantra en zen, alle gevormd, gekleurd en medebepaald door taal, gebruiken en cultuur. Masao Abe zegt hierover:

De boeddhisten hadden geen vastgelegde canon die in één taal werd neergeschreven. De Boeddha stond zijn discipelen al vanaf het begin toe zijn leer in hun eigen taal op te schrijven. Derhalve bood het boeddhisme vergeleken met het christendom en de islam, al vanaf haar allereerste verwoording een veel grotere ruimte voor verbreiding en zelfs vertakking zowel wat betreft leringen als geschriften. Deze grotere speelruimte gecombineerd met een langer historisch verleden vergeleken met het christendom en de islam, stelde het boeddhisme langs natuurlijke weg in staat om een grotere diversiteit aan vormen aan te nemen dan de andere twee religies.2

Al buigen de planken in de winkels door onder de enorme hoeveelheid boeken die oosterlingen schreven om westerlingen te verlichten, toch moet de betekenis van weer een boek uit de Tibetaanse traditie niet worden onderschat. Het Tibetaanse boek van leven en sterven van Sogyal Rinpoche3 vormt een moderne uitleg en verbreding van de eeuwenoude boeddhistische leringen uit wat gewoonlijk Het Tibetaanse dodenboek wordt genoemd. Het boek, met gevoel en scherp inzicht geschreven door een lama en leraar in een lijn van geestelijke erfopvolging binnen het boeddhisme, biedt een moderne discussie over de aard van de werkelijkheid in de traditie van Padmasambhava (stichter van het Tibetaanse boeddhisme in de achtste eeuw n.Chr.) en de tantrische leringen van Dzogchen. De eeuwige wijsheidstraditie laat zich door het hele werk krachtig voelen, en helpt ons ons begrip van wie we zijn te verdiepen, terwijl ons tegelijkertijd een blik wordt gegund op een eeuwenoude religieuze traditie.

Omdat alleen inleidende begrippen kunnen worden opgeschreven (de diepere leringen moeten van meester op leerling worden overgedragen volgens de eeuwenoude traditie van de levende overdracht van leringen), worstelde de schrijver vaak met de vraag hoeveel hij kon zeggen en hoeveel hij weg moest laten. Overdracht door middel van een ononderbroken keten is een cruciale (hoewel niet onfeilbare) bescherming tegen de wildgroei van leringen. Spirituele leraren erkennen de autoriteit van een lange reeks van wijzen die de helderheid van het universele bewustzijn op nauwgezette wijze hebben onderzocht en ervaren. Het doel is niet om ‘een verstarde, ritualistische kennis kunstmatig in stand te houden, maar het overdragen van een wezenlijke en levende wijsheid en haar vaardige en krachtige methoden, van hart tot hart, van geest tot geest’ (blz. 124-5). Dit boek is dus voor een algemeen publiek geschreven buiten de overdracht van goeroe tot leerling, en moet niet te letterlijk of te persoonlijk worden opgevat.

Van bijzonder belang is een discussie over de verhouding tussen leermeester en leerling, die door westerlingen zo vaak verkeerd wordt begrepen. Ze omvat een onderzoek van de ‘vier bouwstenen van vertrouwen’ van de Boeddha:

Vertrouw op de boodschap van de leraar, niet op zijn persoonlijkheid;
Vertrouw op de betekenis van zijn woorden, niet op de woorden zelf;
Vertrouw op de ware betekenis, niet op de tijdelijke,
Vertrouw op je wijsheidsdenken, niet op je gewone beoordelende denken.
                                    – blz. 125

Hier geen fundamentalistische leringen! Er wordt ons niet gevraagd iets onvoorwaardelijk te geloven (inclusief dat wat de auteur zelf schrijft), maar we worden wel aangemoedigd om voor onszelf de betekenis te ontdekken.

Het eerste deel van het boek introduceert het Tibetaans-boeddhistische begrip van het leven, dat rigpa (geest van zuiver, oorspronkelijk gewaarzijn) als zijn universele basis van ervaring ziet. Onze dagelijkse, normale gemoedstoestanden (sem) verhullen de ware essentie ervan; rigpa of de boeddhanatuur te verwezenlijken, betekent de aard van alle dingen verwezenlijken. Omdat het gewone bewustzijn (sem) met de dood oplost, is het van het uiterste belang om de werkelijke aard van de geest te leren kennen, ‘zijn diepste wezen, absoluut en altijd onaangetast door verandering en dood’ (blz. 46). Dit houdt in dat we onze gehechtheden (waardoor onze visie beperkt blijft en onze aandacht oppervlakkig) moeten loslaten, en we een diepere visie op het leven moeten leren ontdekken. Zij die de ware aard van het leven en de geest begrijpen, zullen hun aandacht makkelijk afwenden van oppervlakkige uiterlijkheden. Tenslotte, zo merkt de schrijver op, gaat niemand zijn hotelkamer opnieuw behangen.

Het boek doet voortdurend een beroep op ons om onzelfzuchtigheid, verantwoordelijkheid en mededogen te beoefenen. We moeten wakker worden, want als wij werkelijk iets aan het lijden willen doen, zijn verlichting en bevrijding daarvoor noodzakelijke voorwaarden – want anders bestendigt men alleen maar de illusie dat afgescheidenheid een realiteit is. Met andere woorden, we zijn òf een deel van het probleem (gevangen in de illusie van maya), òf een deel van de oplossing (verlicht en bewust van onze ware natuur). Volgens de schrijver is innerlijke transformatie een weg naar vrede; als we onderling verbonden wezens zijn, zal de verlichting en bevrijding van één ervan alle andere helpen. Bevrijding wordt omschreven als het éénworden met de boeddhageest – tot het besef komen dat er geen scheidingen of verschillen bestaan. De Dzogchentraditie ziet mededogen ‘als de bron en essentie van verlichting en het hart van verlichte activiteit’ (blz. 180). Dit is een verfrissend verschil met de tradities die persoonlijke verlossing prediken, wat in feite een spiritueel zelfzuchtig streven is.

Het tweede deel bespreekt op gevoelvolle wijze de zorg voor stervenden, en leert ons tevens onze eigen sterfelijkheid zonder vrees en met verantwoordelijkheidsbesef te benaderen. Alleen met spirituele kennis kunnen we de dood kalm onder ogen zien en het leven werkelijk begrijpen. We moeten ervoor op onze hoede zijn de dood niet te bagatelliseren door ontkenning of romantisering – beide zijn manieren om de dood te ontwijken. Door bewust met onze angsten en verdriet om te gaan, kan ons lijden dienen als een middel om ons begrip en mededogen te versterken. Door in te zien dat we onderling verbonden zijn en door onze verantwoordelijkheid voor het geheel te accepteren, zullen we tenslotte spiritueel sterk genoeg zijn om anderen te helpen hun leed te dragen. Net zoals we baby’s met zorg en liefde helpen bij hun overgang naar onze wereld, moeten we onze stervende vrienden met dezelfde zorg bijstaan bij hun komende overgang.

Na een zachtmoedige bespreking van het trauma van het sterven, begeeft deel drie zich op het gebied van de dood, de toestanden na de dood en wedergeboorte, en biedt een diepgaande discussie over de aard van het bewustzijn. Door de aard van alle toestanden van bewustzijn te leren kennen, kunnen we ze later, in de toestanden waarin we na de dood verkeren, herkennen zonder ons eraan te willen onttrekken. We moeten ons nu, tijdens het leven, voorbereiden op het machtige moment van de dood, waarvan men zegt dat het, als men geestelijk sterk genoeg is om de intensiteit ervan te doorstaan, een mogelijkheid biedt om tijdens dit leven tot bevrijding te komen. ‘Het is werkelijk mogelijk’, schrijft hij, ‘deze toestand te bereiken binnen één leven, als een beoefenaar zich er met hart en ziel op toelegt.’ (blz. 145). Al zullen andere religieuze tradities het er wellicht niet mee eens dat we zo snel één met het goddelijke kunnen worden, de meeste schijnen er wel mee in te stemmen dat de laatste momenten van het leven bijzonder belangrijk zijn, wat blijkt uit het feit dat geestelijken er zo vaak bij worden geroepen om de stervende bij te staan.

Hoewel het boek veel meditaties en gebeden bevat, geeft Rinpoche uitdrukking aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat het westen zo in beslag wordt genomen door wat hij ‘de technologie van de meditatie’ noemt (blz. 63). Hij beschrijft meditatie niet als iets dat men doet, maar als iets dat gebeurt: ‘In een sfeer van humor en ruimte ontstaat meditatie als vanzelf’ (blz. 62). Het doel van meditatie is om te verblijven in de ruimten voordat gedachten opkomen en vraagt, net als iedere andere training, om toewijding en jaren van discipline. Zijn beschrijving van het opkomen van een gedachte uit de grond van het bewustzijn doet sterk denken aan de manier waarop [in de quantumfysica] waarschijnlijkheidsgolven zich plotseling zouden veranderen in een deeltje. Hij maakt een belangrijk onderscheid tussen die oefeningen die de lezer zou moeten proberen en andere waar de leiding van een leraar voor nodig is, en adviseert iedere meditatie te doen beginnen en eindigen met een gebed waarin de oefening wordt gewijd aan de verlichting van alle wezens. Een grotere verwezenlijking leidt tot grotere verantwoordelijkheid; het is de plicht van hen die weten om hen die niet weten te helpen.

Hoewel het boek zich vooral concentreert op Tibetaanse leringen en methoden, zien we daardoorheen de universele waarheden die eraan ten grondslag liggen. Er is wijsheid aanwezig, hoewel sommige beschrijvingen ons doen twijfelen. Zijn visie op evolutie en de uitleg van karma doen vreemd aan, en veel details over de toestanden na de dood verschillen belangrijk van de theosofische leringen. Omdat dit boek is geschreven voor een algemeen publiek, is het mogelijk dat uitgebreidere en diepere leringen (die alleen in gesprekken tussen meester en leerling worden overgedragen) contouren tonen die in het boek niet worden onthuld. Wat ook nogal verwarrend is, is zijn zekerheid dat we met voldoende toewijding ons hele karma in een oogwenk kunnen zuiveren – hoe zou dat de slachtoffers van onze daden beïnvloeden? Sommige van deze ideeën kunnen het gevolg zijn van de onvermijdelijke verstarring waaraan alle overgedragen spirituele leringen onderhevig zijn, of, wat even plausibel is, wat voor ons vreemde leringen schijnen, heeft misschien meer te maken met de irrealiteit van ruimte en tijd dan met echte doctrinaire verschillen.

Het vermogen van de schrijver om exotische Tibetaanse leringen (bijvoorbeeld over de bardo-toestanden of Tonglen-praktijken) op een vriendelijke en moderne manier over te brengen, maakt hem tot een goede leermeester en steunt de gedachte dat er inderdaad een betekenisniveau bestaat waar ervaring ons allemaal verbindt – waar geen grenzen van taal of cultuur bestaan. De taal (geschreven of gesproken) verhult net zoveel en zo vaak iets als dat ze iets overbrengt. Als we geestelijke geschriften benaderen en beseffen dat ze wijzen in de richting van de waarheid (zonder dat we verwachten dat ze de waarheid belichamen), ontdekken we dat hun verschillen op stimulerende wijze kunnen helpen ons attent te maken op nieuwe perspectieven en diepere gedachten. Het doel is tenslotte niet om vast te stellen welke spirituele leer de meest juiste is, maar om te begrijpen dat ze alle uit beeldspraak bestaan, die ons helpt duidelijker en met meer mededogen te zien. In deze geest is het boek aan te bevelen voor ieder die bereid is om open te staan voor de Geest, en om elke vorm te verwelkomen waarin deze verkiest zich tot uitdrukking te brengen.

 

Verwijzingen

  1. Uit een Tibetaans gebed om het lijden van alle wezens te helpen verlichten.
  2. ‘Buddhism’, Our Religions, uitgave Arvind Sharma, 1993, blz. 72.
  3. Bewerkt door Patrick Gaffney en Andrew Harvey, Servire, Cothen, 1994; 418 blz. ISBN 90-6325-441-5 gebonden.
 
Andere artikelen over boeddhisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/augustus 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency