Geestelijke verbeeldingskracht in een tijd van wetenschap en technologie
Norman Lear

 

    De schrijver, producer en regisseur Norman Lear staat in de wereld van het amusement in hoog aanzien en heeft talrijke onderscheidingen gekregen. Lear is door zijn unieke invloed op de Amerikaanse samenleving een begrip geworden. Het meest bekend is hij wellicht door zijn tv-producties, zoals ‘All in the Family’ en ‘The Jeffersons’.
    Even opvallend is zijn levenslange inspanning om behalve de twijfels en angsten die de menselijke natuur eigen zijn, ook daden van ‘moed, integriteit en sociale visie’ in het zakenleven en de kunst, en het persoonlijke leven van mensen uit te beelden. Het is Sunrise een genoegen om met zijn toestemming een verkorte versie te kunnen presenteren van de toespraak die hij op 20 november 1989 hield voor de Conventie van de Amerikaanse Academie van Religies te Anaheim, Californië.     – Red.


Ik wil vandaag spreken over het morele en geestelijke leven van onze natie zoals ik dat voel – over mijn intuïties en de vibraties die ik in de lucht waarneem. Ik ben werkelijk bezorgd over de ongezonde terughoudendheid die vandaag de dag bestaat om de algemene discussie over de uiteindelijke zin en over het geestelijke leven aan te gaan. Dat geldt zowel voor de media als voor de sociale arena, en in het bijzonder voor ons schoolonderwijs.
    En toch, nu we het nieuwe millennium naderen, voel ik bij de meeste Amerikanen een groeiend verlangen naar geestelijke authenticiteit, een verlangen naar verbondenheid en naar een zin voor gemeenschappelijke morele waarden. De meeste mensen beseffen dat de maatschappij de weg is kwijtgeraakt en, of ze nu precies in deze termen denken of niet, dat er ergens een gevoel bestaat dat het absoluut noodzakelijk is dat we als beschaving een zin voor het heilige in ons dagelijks leven herontdekken. Als ik ‘heilig’ zeg, bedoel ik niet uw of mijn heilige uiterlijke symbolen. Als we het heilige niet kunnen ontdekken in een boom, een vlinder, in elkaar, dan zullen de heilige symbolen van onze verschillende religies nooit dat verlangen naar saamhorigheid bevredigen waar ik het over heb. Onze waarden verkeren in een chaotische toestand. Onze volkscultuur huldigt het materiële en ontkent grotendeels het geestelijke – en dat is niet los te zien van het feit dat heel veel fatsoenlijke mensen de morele en culturele grond onder hun voeten voelen afbrokkelen. Ook is het jammer dat zoveel intelligente en goed opgeleide mensen in onze wereldlijke, wetenschappelijk georiënteerde cultuur, andere mensen die trachten ‘bewust te leven’ als een beetje excentriek beschouwen. Het gevolg is dat morele en geestelijke waarden alleen openlijk lijken te worden verkondigd door mensen die zich bewegen aan de periferie van de heersende cultuurstroom – de evangelisten, de new age-swami’s, de ‘ego-boosters’ van het ‘ik ben o.k. – jij bent o.k.’-type – ondanks het feit dat het verlangen naar een zinvoller geestelijk bestaan, het zoeken naar de uiteindelijke zin, niets minder is dan het centrale thema van het menszijn. Deze respons op het leven, op het Zijn, de impuls om te geloven in iets groters dan jezelf, is zo sterk en onweerstaanbaar dat hij deel lijkt uit te maken van onze genetische code.
    Hoe komt het dan toch dat zowel de massa als de elite van onze cultuur zo schichtig zijn als het gaat om onze geestelijke behoeften met betrekking tot het goddelijke? Waarom hebben we er een weerstand tegen om te praten over het heilige? Waarom aarzelen we zo om in ons schoolonderwijs dit soort vragen aan de orde te stellen?
    Ik denk dat dit is terug te voeren op een van de krachtigste mythen van onze beschaving: het idee van ‘vooruitgang’, gewoonlijk opgevat als materiële verbetering van het menselijk bestaan door de wetenschap, de technologie en de markteconomie. Dankzij ons machtig industrieel imperium jaagt de Amerikaanse beschaving een visie na die inhoudt dat het menselijk heil kan worden bereikt door de technologie. Dat wordt belichaamd in prachtige, nuttige, ingenieuze en economisch winstgevende zaken . . . maar die betekenen niets voor het lenigen van de noden van het innerlijk leven, waar het vermogen tot ontzag en verwondering en de zin voor het mysterieuze liggen. Ook die wensen gevoed te worden.
    In een beschaving die zich helemaal richt op consumptie en die is bezeten van materieel welzijn, is het niet te verwonderen dat het leven van de geest verkommert. Het leven van de geest gaat lijnrecht in tegen de sceptische, empirische, kwantificeerbare normen van de heersende cultuur – vooral de onverschilligheid en soms vijandige houding ervan ten opzichte van religie per se en van religieuze neigingen in het algemeen.
    Hoewel vrijheidsgezinde burgers de meeste juridische en constitutionele veldslagen hebben gewonnen, verontrust het me dat zoveel mensen zich voor de geestelijke leegte in onze cultuur die door de televisie-evangelisten zo succesvol wordt uitgebuit, afsluiten of blind blijven. En ik wil erop wijzen dat het onderzoeken van de paradox van een knagende geestelijke honger in een natie met zo’n enorme materiële rijkdom meer is dan alleen maar een interessante academische aangelegenheid. Het is van urgent praktisch belang voor de mensheid – want als onze begeerte naar materiële rijkdom voortduurt, als die zich verbreidt over de verarmde derdewereldlanden die begrijpelijkerwijs hun bestaan willen verbeteren, dan zal de pelgrimstocht naar ‘vooruitgang’ de aarde ruïneren.
    Robert Frost vatte dit gevoel van geestelijke kortzichtigheid samen toen hij schreef: ‘Zie af van dit alles wat nu teveel voor ons is. Haal, door het loslaten van details, een tijd terug die weer eenvoudig is . . .’ en hij raadde aan terug te keren naar de bron van ons leven in de natuur. Ik beveel geen nostalgisch verlangen aan naar één of andere romantische pastorale idylle. Maar ik bepleit wel dat we als mensheid gaan vaststellen wat onze rol is op deze kleine kwetsbare planeet. Want op het ogenblik weten we niet wie we eigenlijk in het universum zijn, en hebben we geen idee van onze plaats in de kosmische geschiedenis.
    Het lijdt geen twijfel dat we de kwestie van onze relatie met de planeet en al haar levensvormen onder ogen moeten zien, en dat impliceert een geestelijke heroriëntatie, een zuivere analyse van wat we als heilig beschouwen in het universum, op onze planeet en in ons dagelijks leven. Het kan niet langer zo zijn dat de glorie van de mens de verwoesting van de aarde met zich meebrengt. Er is dus reden om ons te ontdoen van onze culturele conditionering en vrij baan te maken voor onze instinctieve genetische impulsen aangaande wat heilig en kosmisch is. Kortom, we moeten ons meer van ons geestelijk voorstellingsvermogen bewust worden, en het krachtig voeden.
    Is er een beter forum denkbaar dan de scholen, waar leerlingen van alle mogelijke geloofsovertuigingen – of helemaal geen – vrijuit en met respect kunnen praten over hun gemeenschappelijke – en ik zou zeggen genetische – grondslag? Ik ben me er wel degelijk van bewust dat de openbare scholen tegenwoordig versterkte instellingen zijn, maar als ze met hun tijd mee willen gaan en de komende generaties werkelijk willen voorbereiden op de toekomst, moeten ze een betere bijdrage leveren aan het bijbrengen van de waarden die ons als natie verenigen. Ze moeten iets over de rol die de religie in onze geschiedenis heeft gespeeld in hun programma opnemen. En ze moeten de leerlingen inspireren om meer voedsel te geven aan die innerlijke wereld waar mensen al sinds het ontstaan van de mensheid hetzelfde gevoel van ontzag en verwondering met elkaar hebben gedeeld toen ze zochten naar de betekenis van de dingen. Dit alles zonder sektarisme of ontaarding in een moreel nihilisme te prediken.
    Ik verwerp de twee uitersten van moreel absolutisme aan de ene en afschaffing van de moraal aan de andere kant. Als een bekrompen sektarisme voor de scholen onacceptabel is, dan is absolute verwereldlijking dat ook. Ja, we moeten zowel het culturele, het wiskundige als het goede ouderwetse alfabetisme stimuleren. Maar opvoeding vergt ook ethisch alfabetisme – en dat vereist een brede discussie van de morele en geestelijke waarden die ertoe bijdragen een cultuur tot een geheel te maken.
    Waarom wordt er in ons openbaar onderwijs zo weinig aandacht besteed aan de ‘geestelijke verbeeldingskracht’? Een van de redenen is, denk ik, dat het ethos van onze tijd de gevangene is van een andere denkwijze en een ander geloof – iets dat ik de ‘dubbele verbeelding’ zou willen noemen. Een maatschappij die obsessief is toegewijd aan het ideaal van technologische vooruitgang is een maatschappij die verslaafd is aan koude, harde cijfers als primaire bron van waarden. Terwille van het manipuleren van gegevens en het beheersen van een of ander partje van de wereld wordt de onmetelijke, dynamische rijkdom van de kosmos gereduceerd tot grijze rijen nullen en enen. Dat is zowel een topprestatie van onze wetenschappelijke eeuw als een ontstellende, aanmatigende verkleining van de rol die morele en geestelijke waarden spelen.
    In deze beschaving worden onze kinderen opgevoed in het geloof dat er geen gradatie bestaat tussen winnen en verliezen. Het besef dat het leven iets te maken heeft met het slagen op het niveau van je best doen is verloren gegaan bij deze in een klimaat van resultaatgerichtheid levende kinderen, en waarin het leiderschap zich overal alleen op het directe heden richt en weigert voorzieningen te treffen voor de toekomst.
    De mens grijpt in zoveel natuurlijke processen van onze biosfeer in – van het beslissen welke soorten planten en dieren er zullen leven of sterven, tot hoe ongerept of vervuild onze lucht, ons water en de bodem zullen zijn, en honderden van dergelijke beslissingen – dat we zelfs de macht in handen nemen over de levenssystemen van de aarde, van alle systemen met inbegrip van die van onszelf, als we beginnen met de hachelijke exploratie van genetische manipulatie op mensen.
    Niemand kan me wijsmaken dat deze ontzagwekkende krachten die we hebben aangetrokken, buiten een spirituele context in hun volledigheid kunnen worden besproken. Tenzij we, zoals ik heb aangegeven, het erover eens zijn dat de impuls van de mensheid om te geloven in iets dat groter is dan haarzelf spontaan, genetisch, komt naarmate men meer werkelijk is. Thomas Berry, schrijver van het opmerkelijke boek ‘The Dream of the Earth’ [de droom van de aarde], is een 74-jarige pater in de Orde van het Heilige Kruis. Ik vroeg hem hoe christenen, joden, moslims en anderen een dergelijke discussie zouden kunnen voeren zonder op elkaars heilige symbolen te trappen. En hij suggereerde dat we misschien van tijd tot tijd de bijbel en de torah en de koran opzij moesten leggen en ons in plaats daarvan zo nu en dan ‘concentreren op wat we even heilig vinden in een vlinder, een boom en in elkaar’.
    In dat antwoord ligt onze uitdaging. Om onze morele en geestelijke ontwikkeling meer in overeenstemming te brengen met ons wetenschappelijk en technologisch kunnen, moeten we wellicht meer doen dan waartoe de religieuze structuren die we hebben geërfd of overgenomen in staat zijn. We zouden ons moeten richten op dat waar het volgens henzelf om gaat, namelijk het verstrekken van een geestelijke basis aan alle dingen, met díe zin voor het heilige die we allemaal met elkaar gemeen hebben.
    Misschien kunnen we een nieuw, meer spiritueel bevredigend begrip over ‘vooruitgang’ uitdenken – ons afkeren van het geloof in de technologie van de eeuwwisseling – en kunnen we de kern van ons wezen herontdekken. Er zijn in onze cultuur overal tekenen die daarop wijzen. Albert Einstein wordt steeds vaker geciteerd in verband met zijn houding ten opzichte van de religie. Hij zei dat ‘het opwekken van het kosmische religieuze gevoel het hele doel van kunst en wetenschap is’. Wetenschapsmensen, in het algemeen gesproken althans, beginnen te erkennen dat een of andere vorm van intelligente zelfbeschouwing vanaf het begin in het universum aanwezig is geweest. Vele eeuwen daarvoor zei St. Augustinus het op sublieme manier zo:

de tere en sterfelijke dingen van de aarde hier beneden, de bloesems en de bladeren, zouden niet begiftigd kunnen zijn met een zo vlekkeloze schoonheid en zo voortreffelijk zijn gewrocht, als ze niet voortkwamen uit de Goddelijkheid die onophoudelijk alle dingen doordringt met haar zichtbare en onveranderlijke schoonheid.

Waar heeft deze zin voor het schone en voor het heilige mysterie zich verstopt in onze eeuw van vooruitgang? En, zoals Yehudi Menuhin onlangs vroeg: ‘Heeft dit losraken van haar wortels de mensheid niet in zekere zin tot een wees gemaakt?’ Is dat zo?
    Welke gewoontes onze cultuur ons er ook toe heeft gebracht te aanvaarden, we weten diep in onze genen dat er een grotere kracht en een groter mysterie zijn die de grondslag vormt van ons leven, en daar moet aandacht aan worden geschonken. We moeten het morele en geestelijke centrum dat de mens in de industriële maatschappij al veel te lang ontbroken heeft opnieuw bedenken of ontdekken. Er moet ergens een schroefje in onze hersenen zijn dat een kwartslag naar links of rechts gedraaid kan worden opdat we beseffen dat de ontdekkingen van de wetenschap niet alleen gereedschappen hoeven te zijn om nieuwe producten te maken, maar ook een middel om ons bewust te worden hoe kostbaar en prachtig en teer onze planeet is – en dan zullen we ernaar streven om met de natuur mee te werken, niet ertegenin.
    Thomas Berry is cultuurhistoricus en wijst erop dat de moderne mens in het tijdperk van wetenschap en technologie bijna de enige is die geen cultureel aanvaardbare mythe heeft om de schepping van het universum te verklaren. Hij schrijft:

Zelfs als de historici de wereldgeschiedenis onder woorden brengen, hebben ze het niet over de hele wereld, maar uitsluitend over de mens, alsof de mens iets is dat losstaat van of een toevoegsel is aan de geschiedenis van de aarde en het heelal. De wetenschap geeft een gedetailleerde beschrijving van de kosmos, maar concentreert zich uitsluitend op de stoffelijke aspecten ervan, en is voorbijgegaan aan de menselijke dimensies van het universum. Tegen deze achtergrond hebben we ons onderwijsstelsel opgedeeld in een wetenschappelijke en een humanistische kant, alsof die op een of andere manier los van elkaar staan.

    Het opsporen van onze mensgeschiedenis in de wetenschappelijke geschiedenis van het universum kan een belangrijke inspiratie betekenen voor onze geestelijke verbeeldingskracht. Als we iets weten over waar we vandaan komen en waar we heengaan kunnen we daardoor respect voor vroegere en komende generaties ontwikkelen. We leren ons kostbare milieu, dat ons leven mogelijk maakt, in stand te houden. We kunnen de mythe aan de kaak stellen dat we atomistische individuen zijn in een existentiële wereld, die op een amorele markt wedijveren om economisch voordeel.
    Ik leg de American Academy of Religion de uitdaging voor, ons mensen van het eind van de twintigste eeuw te helpen onze spiritualiteit weer te integreren met onze rationaliteit. Help ons onze geestelijke verbeeldingskracht opnieuw te ontdekken en te ontwikkelen – het soort verbeelding dat boven de toevalligheden van theologische en kerkelijke verschillen uitstijgt die ons onderling kunnen verdelen.
    Hoe meer wetenschapsmensen te weten komen over het natuurlijk milieu – van het universum en onze planeet tot onze genen – hoe meer ze opbotsen tegen het onuitsprekelijke religieuze mysterie en de schoonheid waar ik eerder over sprak. We moeten het gevoel daarvoor populariseren – luidkeels verkondigen in de media en in het onderwijs. We moeten aantonen dat het respecteren van de natuurlijke dynamiek van onze planeet meer is dan alleen goede wetenschap; het is een geestelijke verantwoordelijkheid en een genoegen. Wat we nodig hebben is een ecologische moraal en spiritualiteit om de kloof tussen de wetenschap en onze religies te overbruggen. Laten we deze nieuwe pelgrimstocht zo spoedig mogelijk aanvangen. Er is geen tijd te verliezen.

 

(Uit het tijdschrift Sunrise juli/augustus 1996)

© 1996 Theosophical University Press Agency