Meer dan honderd jaar zijn verstreken sinds de dood van H.P. Blavatsky
en het katalytische effect van haar komst in de westerse cultuur neemt
nog steeds toe. De invloed van haar eerste boek, Isis ontsluierd
(1877), kan enigszins worden ingeschat door periodieken en dagbladen
uit die tijd te raadplegen. Dit boek bracht een meer wetenschappelijke,
objectievere benadering van het vergelijkende godsdienstonderzoek op
gang. Eerdere pogingen om niet-christelijke teksten te vertalen waren
beïnvloed door de vooringenomenheid van de geestelijken die ze
vervaardigden.
Het meesterwerk van HPB, De geheime leer (1888), spreekt over
een stroom van oude wijsheid die haar oorsprong vindt in een grijze
oudheid en tot in onze tijd blijft voortbestaan. Het bevat ideeën
in zaadvorm die in de twintigste eeuw ontkiemd zijn en in de eenentwintigste
eeuw volledig zullen uitgroeien als we die denkbeelden beter gaan begrijpen.
Het belangrijkste idee is de eenheid van het leven, een energie-bewustzijn
dat de hele kosmos doordringt en de kern is van alle manifestaties om
ons heen. Alle mensen delen daarom een gemeenschappelijk mens-zijn,
een innerlijke kwaliteit die geen onderscheid toelaat zoals dat in het
verleden te berde is gebracht onder de etiketten ras, kleur, godsdienst
of geslacht.
Het verbreiden van de realiteit van universele broederschap was in
1875 het wezenlijke oogmerk achter de vorming van The Theosophical Society
in New York, want de mensheid stond op de rand van de ondergang en alleen
de erkenning en het in praktijk brengen van universele broederschap
kon haar redden. De werken van Blavatsky leveren bewijzen voor de gemeenschappelijke
geestelijke oorsprong van alle levensvormen. Het was een opzienbarend
denkbeeld om in de westerse cultuur van die tijd te introduceren, maar
tegenwoordig vinden we in praktisch alle landen groepen mensen die broederschap
bepleiten. De vergelijkende studie van oude en moderne religies, wetenschappen
en filosofieën en de bestudering van de onvervreembare natuur en
samenstelling van de mens vormen twee andere hoofddoeleinden van de
Theosophical Society.
In 1878 verliet HPB New York om naar India te gaan, samen met kolonel
Henry S. Olcott, medeoprichter en president van de Society. Ze reisden
veel door India en Ceylon (Sri Lanka) en zij beschreef haar ervaringen
in levendige verslagen voor Russische bladen1.
De theosofische nadruk op allesomvattende broederschap en de
inspanning van HPB om bij oosterse volken kennis van en liefde voor
hun eigen geestelijk erfgoed te stimuleren, bood een tegenwicht tegen
een tendens om dit erfgoed in te ruilen voor de pragmatische, blinkende
technologie van het Westen. Aubrey Menon, een moderne Indiase schrijver
die geen theosoof is, zegt: ‘Mevrouw Blavatsky heeft de verdienste
het westerse denken in alle opzichten toegankelijk te hebben gemaakt
voor het Indiase denken, waarvan het vóór haar vrijwel
onwetend was.’ (The Mystics, 1974, blz. 154)
Twee prominente Engelsen in India raakten met HPB bevriend: A.O. Hume,
een hoge regeringsambtenaar die zich er later op toelegde de Indiase
bevolking op politiek gebied te helpen, vooral door het stichten van
de Indiase Congress Party; en A.P. Sinnett, redacteur van The Pioneer,
een invloedrijk Engelstalig nieuwsblad. Sinnett vulde zijn journalistieke
werkzaamheden aan door een aantal serieuze boeken en twee romans te
schrijven die theosofische onderwerpen behandelen. Zijn belangrijkste
werken zijn The Occult World [de occulte wereld] en Esoteric
Buddhism [esoterisch boeddhisme], waarin een keuze uit zijn correspondentie
met twee leraren van HPB en met HPB zelf is opgenomen2.
Het theosofische werk in Ceylon, in het bijzonder door Olcott, stimuleerde
bij de bevolking een hernieuwde belangstelling voor het boeddhisme.
In 1884 vroeg Angarika H. Dharmapala, die toen pas zestien jaar was,
aan HPB raad over zijn toekomstige loopbaan. Ze stelde voor dat hij
Pali ging studeren opdat hij de in die taal geschreven boeddhistische
teksten bij zijn volk meer algemene bekendheid kon geven. Hij deed dit
enthousiast en leverde op dat terrein een grote bijdrage. In 1893 sprak
hij als theosoof en vertegenwoordiger van het boeddhisme in Azië
het Wereldparlement van Religies in Chicago toe – het eerste in
zijn soort.
Toen HPB in later jaren in Londen woonde, werd Mohandas K. Gandhi aan
haar voorgesteld in 1890, toen hij in die stad rechten studeerde. In
zijn Autobiography herinnert hij zich haar Sleutel tot
de theosofie te hebben gelezen. ‘Dit boek heeft de wens bij
me gewekt om boeken over hindoeïsme te lezen en heeft me verlost
van de door de zendelingen gekoesterde opvatting dat het hindoeïsme
vol van bijgeloof was’ (hfdst. XX). Twee theosofen lieten hem
kennismaken met de Bhagavad-Gita, die hem zijn hele verdere
leven als leidraad heeft gediend.
Dankzij de inspanningen van HPB werd het rijke geestelijke erfgoed
van India in circulatie gebracht om door het publiek kritisch onderzocht
te worden. Ze moedigde William Q. Judge, medeoprichter van de TS en
hoofd van de Amerikaanse afdeling, aan om vertaalde oosterse geschriften
te publiceren. Hieruit ontstonden zijn Oriental Department Papers,
waaraan Charles Johnston en anderen meewerkten. Judge stelde een uitgave
samen van de Bhagavad-Gita en schreef er toelichtingen op.
Vertalingen van andere oude manuscripten kregen meer algemene bekendheid.
Niet alleen in India, Ceylon en Japan, waar ze het exclusieve domein
van de geleerden en geestelijken waren geweest, maar ook door heel Europa
en Amerika. Haar tijdschrift The Theosophist (begonnen in 1879)
sloeg een grondtoon aan die verder klonk dan het tekstuele en academische
commentaar. Bovendien werd de studie van het Sanskriet aangemoedigd
als een weg om metafysische ideeën in omloop te brengen in de moderne
westerse talen die anders verstoken zouden blijven van de geschikte
terminologie. Kennis van het Sanskriet was voorheen het terrein van
weinigen. Vele al jaren bij specialisten bekende woorden als karma,
avatar, akasa en astraal licht, gingen deel uitmaken van de algemene
literatuur.
W.Y. Evans-Wentz bewoog zich eveneens op het gebied van de vergelijkende
godsdienstwetenschappen en dankt zijn bekendheid aan ver-talingen van
Tibetaanse werken die hij bij het westerse publiek introduceerde. Hij
had de geschriften van HPB vanaf zijn jeugd bestudeerd, nog voordat
hij lid werd van de Theosophical Society. Hij verklaarde in The
Tibetan Book of the Dead 3:
Wijlen lama Kazi Dawa-Samdup was van mening, dat
ondanks de ongunstige kritiek die tegen de werken van H.P. Blavatsky
was gericht, zij voldoende bewijs bevatten van de diepgaande kennis
van de schrijfster van de hogere lamaïstische leringen
waarin ze, naar ze zegt, is ingewijd. – blz.
7, voetnoot
De lama was een ingewijd lid van de Kargyupta-sekte en tot zijn dood
docent Tibetaans aan de universiteit van Calcutta. Voordien was hij
officieel vertaler voor de Tibetaanse gezant in India en ook lid van
het ‘zorgvuldig gekozen gevolg’ van de dertiende Dalai Lama
bij diens bezoek aan India.
Er bestonden eerdere vertalingen van Tibetaanse werken, vooral uit
de negentiende eeuw, maar de meeste waren gemaakt door zendelingen die,
hoe goed ze hun werk ook probeerden te doen, sleutelbegrippen interpreteerden
zoals ze die zagen door de gekleurde bril van hun eigen theologische
achtergrond, en ze behandelden de teksten van welke gezindte dan ook
als mensen die van buiten naar binnen kijken. Helaas is de puur academische
benadering van tegenwoordig niet veel beter, omdat daarin wordt aangedrongen
op objectiviteit en begrippen met behulp van woordenboeken, grammatica’s
en idioomboeken worden vertaald. Metafysica vergt echter diep nadenken,
verlicht door de intuïtie van het mystieke ‘hart’,
en niet alleen maar het mechanische redeneervermogen van het hersenverstand.
Om door te dringen tot de betekenis van religieus erfgoed dat van het
onze afwijkt, moet er betrokkenheid zijn.
Volgens deze gedragslijn werd in 1927 een speciale uitgave van De
stem van de stilte van HPB uitgegeven op verzoek van de Panchen
Lama van Tibet. Hierin is zijn persoonlijke opdracht opgenomen die de
voornaamste uitspraak erin over het ‘bodhisattva-ideaal’
bekrachtigt: eigen vooruitgang opofferen ter wille van de anderen die
moeizaam achteraan komen. De stem van de stilte is haar vertaling
van oude mystieke strofen die aan discipelen en studenten werden gegeven
en waarin ze gebruik maakte van metafoor, paradox en poëzie. Het
is een gids voor mannen en vrouwen die verbijsterd zijn door de ongelijkheden
in het menselijk bestaan. De Stem wordt geciteerd in Mysticism,
A Study and an Anthology, door F.C. Happold (blz. 82-3) en eerder
in het klassiek geworden boek van William James, De varianten van
religieuze ervaring4 (blz. 179). De
universele boodschap erin werd geprezen door Bhikshu Sangharakshita
in voordrachten die in 1954 werden gehouden onder auspiciën van
het Indiase Instituut voor Wereldcultuur5.
Kijkend naar andere niet-Europese culturen, zien we dat William E.
Gates, een pionier in het onderzoek naar de Maya’s, lid werd van
de Society van HPB tijdens haar leven, en hij was een eminent bestudeerder
van haar werken; dat was ook professor Osvald Sirén, de grote
Zweedse sinoloog, die Chinese kunst en handschriften vertolkte met inzichten
die hij uit het bestuderen van haar leringen had verkregen. Beide geleerden
waren zich bewust van de verborgen geestelijke onderstromen van alle
werkelijk creatieve inspanningen.
Ondanks haar duidelijke betrokkenheid bij de niet-Westerse gedachtenwereld
hebben sommige critici haar werk slechts beschouwd als
een soort moderne samenvatting van het occultisme
die gebruik maakte van de gegevens die sinds de renaissance in alle
werken van deze aard werden aangetroffen. Een soort Indiaas vernisje
werd over de constructie gelegd, maar wat betreft materiaal en opbouw
is het Europees. De door Mevrouw Blavatsky opnieuw weergegeven ideeën
behoren echter toe aan Fludd, d’Espagnet, Court de Gebelin,
Bailly, Fabre d’Olivet en Eliphas Lévi. De verder terug
gelegen oorsprong ligt in het occultisme van de renaissance.6
Al gaan opmerkingen over een ‘Indiaas vernisje’ voorbij
aan de essentie van een universele wijsheidstraditie van de
mensheid, HPB heeft beslist ook de westerse occulte traditie in haar
werken onder de aandacht gebracht. De laatste jaren is bijvoorbeeld
in onderzoeken betreffende Eliphas Lévi, de Franse kabbalist,
melding gemaakt van haar invloed.
In Isis ontsluierd merkt HPB op dat de westerse godsdienst
en wetenschap, beide even materialistisch, gewikkeld waren in een doodstrijd.
Haar invloed op het wetenschappelijke denken is even groot geweest als
op religie. Sinds haar dagen zijn er grote veranderingen in zienswijze
opgetreden en blijkt er meer erkenning voor het bestaan van een ondefinieerbare
bron van kosmische scheppingsprocessen, die zich niet in een laboratorium
laten analyseren. Wetenschappers lijken in twee categorieën te
kunnen worden ingedeeld, verbinders en verdelers [unifiers
en diversifiers]7: aan de ene kant
de wiskundige theoretici die het universum beschouwen als een eenheid,
opgebouwd als een netwerk van in elkaar grijpende onderdelen; en aan
de andere kant de experimentatoren die beweren dat alles wat we om ons
heen waarnemen uit allerlei soorten niet met elkaar samenhangende, in
laatste analyse gescheiden entiteiten bestaat. Een voorbeeld van dit
laatste gezichtspunt komt van Ernest Rutherford, de vader van de kernfysica,
die antwoordde op de suggestie van Eddington dat elektronen eigenlijk
meer ideeën zijn dan dat ze een echt stoffelijk bestaan hebben:
‘niet bestaan, niet bestaan? – verdraaid, ik kan die schooiertjes
daar voor me even duidelijk zien als die lepel’ (blz. 43).
Een studie van De geheime leer kan de gedachte oproepen dat
theoretische en experimentele wetenschappers te eniger tijd hun inzichten
en benaderingswijzen met elkaar in overeenstemming zullen brengen. Als
dat gebeurt, zal de waarheid van de drie grondstellingen die in het
eerste deel van De geheime leer uiteen worden gezet, duidelijk
worden. De eerste grondstelling is dat het reusachtige universum in
alle richtingen oneindig is, grenzeloos in ruimte, tijd en kwaliteit
of graad van stoffelijke manifestaties. Dit houdt in dat het idee meer
omvat dan de menselijke geest in zijn eindige beperking kan formuleren,
hoewel de ‘noodzakelijkheid’ ervan kan worden erkend. De
tweede stelling is dat het heelal dat we waarnemen het gebied van voortdurende
periodiciteit en cyclische beweging van de zich openbarende levensenergieën
is, met sterren en hun werelden die verschijnen, verdwijnen en in de
volheid der tijden opnieuw verschijnen. De derde stelling is dat ons
heelal met al zijn samenstellende delen een enorm groot organisme vormt
binnen de oneindigheid van de ruimte – één van een
onbeperkt aantal heelallen in deze oneindigheid. Al die samenstellende
delen verrichten hun taak in klassen van onderling verbonden families.
Het waren deze drie formuleringen en ook de geweldige hoeveelheid wetenschappelijk
bewijsmateriaal en informatie, zo overvloedig in De geheime leer
aanwezig, die natuurwetenschappers uit de negentiende eeuw fascineerden
– zoals de scheikundige Sir William Crookes, de sterrenkundige
Camille Flammarion, de antropoloog Carter Blake, en Alfred Russel Wallace
die de evolutieleer ontwikkelde (in onze tijd krijgt hij erkenning door
boeken die verschijnen over zijn werk in Indonesië en elders en
wegens zijn opvatting dat de drijvende kracht in de evolutie wellicht
van ‘geestelijke’ aard is).
Hedendaagse wetenschappers als Paul Davies zinspelen op een soort ‘superruimte’
waarin andere heelallen ‘parallel’ aan het onze kunnen bestaan.
Dit lijkt opmerkelijk veel op het idee van ruimte en de volheid
ervan zoals dat in De geheime leer wordt voorgesteld en waarvan
ons kleine spectrum van verstoffelijkte energieën er slechts één
is uit een onbeperkt aantal. Omdat er nergens ‘dode stof’
is, verwezen de oude filosofen in deze zin naar de ruimte als de immer
vruchtbare moeder van alle wezens. Zelfs de uitgebreidere dimensies
van stoffelijke vormen, nu voorgesteld door onderzoekers die betrokken
zijn bij de superstringtheorie – en die alleen schijnt te functioneren
in 2, 10 of 26 dimensies in plaats van de ons bekende drie – heeft
misschien een vooraankondiging gehad in De geheime leer: ‘zes
vertegenwoordigt de zes afmetingen van alle lichamen’ (II:673).
Andere onderzoekers van naam hebben het idee verdedigd dat hun collega’s
hun experimenten inderdaad beïnvloeden vanaf het moment
dat ze die opstellen: bijvoorbeeld, de benaderingswijze voor het bestuderen
van licht bepaalt of het zich voordoet in de gedaante van deeltjes (fotonen)
of van golven energie.
In ons volgend artikel zullen we de invloed van H.P. Blavatsky op literatuur
en kunst verkennen.
Verwijzingen
- Een selectie daarvan werd in het Engels vertaald
en uitgegeven als From the Caves and Jungles of Hindostan
(1892); later opnieuw uitgegeven in een herziene en uitgebreide editie,
verzorgd door Boris de Zirkoff (1975).
- De oorspronkelijke brieven, die nu in de British
Library worden bewaard, zijn in boekvorm uitgegeven door A. Trevor
Barker als De mahatma brieven aan A.P. Sinnett en The
Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett.
- De inleiding is niet opgenomen in de Nederlandse
vertalingen van Het Tibetaans(e) dodenboek. – Red.
- Uitgeverij Servire.
- In de inleiding tot de gedrukte tekst verklaart de
bhikshu, dat hij de twee delen van Isis ontsluierd las toen
hij veertien jaar oud was en voegt eraan toe dat ‘hoewel ik
nooit theosoof ben geworden, ik uiterst symphatiek sta tegenover bepaalde
aspecten van de theosofische beweging’.
- Denis Saurat, Literature and the Occult Tradition:
Studies in Philosophical Poetry, 1930, blz. 67.
- Deze opmerking is van Freeman J. Dyson, hoogleraar
natuurwetenschappen aan het Institute of Advanced Study in Princeton,
in Infinite in All Directions, Harper & Row, New York,
1988.
De invloed van H.P. Blavatsky
op de cultuur – Literatuur en kunst
I.M. Oderberg
Als we ons wenden tot het terrein van de kunst zien we dat in de laatste
decennia van de negentiende eeuw ‘de uiterlijke vormgeving’
de aandacht van de westerse kunstenaars in beslag nam, en al was er
misschien veel talent, ‘er bestond het gevaar uit te komen bij
een kunst van een zuivere, maar geheel lege vorm’, zoals een scherpzinnige
criticus opmerkte.1 De theosofische filosofie
moedigde richtingen aan die tegen deze tendens ingingen. Eén
opmerkelijk voorbeeld is de renaissance van het Ierse culturele erfgoed,
toegeschreven aan onder anderen de theosofen William Butler Yeats, George
W. Russell (Æ) en Charles Johnston in Dublin. Ze waren op weg
volwassen te worden toen ze de studie van De geheime leer ter
hand namen en Yeats en Johnston overstaken naar Londen waar ze een ontmoeting
met HPB hadden. Uit die ontmoeting is de theosofische loge in Dublin
voortgekomen.
Charles Johnston was achttien jaar en een veelbelovend talent toen
hij op een avond een discussie thuis bij professor Ernest Dowden in
Dublin bijwoonde, waar Sinnetts boek Esoteric Buddhism werd
besproken. Johnston en de twintigjarige William Butler Yeats waren gefascineerd
door het boek. Toen Johnston wat later naar Londen ging voor het toelatingsexamen
voor de Indiase Civiele Dienst vroeg hij een onderhoud aan met HPB.
De relatie die daaruit ontstond was intens en blijvend en beïnvloedde
zijn hele verdere leven.
De loge van de Theosophical Society die hij in april 1886 in Dublin
hielp oprichten trok Russell, Yeats, Fred.J. Dick, de Normans en enkele
leidende figuren uit de wereld van kunst en wetenschap aan die later
een grote rol zouden spelen bij de heropleving van de sluimerende Ierse
cultuur. Johnston zelf voelde zich meer aangetrokken tot de klassieke
literatuur van India, en na zijn diensttijd in dat land, werd hij een
bekend vertaler en commentator van werken uit het Sanskriet.
De grote Ierse dichter William Butler Yeats werd in de tachtiger jaren
van de 19e eeuw tot het theosofische streven aangetrokken omdat hij
aanvoelde dat de leringen aangaven hoe de ‘vormen’, zelfs
geometrische, zinvol en van diepe betekenis konden zijn. Hij en anderen
gebruikten de sleutel van de universaliteit om de deur naar oude mythen
te openen. Ze schreven over het verzinken van de geest in de stof, de
spiraalsgewijze cyclussen van de zich ontvouwende vermogens en vooral
over de persoonlijkheid als een tijdelijk masker dat wordt gedragen
door het blijvende element in de mens – de eigen individualiteit
die door de eeuwen heen blijft bestaan. Hoewel Yeats zich naderhand
uit de actieve deelname aan het theosofische werk terugtrok, bleef de
invloed ervan zijn leven lang aanwezig, zoals blijkt uit zijn gedichten
en toneelstukken, en uit zijn belangstelling voor metafysische onderwerpen.
Drie van de meest sympathieke beschouwingen – The Whole Mystery
of Art van Giorgio Melchiori en twee boeken van F.A.C. Wilson,
W.B. Yeats and Tradition en Yeats’ Iconography2
– leveren alle drie een zorgvuldig onderzoek naar Yeats’
gebruik van de sleutelbegrippen die HPB onder woorden heeft gebracht.
In maart 1965 werd in The King’s Library van het British Museum
te Londen een tentoonstelling van boeken van en over Yeats ingericht
ter ere van zijn honderdste geboortedag. In de catalogus van de geëxposeerde
collectie was uit zijn Autobiographies Yeats’ blijk van
waardering aan HPB opgenomen als ‘een grote, gepassioneerde figuur,
een soort vrouwelijke dr. Johnson’.3
Nog een eminente Ierse dichter en essayist die sterk is beïnvloed
door de ideeën van Blavatsky was Russell (Æ). Hij was meer
mystiek ingesteld dan Yeats en schreef een gedicht over de kind-god
die hij ‘zag’ achter de ogen van de Ierse boeren van wie
hij de belangen trachtte te behartigen in de plattelandsdistricten.
Een maand voor hij in 1935 overleed, schreef Æ aan Séan
O’Faoláin dat hij, als hij tijd had, de prachtige Proloog
van De geheime leer moest lezen; hij zou dan de bron begrijpen
van de invloed van die schrijfster op zulke van haar tijdgenoten als
Crookes, Flammarion en anderen. Hij zou dan inzien dat ze helemaal niet
was zoals de vertegenwoordigers van de gevestigde belangen en haar vijanden
haar voorstelden:
Je doet H.P. Blavatsky een beetje al te gemakkelijk
af als ‘hocus-pocus’. Niemand heeft ooit door ‘hocus-pocus’
het denken van zoveel bekwame mannen en vrouwen beïnvloed. De
werkelijke bron van haar invloed is te vinden in De geheime leer,
een boek over de religies van de wereld dat een fundamentele eenheid
suggereert of onthult die ten grondslag ligt aan alle grote religies.
Het is een boek waarvan Maeterlinck zei dat het de meest grandioze
kosmogonie ter wereld bevat, en zelfs al lees je het alleen maar als
een romantische compilatie, is het toch een van de meest opwindende
en stimulerende boeken die in de laatste honderd jaar zijn geschreven.
Wie ervan uitgaat dat ze werden aangetrokken door ‘hocus-pocus’,
slaat mensen als Yeats, Maeterlinck en anderen niet erg hoog aan,
of figuren als Sir William Crookes, de grootste scheikundige van zijn
tijd die lid was van haar Society, Carter Blake, de antropoloog en
lid van de Royal Society, en wetenschapsmensen in vele landen die
de boeken van H.P. Blavatsky hebben gelezen. Als je ooit in de National
Library in Kildare Street komt en een paar uur over hebt, zou je in
de ‘Proloog’ van De geheime leer kunnen duiken
en zal je het geheim begrijpen van de invloed die deze uitzonderlijke
vrouw had op haar tijdgenoten.4
Ernest A. Boyd heeft in zijn gezaghebbende studie Ireland’s
Literary Renaissance (1916) een heel hoofdstuk gewijd aan de groep
die hij ‘De mystici van Dublin – De theosofische beweging’
noemde. Temidden van andere namen verwees hij naar John Eglinton als
‘het geschenk van theosofen aan de literaire renaissance van Ierlands
enige grote essayist’. Boyd prees Eglinton’s Pebbles
from a Brook als een van de weinige boeken die Ierland tot dan
toe had voortgebracht ‘die de uitdaging aankonden te worden vergeleken
met het beste proza van enig Engelstalig land. Het stijgt uit boven
de relatieve standaard waarnaar we het leeuwendeel van de Engels-Ierse
literatuur moeten beoordelen’ (blz. 252).
Hij wees er bovendien op dat terwijl de Russische literatuur in Engeland
nog maar net bekendheid begon te krijgen, de theosofen in Dublin deze
in Ierland al in omloop hadden gebracht, toen zij bijvoorbeeld de werken
propageerden van ondermeer R. Ivanovich Lippmann, vertaler van de boeken
van de dichter en romanschrijver Michail Joerjevitsj Lermontov (1814-1841).
Misschien is James Joyce, die zichzelf naar Parijs ‘verbande’,
de Ierse auteur die na 1920 de sterkste invloed op de trend van de literatuur
heeft gehad. Zijn Ulysses, over een dag uit het leven van een
eigentijdse inwoner van Dublin, en Finnegan’s Wake, ook
een studie over het dagelijkse leven in een deel van Ierland, zijn beide
erg cryptisch. Stuart Gilbert bezocht Joyce om de innerlijke betekenis
ervan te bespreken. Joyce vroeg aan Gilbert of hij Isis Ontsluierd
van Blavatsky had gelezen, of de boeken van A.P. Sinnett die zijn voortgekomen
uit zijn contacten met HPB en twee van haar leraren. Gilbert was van
oordeel dat Joyce stellig informatie had geput uit Isis Ontsluierd
en Esoteric Buddhism en verklaarde dat ‘het onmogelijk
is de betekenis, de symboliek en de betekenis van de leitmotieven
van Ulysses te begrijpen zonder begrip van de esoterische theorieën
die aan het werk ten grondslag liggen’. Wat waren die ideeën?
Metempsychose of transmigratie van de ziel (niet van het lichaam), karma,
perioden van universele manifestatie en rust, ‘hermetische correspondenties’
of de ‘wet van analogieën’, en andere.
Veel vooraanstaande figuren op literair gebied werden beïnvloed
door het werk van Blavatsky en haar medewerkers. Bijvoorbeeld Sir Edwin
Arnold, beroemd om zijn gedichte levensbeschrijving van de Boeddha,
Het licht van Azië, die een paar bladzijden van zijn manuscript
van dat werk aan Olcott gaf nadat hij een bijeenkomst had bijgewoond
waar Blavatsky sprak. Het is interessant dat Claude Bragdon in zijn
Epistles from an Unwritten History vertelt dat Rudyard Kipling
zijn schrijversloopbaan begon toen hij, in het laatste jaar dat Sinnett
daar de hoofdredacteur was, als jongeman ging werken bij de Indiase
krant de Pioneer. Bragdon geloofde dat Kiplings eerste korte
verhaal ‘The Finest Story in the World’ met reïncarnatie
als thema, door deze connectie kan zijn beïnvloed. Het verhaal
werd gepubliceerd in de Pioneer en in 1889 met ander verzameld
materiaal van Kipling herdrukt. Kiplings ‘The Sending of Dana
Da’ is beschreven als het naar voren brengen van ‘de Indiase
houding ten opzichte van de theosofie’.5
Van HPB’s hand verschenen in Rusland gedurende al de jaren van
haar openbare leven talrijke artikelen en verhalen waarvan men vond
dat ze op één lijn stonden met het werk van auteurs als
Toergenjev en Dostojevski – van wie ze uittreksels van zijn novelle
‘De Groot-inquisiteur’ uit De gebroeders Karamazov
vertaalde en in The Theosophist van november 1881 publiceerde.
Begin twintigste eeuw ontdekte de voortreffelijke Russische pianist
en componist Alexander Skrjabin HPB’s werken toen hij in Parijs
was. Hij schreef zijn vrienden om De sleutel tot de theosofie
aan te bevelen die hij in een Franse vertaling had gelezen. Op 5 mei
1905 schreef hij uit Parijs: ‘La Clef de la Théosophie
is een opmerkelijk boek. Je zult er verbaasd over zijn hoe dicht het
bij mijn eigen denkwijze staat.’6
Verscheidene vrienden herinnerden zich dat ‘de gesprekken van
Skrjabin doorspekt waren van theosofie en de persoon Blavatsky’.
In een brief die hij op 24 maart 1914 in Londen schreef, zei hij dat
hij uitkeek ‘naar een diner met een paar theosofen’, vooral
met G.R.S. Mead, die de laatste privésecretaris van HPB was.
Hij werd een enthousiast bestudeerder van De geheime leer en
was begonnen de eerste ‘Stanza’s van Dzyan’ op muziek
te zetten toen hij in 1915 plotseling overleed. In 1922 werden pogingen
gedaan om de na zijn dood verspreid geraakte persoonlijke bezittingen
weer bijeen te brengen en dat gebeurde tenslotte in het appartement
waar hij het laatst woonde. Eén daarvan is zijn eigen exemplaar
van De geheime leer in Franse vertaling. Een paar jaar stond
het Skrjabinmuseum open voor studenten in de muziek en andere disciplines.
Volgens Faubion Bowers had deze woning geweldig veel invloed op aankomende
componisten en was ze ‘een verzamelplaats voor jonge mensen’.
Onder de velen die door de interesses en persoonlijkheid van Skrjabin
geënthousiasmeerd waren bevond zich de dichter Boris Pasternak,
vertaler van Shakespeare’s sonnetten en toneelstukken van Milton,
Shelley en Keats. Toen Pasternak dertien jaar was werd Skrjabin ’s
zomers een buurman van zijn ouders: vader Leonid, een voortreffelijk
schilder en Rose (geboren Kaufman), een wonderkind dat zich tot een
beroemde concertpianiste had ontwikkeld. Het contact met Skrjabin was
hecht en ononderbroken en Boris wilde zelf graag componist worden. Pas
toen hij Rusland verliet om aan de universiteit van Marburg in Duitsland
te gaan studeren en onder de sterke invloed kwam van de filosofen Frederick
Albert Lange en Hermann Cohen veranderde zijn visie. Lange had faam
verworven met zijn History of Materialism en toen Boris naar
huis terugkeerde was hij de invloed van Skrjabin te boven gekomen. Maar
Pasternak was in zijn jeugd zo in vervoering gebracht door de composities,
het pianospel en de persoonlijkheid van Skrjabin dat de indruk niet
zo volkomen verdween als hij had gedacht.
Edward Crankshaw voert aan dat het karakter van oom Kolya in de roman
Dokter Zjivago veel te danken heeft aan de invloed van Skrjabin.
De enige karakters met een complexe diepgang in Dokter Zjivago zijn
de hoofdpersoon zelf, een dichter wiens humanitaire trekken en warmte
duidelijk worden in zijn functioneren als huisarts, Lara, niet het symbool
van een romance maar van zijn dichterlijke genie, en zijn oom Kolya,
de goedhartige verteller van het verhaal. Die drie zijn de enige echte
mensen in de roman – en naar mijn gevoel ontstaan uit de invloed
op Pasternak van de theosofie, die hij als jongen jaren eerder had ontleend
aan zijn empathie met Skrjabin. Hoewel sommige recensenten Zjivago’s
gedichten van Pasternak in verband brengen met de poëzie uit de
T’ang periode in China, lijkt het waarschijnlijker dat het flitsen
zijn uit de tijd dat hij Prometheus en Poème de
l’extase van Skrjabin hoorde.
Nikolas Roerich, een Russische kunstenaar en bestudeerder van het oosterse
denken, was een vriend van Skrjabin. Samen met zijn vrouw Helena introduceerde
hij de werken van Blavatsky in hun grote kring van studenten in Rusland
en, na 1917, in New York. Hij poogde het idee van menselijke broederschap
te stimuleren via het medium van de kunst. Vrienden hielpen hem in New
York City een instituut op te richten – Vrede door Cultuur –
om representatieve bijdragen uit alle landen tentoon te stellen met
de bedoeling te laten zien dat echte kunst niet aan grenzen is gebonden.
In 1925 schilderde hij ‘De Boodschapper’, met daarin de
figuur van HPB aan wie hij het schilderij opdroeg. Helena Roerich vertaalde
De geheime leer in het Russisch en in haar uit twee delen bestaande
collectie brieven zijn citaten en verwijzingen naar dat werk en naar
de gepubliceerde brieven van twee leraren van HPB aan Sinnett en Hume
overvloedig aanwezig.
Skrjabin liet Wassily Kandinsky, een van de voornaamste grondleggers
van de moderne kunst, kennismaken met De geheime leer. In zijn
boeiende boek Spiritualiteit en abstractie in de kunst schreef
Kandinsky dat HPB ‘de eerste was die verbinding zag’ tussen
de Indiase en onze eigen beschaving en dat uit haar inspanning ‘een
der belangrijkste geestelijke bewegingen . . . van innerlijke kennis
ontstond . . . een krachtig agens in de totale atmosfeer dat bevrijding
beloofde aan innerlijk neerslachtige en droefgeestige harten’.
Uitziende naar de emancipatie uit het materialisme besloot hij zijn
Voorwoord met deze woorden: ‘Ieder die zich onderdompelt in de
verborgen schatten van zijn kunst is een benijdenswaardige medewerker
aan de geestelijke piramide die tot de hemel zal reiken.’ De Nederlandse
schilder Piet Mondriaan die eveneens sterk invloed op de beweging van
de moderne kunst heeft uitgeoefend, ging zich ook interesseren voor
de theosofische inbreng en werd evenals Kandinsky lid van de Theosophical
Society. Will Grohmann heeft in Wassily Kandinsky, Leben und Werk
(1958) de relatie tussen Wassily Kandinsky, Piet Mondriaan en indirect
Paul Klee duidelijk naar voren gebracht.
Een Canadese kunstenaar die een theosofische visie in zijn scheppingen
bracht, Lawren S. Harris, heeft buiten zijn eigen land niet de erkenning
gekregen die hem toekomt. In de woorden van de kunstrecensent F.B. Housser:
Harris is een moderne mysticus die heeft geprobeerd
via het schilderen gemoedstoestanden weer te geven die door mystieke
belevenis waren bereikt, zoals William Blake deed. De aard van deze
belevenis zal wel een gevolg zijn van zijn menslievende instelling
die hem ertoe bracht naar buiten te gaan en op een nieuwe manier mee
te voelen en te lijden met de mensheid, zoals wordt getoond in zijn
Halifaxdoeken. Mystieke ervaringen ontstaan vanuit deze grondslag,
en in een flits van dat verkeerd begrepen woord ‘verlichting’
komt vrede via een inzicht dat duidelijk maakt dat ‘ieder moment
van het leven vol eeuwigheid is’ en dat de lelijkheid van de
Tijd een weg is naar een bewustwording van tijdloze schoonheid. De
lelijkheden van ‘Above Lake Superior’ zijn mooi en de
verlaten soberheid ervan, vrede.
Jeremy Adamson, conservator van de afdeling Canadese historische kunst
van de Art Gallery van Ontario, heeft gezegd dat Harris enkele van de
boeiendste doeken heeft geschilderd die ooit in Canada zijn vervaardigd.
Hij is het meest bekend als medeoprichter en later leider van de beroemde
Canadese ‘Groep van Zeven’, kunstenaars bezield door dezelfde
idealen en visie. Hij had hen bij elkaar gebracht om een ‘nationale
kunst, gebaseerd op de bezielende geest van de noordelijke wildernis
. . .’ tot stand te brengen.7 Na 1922
richtte Harris zich op onderwerpen die meer rechtstreeks in verband
stonden met zijn theosofisch inzicht. Hij was in 1909 met theosofie
in contact gekomen toen zijn goede vriend Roy Mitchell lid werd van
de Theos- ophical Society in Toronto. In 1922 hielp hij de TS in Toronto
bij haar werk en het jaar daarop werd hij lid. In 1926 publiceerde hij
in The Canadian Theosophist een artikel ‘Revelation of
Art’ [openbaring van de kunst]. Zijn gedichtenbundel Contrasts,
A Book of Verse (1922), bevat vier regels die zijn theosofisch
gezichtspunt samenvatten:
In mensen is een zon,
een centrum van licht, van hoop,
een roos van gelukzaligheid.
In deze tijd krijgen sommige beoordelingen van HPB’s invloed
een positieve inhoud. Eén daarvan is Literature and Occult
Tradition door Denis Saurat, voorheen hoogleraar Franse letterkunde
aan de universiteit van Londen, King’s College. Hij wijdt een
hoofdstuk aan een onderzoek naar de betekenis van De geheime leer
voor de literatuur, welk boek hij beschouwt als een unieke schatkamer
van occulte ideeën:
We hebben in mevrouw Blavatsky een waardevolle getuige:
ze geeft ons in de grote informatiebron voor occultisten, in een authentieke
ruwe staat het enige materiaal dat geschikt was om door de dichters
te worden bewerkt. – blz. 69
Hij ontwierp een schema met een lijst van een aantal van de voornaamste
begrippen omtrent de mens en de kosmos die hij in HPB’s grote
werk had gevonden en, haar behandeling als standaard gebruikend, trok
hij die ook in andere werken na, maar vooral in de folklore en mythen
die alle volken toebehoren.
Tom Gibbons, hoofddocent Engels aan de universiteit van West-Australië,
schreef in zijn Rooms in the Darwin Hotel (1974) – een
onderzoek naar de ideeën die van 1880 tot 1920 in Engelse literatuur
in omloop waren – dat Blavatsky en andere theosofische schrijvers
intelligente lezers aantrokken omdat ze ‘de menselijke situatie
presenteerden als complex, zinvol en stimulerend . . . en de betekenis
van geestelijke waarden en vrije wil benadrukken’. Hij werd geboeid
door de theosofische aanspraak, religieus geloof in overeenstemming
te brengen met door wetenschappers gedane ontdekkingen en ook de deur
te openen naar voor iedereen toegankelijk onderzoek van niet-christelijke
religies.
Gibbons wijst niet alleen op HPB’s belangrijkste boeken, maar
ook op de krachtige invloed van haar tijdschrift Lucifer (de
‘Lichtbrenger’). Dit tijdschrift publiceerde veel belangrijke
artikelen, waarvan sommige kritisch staan tegenover de mores van die
tijd. Onder de verhandelingen bevinden zich ‘Het esoterische karakter
van de evangeliën’, dat onduidelijke passages en woorden
uitlegt, zoals de betekenis van ‘Christus’; ‘Occultism
versus the Occult Arts’ [Occultisme tegenover de occulte kunsten]
en ‘Psychic and Noetic Action’ [Psychisch en noëtisch
handelen], tegenwoordig bijzonder actueel; en tenslotte een indrukwekkende
‘open brief’ aan de aartsbisschop van Canterbury –
een dynamische oproep om terug te keren tot het oorspronkelijke Christendom
van zijn stichters. In de brief vergelijkt ze onder andere de luxueuze
leefwijze van de hoge geestelijkheid met het lot van de armen in de
grote steden in het Westen. Haar kritiek op zulke zaken was niet gericht
op slechts één geloof, maar op de theologen van iedere
religie die niet hadden voldaan aan de intenties van de stichters. Na
verloop van tijd werden ze alle zo bedekt met dogma’s dat het
oorspronkelijke licht van wijsheid werd verduisterd.
Voor het geval men denkt dat deze steekproef van culturele invloeden
nog helemaal niet aantoont dat er een rechtstreekse uitwerking van uitgaat
op de praktische kwesties van het dagelijkse leven, heeft de Engelse
schrijver en maatschappelijke hervormer Edward Carpenter in My Days
and Dreams het werk van HPB beschreven als het inluiden van ‘de
komst van een grote reactie op het zelfvoldane commercialisme van het
midden-Victoriaanse tijdvak, en een voorbereiding voor de nieuwe wereld
van de twintigste eeuw’ (blz. 240).
En tenslotte Talbot Mundy, nestor van de schrijvers van oosterse avonturenverhalen,
die zich baseert zijn op zijn uiteenlopende belevenissen in India en
Oost-Afrika. In 1916 schreef hij King – of the Khyber Rifles.
In de jaren twintig woonde hij korte tijd op het hoofdkwartier van de
Theosophical Society in Point Loma, Californië, waar hij Om:
het geheim van de Ahbor Vallei schreef, dat een verwijzing bevat
naar en uitvoerig getuigt van zijn respect voor HPB. In zijn posthume
werk, I Say Sunrise, schreef hij:
We kunnen volkomen veilig zeggen dat als alle critici
van Mevrouw Blavatsky, zonder er één uit te sluiten,
hoe intelligent ook en allemaal een gemiddeld leven lang samenwerkend,
zich met uiterste inspanning en intelligentie op die taak hadden geconcentreerd,
zij met hen allen niet een meesterwerk als De geheime leer
hadden kunnen schrijven, . . .
Mevrouw Blavatsky beschreef en analyseerde de begoocheling
waaruit we op de een of andere manier moeten ontsnappen, tenzij we
hopeloos verwikkeld willen blijven in de moeilijkheden waarvoor we
onze politici, wetenschappers en geestelijken verantwoordelijk stellen
– moeilijkheden die zij zo wetenschappelijk hebben gefaald op
te lossen. Ze houden zich alleen bezig met de oppervlakte van de illusie.
Ze drijven op de golven ervan of zinken naar beneden. Mevrouw Blavatsky
heeft uitgelegd wat die golven zijn. – blz.
88
Hierin ligt de betekenis van De geheime leer en het werk dat
daaruit is voortgekomen: het publiek is de enorme schatkamer van kennis
en wijsheid binnengegaan die door de hele geregistreerde geschiedenis
is doorgegeven. In andere perioden, zoals de negentiende eeuw, was een
bepaalde soort kennis en inzicht omtrent de kosmos en de mensheid alleen
toegankelijk voor geleerden en theologen. In haar opdracht van De
geheime leer verklaart de auteur dat ze de inhoud ervan niet heeft
bedacht, want het betrof bloemen uit beschavingen die in verschillende
tijden en uiteenlopende delen van de wereld hadden gebloeid. Alles wat
zij bracht was het lint dat deze bloemen samenbond. Maar juist dat lint
is zo belangrijk, want de bloemen waren tot voor kort niet bij elkaar
gebracht en dus werd iedere cultuur en beschaving van de mensheid als
iets afzonderlijks bestudeerd. Verder hadden vele vroegere weergaven
van de oude wijsheid waar ze naar verwijst, met het verstrijken van
de eeuwen te lijden gehad van aanhechtsels – onbegrip en ook ‘interpretaties’
die niet meer waren dan de meningen van latere theoretici over de betekenis
van oude zegswijzen. We zien nu de onderlinge verbondenheid van oudere
grondbegrippen, die in feite wijst op de onderlinge verbondenheid van
alle mensen en hun streven. Wat zij in haar werken weergeeft werd ontleend
aan de bron van vroegere uitstromingen van wat een nooit eindigende
stroom van wijsheid/kennis is genoemd.
Verwijzingen
- The Whole Mystery of Art: Pattern
and Poetry in the Work of W.B. Yeats door Giorgio Melchiori,
1960.
- Zie ook ‘The Wild Swan of
Coole’, Amerikaanse Sunrise, december 1965.
- Zie ook Sylvia Cranstons: HPB:
Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky, blz.
456. – Red
- Geciteerd in A Memoir of AE:
George William Russell, door John Eglinton (W.K. Magee), 1937,
blz. 164-5.
- Zie Rudyard Kipling door
Martin Fido, 1974. De schrijver zegt dat Rudyard meer ruimdenkendheid
aan de dag legde dan zijn vader, de bekende kunstenaar John Lockwood
Kipling, die de theosofie afwees. Fido staat er niet sympathiek
tegenover, maar verklaart in verband met Engels India: ‘De
theosofie was een van de zeldzame werkelijke bijdragen ervan aan
de wereld’ (blz. 52).
- Scriabin, A Biography of the
Russian Composer 1871-1915 door Faubion Bowers, 2 delen.
- Jeremy Adamson, Lawren S. Harris:
Urban Scenes and Wilderness Landscapes, 1906-1930, blz. 138.