Er is een taal die overal ter wereld wordt gebruikt, ongeacht de woorden
of zinnen waarmee ze tot uitdrukking wordt gebracht, een universele
taal waar iedereen dagelijks gebruik van maakt. Het is de taal die in
het blauwe uitspansel door de goden en op aarde door stervelingen wordt
gebruikt en die uitdrukking geeft aan gedachten en gebeurtenissen van
kosmisch belang, aan de vorming van werelden en aan de vooruitgang van
bewuste evoluerende wezens. Deze taal maakt vaak gebruik van erkende
symbolen, zodat het lezen of het horen ervan veeleer het ontcijferen
van een simpele code is. Het is de taal van de mythologie.
Mythen verdienen het dat we er goed over nadenken. Elke rol en elk
voorwerp heeft een symbolische betekenis die onwillekeurig in ons opkomt,
als we op gevoel door de soms sjofele gewaden waarin het verhaal is
gehuld, heendringen. Het is opmerkelijk hoe snel we die betekenis kunnen
vatten. We hebben geen woordenboek nodig om te begrijpen dat een magisch
wapen een bepaalde karaktereigenschap voorstelt of dat een gezocht voorwerp
een onschatbare gave van wijsheid symboliseert.
Hoewel mythen van elkaar verschillen in de nadruk die ze leggen op
overeenkomstige symbolen, hebben de planeten overal de namen en kenmerken
gekregen van de met hen overeenstemmende goden die over hen heersen
en die in hen evolueren. Helden zijn het voorbeeld van hoe de menselijke
ontwikkeling kan worden versneld. Ze geven nobele en gewenste eigenschappen
aan die we nodig hebben om vooruitgang te boeken in het huidige stadium
van onze evolutie. Geen studieboek kan de innerlijke waarde van deze
allegorieën evenaren, omdat ze een stimulans zijn voor de geestelijke
intelligentie in de menselijke ziel. Ze behoren tot onze verborgen innerlijke
wereld, onbezoedeld door de wisselwerking met onze dagelijkse omgeving.
Langgeleden, toen de eerste mensen op aarde verschenen, voelden de
goden mededogen voor de mensheid, die nog in de kinderschoenen stond
en maar langzaam vorderingen maakte. Aldus projecteerden ze vanuit hun
majestueuze gebieden van actie hun eigen goddelijke denkvermogen om
in de nieuwe mensheid het vermogen om te denken, te leren en te begrijpen
wakker te roepen. Ze wekten het slapende verstand in ons wakker en maakten
het de mens mogelijk zich bewust te zijn van zichzelf en zijn omgeving.
Zij waren het zelf, die de eerste wezens – die beslist niet leken
op de huidige mens – leerden hoe voedsel te verbouwen en werktuigen
te gebruiken. En bovenal om zich bewust te zijn van de methoden waarvan
de natuur zich bedient. Om te evolueren overeenkomstig de universele
wetten van het leven: het vergroten van het geestelijk bewustzijn en
begrip.
Zelfs nadat deze opmerkelijke gebeurtenis had plaatsgevonden, waren
de eerste mensen nog hulpelozer en onervarener dan een pasgeboren baby
nu is. Een kind van nu heeft ontelbare eeuwen van eerdere, steeds terugkerende
lessen achter zich. De eerste mensen moesten met niets beginnen. Ze
moesten leren met elkaar te communiceren, ze moesten leren na te denken
en leren hoe zich ook maar iets te herinneren. Toen de goden besloten
in te grijpen, gaven ze de mens de eerste vonk van besef, die kan uitgroeien
tot begrip. Ze maakten dit ontkiemende mensenrijk tot een denkend ras.
Voor deze gebeurtenis plaatsvond, kostte het de mensen enorme tijdperken
om te leren voelen, zien en horen – om enige vorm van waarneming
te gebruiken die hen in staat stelde contact te hebben met hun omgeving.
Maar toen de mensen eenmaal hun mentale vermogens hadden verkregen,
konden ze de gewoonten van de natuur bestuderen en deze trachten te
evenaren. We kregen daardoor ook de mogelijkheid om fouten te maken.
Want zolang we visie, verbeeldingskracht en de mogelijkheid om te kiezen
ontbeerden, konden we niets fout doen. Maar we konden ook niets goed
doen, omdat we niet het vermogen hadden om beslissingen te nemen. Ik
zeg ‘we’ omdat we zelf die verre voorouders waren van wat
we nu zijn.
Ieder volk op aarde bezit een overgebleven deel van de mystieke taal
die ons toen is geleerd. Die taal is de mythologie, die verhaalt van
de geschiedenis van die langvervlogen tijd en die ons vertelt van de
vooruitgang die we sindsdien hebben gemaakt. Zoals bij iedere levende
taal worden hier in de loop van de tijd belangrijke dingen aan toegevoegd.
De mythen laten ons ook zien hoe dappere voorlopers van de menselijke
familie een plaats tussen mensen en goden konden bereiken – en
velen hebben die ook bereikt. Waarmee ze het goddelijke plan hielpen
en een voorbeeld waren voor de rest van de mensheid. De mythologie,
de heilige taal die werd gebruikt door die goddelijke leraren van lang,
lang geleden, verhaalt niet alleen over mysteriën die het universum
deden ontstaan, maar wekt in ons ook een religieus ontzag voor alle
vormen van leven. Vooral voor de goddelijke geest in hen. Ze vertelt
ons ook over cyclussen van ervaring, van de onfeilbare rechtvaardigheid
die we kennen als karma, en schetst de samenstelling van de grote wezens
en van de minder grote waar de eersten uit zijn opgebouwd. Ze leert
ons hoe met de rest van de schepping samen te smelten in een gemeenschappelijk
doel.
Het is waar dat de verhalen die door de eeuwen heen tot ons zijn gekomen,
in bijzonderheden verschillen. In hun legenden en parabelen wordt gebruikgemaakt
van middelen die variëren met de geografie en geschiedenis van
de vele takken van de mensheid die hen overbrengen; maar hun kern –
de verborgen betekenis – kan door ieder die de moeite neemt erover
na te denken, worden herkend. De denkbeelden waar ze uitdrukking aan
geven zijn soms erg vermomd en verdraaid door de volken die hen hebben
doorgegeven, waardoor de heersende mening is ontstaan dat een mythe
niet waar is. Om de boodschap ervan goed te doorgronden, moeten we doordringen
tot de grootse denkbeelden die liggen verscholen achter wat oppervlakkig
gezien voor de hand ligt. De mythen verklaren vaak elkaar. Als een Griekse
versie onduidelijk is, wordt deze wellicht aangevuld en verduidelijkt
door een Noorse of een Peruviaanse mythe; waar de ene versie jou aanspreekt,
zal een andere je broeder bekoren. Wat ze allemaal gemeen hebben is
een kern van waarheid – ware wetenschap, ware filosofie en waar
religieus ontzag voor het universele Wezen dat wij helpen samenstellen.
De Griekse goden en godinnen zijn slecht behandeld door vele generaties
die er niet in zijn geslaagd de grond van waarheid, waarop hun personages
zijn gebaseerd, te begrijpen. Daarom spot de moderne wereld met het
geflirt van Zeus en de ogenschijnlijk oppervlakkige bezigheden van andere
goden. Zonder dat zij zich realiseert dat, als Zeus inderdaad de goddelijke
bron van het Al vertegenwoordigt en dus net als de christelijke ‘hemelse
Vader’ de ouder is van goden en mensen, zijn alomtegenwoordige
liefdesaffaires en talrijke nageslacht volkomen begrijpelijk zijn.
De mythen van Babylon zijn niet minder geïnspireerd dan die van
China en Japan. De Mahabharata is niet minder informatief dan
de verhalen van Amerikaanse indianen. Allemaal vertellen ze over het
universele evolutionaire proces en geven voorbeelden van wat een menselijk
wezen zou moeten zijn en hoe hij zich zou moeten gedragen. Als de verhalen
soms wat overdreven lijken, komt dat omdat dapperheid en zelfopoffering
helaas vreemd zijn aan onze huidige manier van leven.
De schepping van werelden wordt op verschillende manieren verteld door
verschillende volkeren, hoewel er treffende overeenkomsten zijn. Waar
de Grieken Eros – universele liefde – kennen, uit wie de
eerste en de meest verheven goden zijn voortgekomen die de oorspronkelijke
Chaos – de ‘wateren van de ruimte’ – belichaamden
en bezielden, gebruikt de Rig-Veda hetzelfde beeld: kama –
verlangen, liefde. Die ontstond als eerste in Het, voordat welke god
dan ook zich manifesteerde. De Noorse mythen verhalen van de wijze waarop
de hoogste goden de reus van de vorst, Ymir, ‘doden’ en
uit zijn logge bevroren lichaam de werelden vormen met al hun samengestelde
levensvormen. De Al-vader Odin gebruikt dan samen met zijn broers Vile
en Vi – wil en ontzag – de koude levenloze materie van de
ruimte voor de scheppende goden om zich in te belichamen. Ze zijn gehuld
in de vele vormen van leven die samen een kosmos uitmaken, waarbij elk
organisme eigenschappen bezit die bij zijn soort passen. De diepten
van de ruimte worden bijna altijd ‘wateren van de ruimte’
genoemd, gepersonifieerd als een watergod – Poseidon, Neptunus,
Aegir – wat misschien doet denken aan waterstof, chemisch gezien
het eerste element waaruit alle andere ontstaan, en dat zich met vurig
zuurstof verbindt om het water te maken dat voor leven noodzakelijk
is.
In mythen impliceert het ‘doden’ van een vijand niet letterlijk
het doden of vernietigen, maar een transformatie waarbij het slachtoffer
verandert – ‘sterft’ – van wat hij was in iets
dat verder is gevorderd. Wanneer de goden een reus doden, ondergaat
de zware massa die de reus kenmerkt, onder invloed van de goddelijke
energie, een metamorfose. Laten we een aantal mythen met elkaar vergelijken.
Atlas, die de Griekse hemel op zijn krachtige schouders draagt, is
de vader van de Hesperiden. Hun appels van onsterfelijkheid voeden de
goden. Herakles – de wedergeboren menselijke ziel – moet
die appels vinden en terugbrengen in de provisiekast van de goden. In
Scandinavië verschaft de eeuwig jonge godin Idun dezelfde magische
appels aan het Noorse pantheon, waarmee de goden in Asgard eeuwig jong
en gezond worden gehouden. Deze appels waren ooit gestolen door Loki
– het lagere menselijke brein, een bedrieger wiens slechte daden
problemen veroorzaken die hij ook weer moet oplossen – die vervolgens
werd gedwongen om ze terug te halen bij de reus van de materie, die
ze diep in de onderwereld had verborgen. Dit laat zien hoe verkeerde
daden door verkeerd gebruikte slimmigheid de goden van hun rechtmatige
levensonderhoud kunnen beroven. Uit zowel de Griekse als de Noorse verhalen
wordt duidelijk, dat het goddelijke leven wordt onderhouden door de
toenemende verdiensten van stervelingen. De droesem blijft achter om
te zijner tijd te worden omgevormd door een nobele levenswijze, wanneer
de balans geleidelijk van egocentrisme doorslaat naar universaliteit.
Een onthullende mythe is de rol van de Griekse Mnemosyne. Haar naam
betekent herinnering. Zeus is de vader en Mnemosyne de moeder
van de negen muzen: Clio (geschiedenis – het verleden dat tot
het heden heeft geleid en de toekomst bepaalt), Calliope (epische poëzie
die vertelt van heldendaden en moed), Erato (lyrische poëzie als
lofzang voor schoonheid, die door de Grieken zo hoog wordt gewaardeerd),
Euterpe (inspirator van het minnedicht), Melpomene (muze van het treurspel),
Polyhymnia (gewijde muziek), Terpsichore (dans, vreugdevolle expressie
van dynamische energie), Thalia (blijspel, want de goden lachen graag)
en Urania (astronomie, onze verbinding met het universele bestaan zelf).
Deze bezigheden werden als essentieel beschouwd voor beschaafde stervelingen.
Hun moeder, Herinnering, is onmisbaar in ieder van hen, want niets kan
worden geleerd zonder het vermogen om te onthouden wat eerder werd geleerd.
Hiermee bouwen we aan een eeuwig toenemende hoeveelheid kennis en bekwaamheden
en, wat het belangrijkste is, begrip. Samen vormen ze het gereedschap
waarmee mensen in bewustzijn groeien om steeds meer mens te worden en
uiteindelijk bewust goddelijk. Wanneer we kijken naar wat de Grieken
hebben geselecteerd als rekwisieten voor een verfijnd en nobel individu,
geeft dat ons inzicht in de Griekse denkwereld. We kunnen het wel of
niet eens zijn met hun keuze van meest wenselijke verworvenheden; maar
Mnemosyne en haar dochters zijn kostbare hulpmiddelen om menselijke
evolutie te bevorderen en ze helpen die van de goden.
De Noorse mythen leggen de nadruk op de evolutie van de goden door
de ervaring van het bestaan. Odin heeft twee raven: Hugin (Verstand)
en Munin (Geheugen) die dagelijks over de werelden vliegen en de Al-vader
iedere avond verslag doen. Er bestaat altijd enige vrees dat Hugin niet
terug zal komen omdat hij door de materie in de val kan worden gelokt;
maar toch vreest men nog meer voor Munin, omdat hij zich alles herinnert.
De Griekse moirai – gewoonlijk de schikgodinnen genoemd –
komen overeen met de Noorse nornen. Klotho spint de draad van het leven,
Lachesis bepaalt de lengte ervan en Atropos knipt die door met haar
scharen. Net als de moiren worden de nornen van Scandinavië aangeduid
als verleden, heden en toekomst. Ook zij spinnen de draad van het leven,
maar verschaffen meer details over de werking van karma. De drie nornen
geven water aan één wortel van de Boom van het Leven,
van welke alle werelden afhankelijk zijn. Ieder levend wezen bestaat
op een of ander niveau van die boom en is zelf ook een miniatuur levensboom
die door zijn nornen van water wordt voorzien. Urd (het verleden) betekent
in werkelijkheid Oorsprong, alle oorzaken die tot stand zijn gebracht
in het verleden dat geen begin heeft; Verdande (het heden) betekent
voortdurend Worden, dynamisch en scheppend; terwijl Skuld (de toekomst)
Schuld betekent, iets verschuldigd zijn dat nog niet is ingelost en
dat in het heden of in de toekomst moet worden vereffend. Ze wordt eeuwig
gevormd door haar zusters, het verleden en het heden.
De Levensboom, Yggdrasil, heeft drie wortels, die ieder door een verschillende
bron van water worden voorzien. De bron van Urd bepaalt het karmische
groeipatroon van ieder wezen. De tweede bron is die van absolute materie,
waar de reus Mimer over waakt, en vertegenwoordigt de wijsheid die de
goden verwerven wanneer ze een universum bezielen. Toen Odin vroeg om
een slok van de bron van de materie, moest hij een oog afstaan om die
te krijgen. Daaruit leiden mythologen af dat Odin maar één
oog heeft, maar ik geloof dat dit niet juist is, omdat het opgeofferde
oog zijn derde oog was, het orgaan van de intuïtie. In het verre
verleden bezat de mens drie ogen en dat zal weer zo zijn. Het derde
oog, dat moest worden opgegeven toen de juiste gelegenheid zich voordeed
om wijsheid te vergaren door bewuste inspanning en met het gebruik van
het verstand, is verborgen, diep weggeborgen in de hersenen, waar het
niet kan worden gezien. Het is ons kanaal voor goddelijke inspiratie.
De derde wortel van Yggdrasil wordt gelaafd door de ijskoude twaalfvoudige
stroom van Hvergälmer, die de karakteristieke vormen verschaft
aan de ontelbare soorten wezens die de natuurlijke wereld bevolken.
Als een mens sterft, betreedt hij een niet onbekend gebied, want hij
is daar al vele malen eerder geweest. Hij is uitgerust met schoeisel
dat in overeenstemming is met zijn recente bestaan. Een goede en vriendelijke
ziel draagt stevige laarzen die hem beschermen tegen de braamstruiken
en scherpe rotsen waar hij overheen moet. Een wrede en zelfzuchtige
ziel moet zijn weg blootsvoets zien te vinden over het ruwe terrein.
Ieder moet de bron van Urd aandoen waar de ziel wordt berecht door zijn
innerlijke Odin, geleid door Urd, die alle gedachten en handelingen
die kenmerkend waren voor de ziel in al haar levens kent en weer voor
de geest haalt. Al naar gelang haar verdiensten, begeeft de ziel zich
dan naar de sferen waar zij rechtmatig thuishoort. Liefdevolle en zorgzame
zielen verblijven in hemelse weiden waar alles schoonheid en harmonie
is. De door en door slechte zielen waden in het giftige bezinksel van
hun eigen kwalijke creatie en in het gif van dodelijke reptielen.
Iedere behoefte van de menselijke geest wordt in de mythen behandeld.
Over daden van vermetelheid wordt in vele vormen verteld om de eigenschappen
aan te geven die door mannen en vrouwen zouden moeten worden aangekweekt.
Onze huidige groeiende aandacht voor ecologie en de zorg voor de lagere
rijken hebben hun schaduw vooruitgeworpen in vele verhalen die dateren
uit een tijd waarin alle rijken der aarde in vrede met elkaar leefden.
De Cherokee-indianen vertellen hoe de dieren zich trachtten te verdedigen
tegen menselijke jagers. De mensen hadden geleerd om projectielen af
te schieten die vanaf een afstand konden verwonden en doden. De beren
leden het meest onder deze ontwikkeling, zodat ze pijlen en bogen maakten
om zich te verdedigen, maar hun klauwen zaten in de weg. Eén
beer opperde om de klauwen te verwijderen, maar dit werd afgeraden omdat
dat hen weerloos zou maken en ze niet meer in bomen zouden kunnen klimmen.
Bovendien konden ze niet goed richten. De herten vonden een manier om
de slachting te beperken. Hun leider, Klein Hert, besliste dat ieder
mens die uit moedwil een hert schoot, getroffen zou worden door reuma,
wat een einde zou maken aan zijn bestaan als jager. Andere dieren volgden
het voorbeeld. Toen leerden de mensen om vergeving te vragen aan elk
wild dier dat zij doodden voor voedsel. Als dat niet gedaan zou worden,
zouden ze door ziekte worden getroffen. De planten hadden echter niet
geleden zoals de dieren – de mensen hadden hen in feite water
en voedsel verschaft – en zij bepaalden dat er voor iedere kwaal
een geneesmiddel zou kunnen worden gevonden in het plantenrijk. Op deze
wijze begon de uitoefening van de geneeskunst. En zo is het vandaag
nog. De Seneca-indianen hebben een vergelijkbare mythe, die verhaalt
van hun eerste medicijnman. Een net zo boeiend verhaal.
Al met al hebben we veel te leren over de onderlinge afhankelijkheid
van de rijken van de natuur. Van alle boeken daarover kunnen de mythologieën
ons het meest leren. Hoe ouder ze zijn, hoe meer de oorspronkelijke
wijsheid erin behouden is gebleven. De zuiverste zijn die verhalen,
die niet zijn verward door tussenliggende eeuwen van onbegrip. Het enige
wat we nodig hebben om de mythen op intelligente wijze te lezen, is
de ontvankelijkheid van een kind dat de grootsheid en schoonheid kan
aanvoelen in de verhalen die bedacht werden door de godmensen uit het
grijze verleden. We zoeken niet naar de woorden maar naar de gedachte
die door woorden slechts op armzalige wijze kan worden overgebracht.
Laat de associatieve waarneming, onafhankelijk van onze zintuigen, ons
begrip leiden. Dán zal de taal van de mythe haar ware betekenis
onthullen.