De rozentuin van Merlijn de druïde*
Kenneth Morris

 
*Deze muzikaal geïnspireerde parabel werd oorspronkelijk uitgegeven als ‘Destroying Delusion: Bach’s Fugue in A-Minor – An Interpretation’ [De vernietiging van een hersenschim: Bach’s Fuga in A mineur – een interpretatie], The Theosophical Path, april 1929.
 

Eens was er een ijstijd zo uitgebreid dat zelfs het koninkrijk van de Nayvoythe was bevroren en alle grote zielen die het vroeger bewoonden waren opgegaan in het universum; en nergens was er sprake van heerschappij behalve dan die door de tovenaar-prinsen van Iffairn, en door Merlijn, de druïde, in een rozentuin die hij in de buurt van de Steenbok hield. Het enige dat Merlijn kon doen was de tuin bewaken; want de Iffairnion, zonder tegenstand van hun oude vijanden van Nayvoythe, draaiden naar hun eigen kwade wil de wielen van de Melkwegen rond. Zij hadden overal toegang behalve tot de tuin.

Merlijn maakte zich daarover zorgen. Hij zat aan de voet van zijn eikenboom in het oosten van de tuin, te peinzen en te overwegen of er nog hoop zou zijn voor de werelden en waar die kon worden gevonden. De eik verspreidde een diepe schaduw geheel en al rondom hem. Van daar keek hij uit over de gouden zomer van zijn bloeiende rozen. Zeven eeuwigheden lang zat hij daar in meditatie; toen vond hij de kennis waarnaar hij had gezocht.

Hij nam zijn staf van hazelaarshout op en sprak drie verzen uit over de robijn aan het uiteinde ervan tot deze straalde alsof een nieuwe roze-rode ster aan de rijkdommen van de Steenbok was toegevoegd. Toen liep hij naar de rozen toe, die gloeiden en begonnen te stralen van geluk toen hij naderbij kwam; hij liep langs ontelbare rijen rozen en langs mijlen weelderige tederheid en onder het voorbijgaan raakte hij elke bloem aan met de robijn. Ze verwelkten zodra hij ze aanraakte; de bloembladen verschrompelden en vielen af; het leek alsof hij niets anders wenste dan de tuin te verwoesten. Maar de waarheid was dat geen roos doodging zonder dat haar ziel de lucht insprong en lieflijke rozige vleugels kreeg, en ze volgden hem in een steeds groter wordende sprankelende wolk. Triljoenen en quintiljoenen waren er van hen voor hij klaar was.

Hij stond in het midden van deze wolk en gaf hen zijn instructies. ‘Geen roos zonder doornen,’ zei hij, ‘zo luidt het gezegde. Hebben jullie je doornen bij je als zwaarden, mijn kleintjes?’

Het rumoer van hun vleugeltjes sprak boekdelen. ‘Alsof wij honingverkopers zijn, onze zwaarden zijn bij ons,’ zeiden ze, en trokken hun kleine wapentjes voor hem tevoorschijn. De lucht glinsterde terwijl ze op en neer zwaaiden, van hier naar daar, van achteren naar voren, met hun kleine trillende vleugeltjes van licht karmozijn- of scharlakenrood, geel of oranje, sneeuwwit of crème of roze; en ze vulden de ochtend met een rijkere geur dan ooit tevoren, toen ze nog in bloemen belichaamd waren.

Hij hief zijn staf boven zijn hoofd, draaide die driemaal rond, en reciteerde ondertussen gedichten; en ze stegen hemelwaarts nog sneller dan kolibries wegzoeven. Het geruis van hun vleugels stierf spoedig weg, hun fonkelende schoonheid verflauwde.

Hij was nu alleen in de verwoeste tuin, waar alle bladeren verschrompeld op de struiken lagen vanwege de gedichten die hij had opgezegd. De stelen waren zwart en broos geworden. Hij vervolgde zijn weg met gebogen hoofd door de kletterende regen terug naar de eik en zat daar te treuren; hij wist dat er behalve de menigte rozenzielen rondzwervend in de ruimte, er nu nergens meer schoonheid was; en dat hij waarschijnlijk niet in staat zou zijn de dode tuin te handhaven tegen de Iffairnion, in het geval zij zouden willen aanvallen; want tot dusver bestond zijn voornaamste verdediging uit de schoonheid van de rozen. De regen sloeg neer en neer op de tuin . . .

Maar hoog boven en voorbij de regen klommen de rozenzielen in hun enorme wolk omhoog, cirkelend en hun vele kleuren met elkaar verwevend, plaatsverwisselend en dansend; voortdurend klommen ze hoger totdat ze bij het schitterende blauwe dak van het universum kwamen, dat aan de andere kant de schitterend blauwe vloer is van de Nayvoythe. Biljoenen van hen beukten ertegenaan en vielen een stukje terug; de bevriezende invloed deed de woede in hen opwellen – dit waren de rode-rozenzielen. En zo gauw er één boos werd, was de hele wolk, elke kleur, ook woest en verbitterd van woede.

Ze waren nu aan de rand van het eeuwenoude ijs van de Nayvoythe, en de kou verveelvoudigde hun verontwaardiging; en de staf van Merlijn had het opstijgen tot hun wezensaard gemaakt en het was verschrikkelijk voor hen niet verder te kunnen stijgen, verschrikkelijk dat er zo’n barrière moest zijn die hun omhooggaan tegenhield. Nu hun natuur zodanig ontkend werd, wat zou hun nog anders dan verwoesting ten deel kunnen vallen?

Maar wijsheid werd temidden van hen geboren. Ze wisten dat er een plek in het dak van het universum was waar het blauw donkerder werd en intenser; en dat die plek doorkliefd kon worden met hun zwaarden – die op deze plaats niet meer dan een paar krassen konden toebrengen. Ogenblikkelijk loste de wolk op; wijd en ver verspreidden ze zich al zoekende onder het dak – hier de rode-rozenzielen tegenover Antares in Schorpioen, daar de witte de Pleiaden aftastend, de roze, de gele en de oranje in Engonasin en Ophiuchus en de omstreken van Capella – het geluid van hun vleugeltjes één kreet van woede, een gebrul van vurige vastbeslotenheid. En toen, eindelijk, klonk er vreugde in het geruis van de vleugels waar de zilverroze-rozenzielen aan het zoeken waren; en al die miljoenen haastten zich ernaartoe, want ze wisten dat de donker-blauwe plek was gevonden.

En daar stond hun wil hen ten dienste; daar konden hun zwaarden het Kristallijn doorboren. Het poeder begon ervan af te vallen, alsof het uit koperkristallen bestond. Het begon af te brokkelen onder hun aanval. Het duurde nog geen duizend jaar eer ze een opening hadden gemaakt waar misschien maar een muis doorheen zou kunnen; en toen, omdat grootte voor zielen niet van belang is, stroomden ze de Nayvoythe binnen.

De kou ervan verveelvoudigde hun woestheid een miljoen maal. Ze verspreidden zichzelf door de enorme ruimte ervan in een wolk die zich samentrok en weer expandeerde. Een schreeuw van razernij klonk uit hun vleugels. ‘Ah, zie Hem die ons vervolgt!’ riepen ze uit.

Het was een gedaante van ijs die daar op de troon zat temidden van een dode en verblindende wereld. De gestalte ervan was verhevener dan de vuurbergen van Vindemiatrix; zijn hoofd boog neer vanuit de blauwe verte, droever dan droefgeestigheid, majestueuzer dan majesteit. Zich verheugend over het feit dat Merlijn hun Meester hen wapens had gegeven, trokken ze op tegen de Gedaante van IJs en deden hun doornzwaarden er overal op neerdalen, stootten ze in het wezen; en dat doende, stierven ze.

Biljoenen en quintiljoenen staken en stierven; maar waar ze staken, ontwaakte er langzaamaan gevoel. Ze staken in de ogen van ijs, en daarin werden ondefinieerbare vage flikkeringen van pijn gevoeld. Dan een begin van gezichtsvermogen. ‘Wat is dit?’, fluisterde de koning van de Nayvoythe, terwijl zijn ijsdroom in hem wegstierf; ‘Van ijs ben ik geweest, lijkt het, totdat deze pijn-warmte bij mij naar binnen sloop.’

Toen kwamen als laatste van allemaal de zilverroze-rozenzielen en staken hun stekels in hem, en stierven. ‘Wat is dit?’ zei de koning van de Nayvoythe, uit zijn balans zwaaiend en rillend. Hij stond op en strooide de rozebladeren in het rond; zijn ogen groeiden nu aan tot een brandend, wonderbaarlijk vuur.

‘Bij mijn koninkrijk, ik zie wat er aan de hand is’, schreeuwde hij. Want daar beneden hem, geheel en al duidelijk zichtbaar voor hem, lag het universum waar de Iffairnion rebelleerden; en daar was de tuin van Merlijn de druïde, verwoest. De legers van de Iffairnion hielden er huis. Daar zag hij dat Merlijn de druïde zelf in hun handen was gevallen, het zwaard opgeheven om hem te vernietigen, als dat zou kunnen.

‘Ik zie wat er aan de hand is’, zei de koning van de Nayvoythe. En onmiddellijk was de krijgshoorn aan zijn lippen. Het grote Hai atton! van de Nayvoythe schalde uit de krommingen en bochten ervan voort; waarop het ijs van de fonkelende bergen en toppen werd afgeschud. Met biljoenen sprongen ze op als gevleugelde en schitterende krijgers en in het gevolg van hun heer trokken ze op: hun grootse onoverwinnelijke slagorde, stralend, met vuurzwaarden uitgerust, kwam als een bulderende waterval die in een steile afgrond stort uit de onpeilbare diepte van de ruimte omlaag en dreven de schandelijke Iffairnion uit de rozentuin, nog voordat het zwaard dat tegen Merlijn was opgeheven kon vallen.

En de koning van de Nayvoythe omhelsde zijn broeder Merlijn. De rozenbladeren die hij uit zijn gewaad schudde, werden in de tuin bloeiende rozenstruiken, zoals lang voorheen.

Maar toen de tuin gered was, trok het leger verder en veegde tien sterrenstelsels van de Iffairnion voor het middaguur weg. Aldus werd de Eeuwige Oorlog nieuw leven ingeblazen.

 
Andere verhalen (voor kinderen)
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency