Hoe kunnen we ons vertrouwen in universele broederschap in praktijk
brengen? Eén antwoord is: het te proberen. Misschien zegt u:
‘Ik heb in het dagelijks leven geen tijd om idealisme te bedrijven
– ik heb een gezin om voor te zorgen!’ Of, ‘de mensen
waarmee ik in aanraking kom hebben geen belangstelling voor geestelijke
waarden – ik zou uitgelachen worden als ik het onderwerp broederschap
ter sprake bracht!’
Hoe plausibel deze overwegingen op het eerste gezicht ook lijken, toch
kunnen we ons afvragen of we daarmee niet iets wezenlijks over het hoofd
zien. In feite is de kans groot dat iemand die er zo over denkt als
het ware zijn huis op drijfzand bouwt, zonder stevige fundering. Voordat
we veilig aan ons broederschapsavontuur kunnen beginnen, moeten we eerst
een broeder zijn.
Als ons zoeken niet is gefundeerd op de vaste rots van zelfbegrip en
we niet hebben geleerd met het hogere zelf de zelfzuchtige impulsen
van het lagere verstand in bedwang te houden, kunnen we teleurstellingen
verwachten.
Laat daarom ons eerste broederschapsavontuur een onderzoek zijn naar
de fundamentele geest die aan onze onderneming ten grondslag ligt. Een
eenvoudige methode om dit te doen, is zich af te vragen, ‘hoe
groot is de kring van familieleden, vrienden en kennissen, die ik werkelijk
broederlijk gezind ben?’ We ontdekken wellicht dat er heel veel
graden van broederlijke gevoelens bestaan, vanaf de ‘grotere liefde’
die geen mens kan overtreffen, tot het gevoel van louter verdraagzaamheid
waarmee wij onze medemensen bejegenen. Dan is er het type karakter dat
we de ‘gerechtvaardigde hater’ zouden
kunnen noemen, om zijn sterke antipathieën voor personen of groepen
die zijn ongenoegen op de hals hebben gehaald.
In het eerste geval ontdekken we meteen dat het makkelijker is onze
sympathieën systematisch uit te breiden tot de steeds grotere kringen
die onze menselijke broederschap omvatten. In geval we merken dat we
zelf door haatgevoelens worden gekweld, al dan niet ‘gerechtvaardigde’,
moet elk van die gevoelens worden genezen door in ons eigen hart zaden
van liefde te zaaien: want liefde is het enige en positieve geneesmiddel
tegen haat.
We hebben nu in grote lijnen de intensiteit en omvang van een geest
van broederschap geschetst; wat ons nu nog te doen staat, is de kwaliteit
ervan in ogenschouw te nemen. Om de toets te doorstaan, moet ons broederschapsgevoel
vrij zijn van elke vorm van egoïsme. Als we verwachten in financieel
of ander materieel opzicht iets terug te krijgen voor onze daden van
broederschap, al is het alleen maar in de vorm van door anderen geprezen
te worden, kunnen we niet verwachten erg ver te komen met ons avontuur,
of we ons er nu in ons denken van bewust zijn dat er zo’n verlangen
naar eigen voordeel in ons leeft, of niet.
Zelfzucht te genezen, is alleen mogelijk door die doeleinden na te
streven die aangenaam zijn voor het hoger zelf – plicht, waarheid,
liefde!
Maar lang voordat we zover zijn dat onze motieven helemaal zuiver zijn,
begint het hogere zelf zijn werk via het lagere en spoort het ons aan
iets te ondernemen. Dan zien we de wereld en al wat erop leeft in een
ander licht: het hogere zelf in ons zal zijn klaroengeschal doen uitgaan
om het hogere in onze broeders op te wekken. Voor de geest in de mens
zijn vormelijkheden even onbelangrijk als gradaties in rang binnen een
democratie. Ondanks alle obstakels ‘roept het hogere het hogere
op’, of het op kantoor is of thuis, op de markt of in de tram.
Wanneer de geest van het avontuur iemand heeft gegrepen, zal hij niet
lang hoeven te wachten voor er weer een broeder verschijnt die hulp
nodig heeft. En naarmate zijn begrip groeit en hij meer in staat is
anderen te helpen, zal daarmee ook de kennis over zijn eigen innerlijk
wezen toenemen en hem in meer wezenlijke zin tot een werker maken voor
de heilige zaak van universele broederschap.