De dood is een seizoen
Agnes Wengert

 

In landen waar seizoenen zich doen kennen door duidelijke veranderingen in de weersomstandigheden, zijn enkele kinderjaren al voldoende om te weten dat seizoenen veranderingen zijn; dat je erop kan rekenen dat ze komen, opklimmen tot hun middelpunt en dan overgaan in een volgend seizoen; en dat ze merkbaar hun eigen kenmerkende energie, warmte, intensiteit en wispelturigheden met zich meebrengen. Mensen weerspiegelen die seizoenen door de uitbundigheid van de lente, de loomheid en rijpheid van de zomer, de produktiviteit van de oogsttijd in de herfst en het rustige kille wachten in de winter op weer een nieuwe lente. De tekenen zijn duidelijk, maar de gevoelens die ze in ons opwekken, hangen af van onze houding en ons begripsvermogen.

Toen ik me voor het eerst bewust begon te worden van de verschillen tussen de seizoenen riep de herfst bij mij de sterkste gevoelens op. Wanneer we het blad van de kalender omsloegen naar september en na een zomer op blote voeten schoenen aantrokken om naar school te gaan, was het herfst. Na de eerste ‘fatale vorst’, zoals de boeren het noemden, wisten we dat de zomer voorbij was. De natuur gaf ons duidelijke signalen. Stervende ranken en planten gaven de tuin een zwarte aanblik; meloenen en pompoenen lagen open en bloot op de grond en smeekten om gered te worden; maïsvelden lagen er geel en troosteloos bij. Er hing een geur van afvalverbranding in de lucht zelfs als er geen vuur te zien was. Geluiden leken dichterbij omdat het leek alsof de koeien die in de verte loeiden en de blaffende honden dichter in de buurt waren. Dit jaargetijde had iets plechtigs en onheilspellends dat zich aan me opdrong als ik naar de berijpte takjes keek, die in de ochtendzon verlepten; en dat gevoel bekroop me ook als het steeds vroeger donker werd. In mijn hart voelde het alsof dit het seizoen van de dood was, een seizoen waar men doorheen moest ondanks het risico van een gure winter.

Hoe juist was mijn intuïtie dat de herfst het seizoen van de dood is, maar dat de dood en de herfst beslist geen somberheid en ondergang met zich mee hoeven te brengen. Voor ieder van ons zijn ze een oogsttijd, het seizoen waarin alle overbodigheden worden afgeworpen, het seizoen waarin onze zintuigen de nabijheid van de goddelijke essentie kunnen ontdekken, waarin ze zoete geuren ruiken, verborgen en opwekkende geluiden horen, en visioenen zien die ze zich nooit eerder hadden voorgesteld.

Er was een tijd dat de gedachte dat de dood een bepaalde duur bezat een vreemde klank voor me had. De uitdrukkingen plotselinge dood, een langzame dood en een dralende dood gaven aan hoe lang het duurt voor het stoffelijke zich scheidt van zijn levenslange metgezel, de ziel. Alle latere gevolgen van deze scheiding beschouwde ik als gebeurtenissen na de dood. Het definitieve karakter van deze scheiding en de totale onzekerheid omtrent dit zogenaamde na-de-doodtijdvak doemden bijgevolg voor mij op als een gebeurtenis waarop men zich volledig moest voorbereiden, en dat kon men het best doen binnen een kader van angst. Geen wonder dat ik bang was voor de dood en kwaad was op het verraderlijke karakter ervan, er met wantrouwen op neerkeek en hem met alle mogelijke middelen op een afstand hield.

Theosofie met haar angstverjagende leringen hielp me een verbinding te leggen tussen de dood en de gedachte aan een ‘seizoen’, dat voortkomt uit en overgaat in de andere seizoenen van geboorte en leven. Het begon met een onderzoek naar de uitdrukking dat de slaap een korte dood is en de dood een lange, lange slaap. Het element angst staat veraf van de slaap; de slaap is rustgevend, versterkend, verkwikkend – soms zelfs avontuurlijk. Ik zou de slaap niet uit angst uitstellen, want als we slapen zijn we vrij rond te dwalen in het wonderland van de dromen. Er is geen plaats voor angst als men zich realiseert dat ‘de nachtelijke uren voor het lichaam de dag zijn van de ziel’. Door de logica waarvan de cyclus van slapen, ontwaken en tot activiteit komen getuigt, was het voor mij niet moeilijk de grotere cyclus te begrijpen. Ik ga het seizoen van de dood in, en als dat is voltooid, word ik naar de aarde getrokken via een lichamelijke geboorte en ontwaak ik voor de volle dagtaak van een volgend leven. Dat is reïncarnatie.

Maar wat gebeurt er tijdens het hoogtij van het seizoen van de dood? De nieuwe levensdag is voor ons op dit punt van onze evolutie duidelijk. Onze zintuigen, gevoelens en de zich ontwikkelende mentale begrippen zijn voldoende voor dit stadium, voor ons menszijn op deze aarde – maar wat doen, ervaren of leren deze eigenschappen bij het wegglijden in de periode van de dood? Kunnen we antwoorden vinden in beschrijvingen over ‘na-de-doodervaringen’ van auteurs als Raymond Moody, Sylvia Cranston, Elisabeth Kübler-Ross? Geven die niet een beeld van de dood van deze kant gezien? Wie zal ons zeggen wat de dood als dood is, tijdens de dood? Moeten we vertrouwen op dromen van aardse zijde en een parallel blijven trekken?

Charles J. Ryan en Lydia Ross spreken over het mysterie van de dood als volgt:

Geboorte en dood zijn slechts namen voor dat mystieke gordijn dat omhoog en omlaag wordt gelaten als wij op het zichtbare levenstoneel komen en gaan. Onze ogen kunnen deze etherische sluier die de wisselende taferelen van deze wereld scheidt van de grotere werkelijkheden van onzichtbare gebieden erachter niet zien, we kunnen er zelfs niet doorheen kijken . . . de rollen die we hier spelen zijn in het gunstigste geval maar zwakke, vertekende kopieën van de schitterende ervaringen van het innerlijke Zelf.

De waarheid is dat onze hogere beginselen niet minder, maar veel meer bewust leven nadat het lichaam sterft. Dan zijn ze vrij om weer de terugreis naar hun geboorteplaats te ondernemen en daar in een verheven sfeer van geestelijk zijn te leven. Want ieder deel van onze samengestelde natuur – van het stoffelijke, dat zichtbaar is, tot het geestelijke, dat onzichtbaar is – heeft zijn eigen plaats ergens in het grenzeloze heelal waartoe wij menselijke atomen behoren.1

Het lijkt mij dat het nodig is de kostuums van het aardse stadium achter te laten, waardoor de entiteit in staat is door de sluiers van ons wezen heen te dringen. Deze bekleedselen of beginselen zijn zeven in getal. Het meest geestelijke beginsel is atman, een straal van zuivere universele geest. Atman weerspiegelt zich in buddhi, dat zuivere intelligentie, wijsheid en liefde is. Het volgende is manas, de denker in de mens. Deze zeer geestelijke en etherische beginselen zijn goddelijk van oorsprong. De minder etherische beginselen zijn kama (begeerte-beginsel), prana (de onderhoudende kracht), het astrale lichaam en het stoffelijke lichaam. Al deze meer stoffelijke voertuigen zijn tijdelijk, ontleend aan de dierlijk-vitale eigenschappen in de natuur.

Bij de dood geeft de pranische kracht die dit zevenvoudige menselijke heelal bijeenhoudt haar samenbindende werking op, en net als bij het laten instorten van een gebouw dat zijn tijd heeft gehad, vouwt dit geïncarneerde samenstel zich naar binnen en laat eerst zijn stoffelijk lichaam los; daarna laat het geleidelijk de astrale, etherische en geestelijke atomen vrij in het grenzeloze heelal. Leoline Wright schrijft over het proces van ontlichaming:

Bij het terugtrekken van de hogere triade en het uiteenvallen van de drie lagere beginselen, wordt de kama-rupa (begeertevorm) als het ware afgescheiden als een bundel of rupa (vorm) van begeerte-energieën. Het is natuurlijk zielloos, want de hogere triade, het ware zelf, is weg; maar het zal voor kortere of langere tijd blijven bestaan, afhankelijk van de vraag of in het juist beëindigde aardse leven de hartstochtelijke zelfzuchtige aard werd beheerst en verfijnd of werd versterkt.2

De natuur zorgt ervoor dat de rust- en herstelperiode van de dood niet wordt verstoord door die energiebundel die we kennen als begeerte. In het aardse leven diende zij ons ten goede of ten kwade al naar gelang we haar gebruikten als stimulans om te leren en te groeien, of ons lieten verstrikken met verlangens die nergens anders toe leidden dan tot persoonlijke bevrediging. In dit stadium van de dood ontwart de natuur die beperkende begeerten en geeft vleugelslag aan die andere die hemelwaarts stijgen. Ze heeft voor een plaats gezorgd waar dat gebeurt: kamaloka (begeertewereld), het hele psychologische gebied dat zich in het bewustzijn uitstrekt tussen het aardse leven en de hemelwereld, die in de theosofie bekendstaat als devachan.

In dit halfmateriële gebied dat onze stoffelijke bol omringt, vindt een tweede sterven plaats. Het is een geleidelijk proces waarvan de gemiddelde mens zich in het geheel niet bewust is – we zijn ons er net zomin van bewust als van het dagelijkse en heel normale en heilzame afbreken van de weefsels van ons lichaam en van de subtielere veranderingen die plaatshebben in ons karakter. Men zegt dat de energiebundel die het begeertelichaam wordt genoemd alleen instinctief van aard is.

Is het op dit punt van de dodenreis dat schilders, dichters, verhalenvertellers en componisten een glorieus binnengaan in het Onbeschrijfelijke schilderen – sommigen in kleur, sommigen in het metrum van poëzie, anderen in fantasierijke folklore en weer anderen in de vorm van extatische symfonieën? Ieder heeft met zijn eigen visie en talent geprobeerd de ziel door de sluiers heen binnen te leiden in het geanticipeerde geluk van devachan. Nu hebben de noodzakelijke onthechtingen plaatsgehad; en het verlangen naar verwezenlijking van de geestelijke aspecten van de aardse ervaringen schept de gouden trap en het samenspel van tonen die alleen de geest zich kan voorstellen. ‘Er is niets overgebleven in ons waardoor we kunnen lijden, want we verkeren in het licht en de zuiverheid van de harmonieuze gebieden van de geest. En boven ons is het goddelijk schild van het geestelijk Zelf’, zegt Wright ons.3

Als ik terugdenk aan mijn catechisatielessen, werd deze zegenrijke stap in het seizoen van de dood, geloof ik onmiddellijk bij de dood van het lichaam verwacht – alleen afhankelijk van het berouw van de ziel, haar lofspraak of de genade. Het is me nu overduidelijk dat zo’n onmiddellijk geluk nooit genoten zou kunnen worden (misschien moet ik zeggen ondergaan) omdat de aard van het wezen op dat ogenblik nog te grof, te belast zou zijn en nog te veel zou worden afgeleid. Maar wanneer onze hogere aspecten, de zelfbewuste reïncarnerende ego, geleidelijk wordt bevrijd, gezuiverd en zich op één doel richt, wordt deze voor een lange, gelukkige rustperiode teruggetrokken in de boezem van zijn liefhebbende Vader in de Hemel. Hoe kunnen we zo’n toestand met ons aardse verstand, onze emoties en begeerten begrijpen? We genieten van een slaap die iedere andere slaap te boven gaat!

Ik vraag me dikwijls af of het alledaagse karakter van de woorden rust en slaap er de oorzaak van is dat we helemaal niet nieuwsgierig zijn naar de magie die zich voltrekt in die kostbare uren die ons iedere nacht weer zo verkwikken. Ik werd me er zo’n vijfentwintig jaar geleden op dramatische wijze van bewust toen ik wegens een heel ernstige ziekte in een ziekenhuis was opgenomen. Het grootste deel van de zomer had die zich voortgesleept en mijn gezondheid ging hoe langer hoe meer achteruit. Op een avond begon ik te beseffen dat ik zou kunnen sterven en misschien nog wel diezelfde nacht. Ik smeekte de verpleegster het gebruikelijke slaapmiddel niet te geven en de natuur haar vrije loop te laten. Ze was bezorgd, maar deed wat ik vroeg. Vreemd genoeg viel ik diep in slaap zonder dat middel. Later hoorde ik dat de verplegers mijn toestand aandachtig in de gaten hielden omdat ze dachten dat ik wel eens in mijn slaap kon overlijden. Ik herinner me levendig dat ik die septembermorgen in een zonovergoten kamer wakker werd, verrast door twee glimlachende verpleegsters. Ik rook koffie op de dienbladen voor de patiënten buiten mijn kamer, ik rook toast en het was de meest aantrekkelijke geur die ooit mijn neus streelde – want voor het eerst in maanden had ik echt honger. Mijn kracht, de helderheid van mijn denken en mijn verlangen om beter te zijn, waren opmerkelijk toegenomen.

Ik heb talrijke medische verklaringen gehoord over deze ervaring, maar al met al weet ik dat het was toe te schrijven aan die fantastische nachtrust. Ik vergelijk die graag met de rust na de dood waar dr. de Purucker over spreekt als een tijd van ‘opbloei’, wat volgens het woordenboek een oppervlakkige zowel als diepgaande verandering kan inhouden. De Purucker legt uit dat onze aspiraties, onze dagdromen van vroeger jaren en onze zuiver-gemotiveerde hoop zullen opbloeien en we door en door veranderen zodat we in de ochtend van ons volgende leven hongerig zullen opstaan om die verheven dromen tot werkelijkheid te maken en met de kracht om dit tot stand te brengen. Mijn gezondheid bloeide die nacht op dankzij mijn aspiratie, mijn vurige verlangen. Uit deze en andere, minder dramatische ervaringen heb ik uit de eerste hand geleerd dat rust te vergelijken is met een voortschrijdend seizoen. Voor het grootste deel zal ze zich openen tot een daaropvolgend seizoen, nadat de mens alles in zich heeft opgenomen wat hij kon, en gereed is zijn gezondheid, zijn mededogen, zijn intuïtie te gebruiken – die alle tot bloei komen in de nacht of het seizoen van de dood. Men leert de waarheden omtrent de dood niet zozeer kennen uit beschrijvingen van na-de-doodervaringen dan wel door te luisteren naar die heilige, ware ingewijden, onze oudere broeders, die de dood bewust hebben ervaren terwijl hun lichaam op hun terugkomst wachtte. Het is een reis die we allemaal ooit bewust moeten maken. Nu hebben we die ervaring zonder dat we die ons herinneren, maar dan zullen we erdoorheen reizen met al onze vermogens volledig actief.

De Purucker geeft een samenvatting van de reis door de dood die zich over een heel seizoen uitstrekt:

Bij de dood wordt het stoffelijk lichaam afgelegd als een oud kledingstuk . . . Het vitaal-astrale lichaam, dat iets etherischer is dan het stoffelijk lichaam, wordt eveneens bij de dood achtergelaten. Het vergaat of ontbindt zich en aldus verdwijnt het te zijner tijd; het blijft maar weinig langer bestaan dan het stoffelijk overschot.

Maar het beste deel van de mens, d.w.z. de luister van het geestelijke deel van hem, en de grootsheid van de intellectuele essentie die hij is: deze hele verzameling van fijnere krachten en substanties verlaat, nadat de dood van het lichaam is ingetreden, het stoffelijk voertuig op het moment dat het zogenoemde ‘gouden levenskoord’ wordt verbroken; hij is vrij; hij keert geleidelijk weer terug in de geestelijke monade die de geestelijke kern van het hart is, de spirituele essentie van de mens die op aarde leefde.

En dit verheven deel van wat de mens in essentie is, blijft bestaan in de boezem van de monade, op en in de hogere gebieden van de innerlijke en onzichtbare Kosmos – in de vrede en het onuitsprekelijke geluk van de devachanische toestand, tot de tijd weer aanbreekt dat de Natuur het terugroept voor een nieuwe verschijning op aarde en reïncarnatie plaatsvindt.4

Voor mij heeft de herfst nog steeds iets sombers, maar angst heb ik niet. Als ik de herfst van elk jaar doorloop, zijn er dingen die ik wil vrijmaken en toevoegen aan de energieën van het heelal, waar ze misschien diegenen ontmoeten die er een beter gebruik van kunnen maken. Men kan gehecht zijn aan dingen, ideeën en gewoonten die nu de intuïtie, de ontvankelijkheid en meer bruikbare gewoonten in de weg staan. Voordat de laatste zuivering van dit tegenwoordige aardse leven optreedt, droom ik van de dag waarop ik me overgeef; zal opstijgen naar de hoogten en al die aspiraties zal verwezenlijken die me gereedmaken voor een nieuw bezoek aan deze mooie aarde. Het hele seizoen van de dood is nodig om dat te doen plaatsvinden.

 

Verwijzingen

  1. Lydia Ross & Charles J. Ryan, Theosophia: An Introduction, Point Loma Publications, San Diego CA, 1974, blz. 30.
  2. Leoline Wright, Wat gebeurt er na de dood?, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1981, blz. 29.
  3. Ibid, blz. 36.
  4. G. de Purucker, The Esoteric Tradition, Theosophical University Press, Pasadena CA, 1973, blz. 575.
 
Andere artikelen over de dood
 
Andere artikelen over reïncarnatie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency