In landen waar seizoenen zich doen kennen door duidelijke veranderingen
in de weersomstandigheden, zijn enkele kinderjaren al voldoende om te
weten dat seizoenen veranderingen zijn; dat je erop kan rekenen dat
ze komen, opklimmen tot hun middelpunt en dan overgaan in een volgend
seizoen; en dat ze merkbaar hun eigen kenmerkende energie, warmte, intensiteit
en wispelturigheden met zich meebrengen. Mensen weerspiegelen die seizoenen
door de uitbundigheid van de lente, de loomheid en rijpheid van de zomer,
de produktiviteit van de oogsttijd in de herfst en het rustige kille
wachten in de winter op weer een nieuwe lente. De tekenen zijn duidelijk,
maar de gevoelens die ze in ons opwekken, hangen af van onze houding
en ons begripsvermogen.
Toen ik me voor het eerst bewust begon te worden van de verschillen
tussen de seizoenen riep de herfst bij mij de sterkste gevoelens op.
Wanneer we het blad van de kalender omsloegen naar september en na een
zomer op blote voeten schoenen aantrokken om naar school te gaan, was
het herfst. Na de eerste ‘fatale vorst’, zoals de boeren
het noemden, wisten we dat de zomer voorbij was. De natuur gaf ons duidelijke
signalen. Stervende ranken en planten gaven de tuin een zwarte aanblik;
meloenen en pompoenen lagen open en bloot op de grond en smeekten om
gered te worden; maïsvelden lagen er geel en troosteloos bij. Er
hing een geur van afvalverbranding in de lucht zelfs als er geen vuur
te zien was. Geluiden leken dichterbij omdat het leek alsof de koeien
die in de verte loeiden en de blaffende honden dichter in de buurt waren.
Dit jaargetijde had iets plechtigs en onheilspellends dat zich aan me
opdrong als ik naar de berijpte takjes keek, die in de ochtendzon verlepten;
en dat gevoel bekroop me ook als het steeds vroeger donker werd. In
mijn hart voelde het alsof dit het seizoen van de dood was, een seizoen
waar men doorheen moest ondanks het risico van een gure winter.
Hoe juist was mijn intuïtie dat de herfst het seizoen van de dood
is, maar dat de dood en de herfst beslist geen somberheid en ondergang
met zich mee hoeven te brengen. Voor ieder van ons zijn ze een oogsttijd,
het seizoen waarin alle overbodigheden worden afgeworpen, het seizoen
waarin onze zintuigen de nabijheid van de goddelijke essentie kunnen
ontdekken, waarin ze zoete geuren ruiken, verborgen en opwekkende geluiden
horen, en visioenen zien die ze zich nooit eerder hadden voorgesteld.
Er was een tijd dat de gedachte dat de dood een bepaalde duur bezat
een vreemde klank voor me had. De uitdrukkingen plotselinge dood, een
langzame dood en een dralende dood gaven aan hoe lang het duurt voor
het stoffelijke zich scheidt van zijn levenslange metgezel, de ziel.
Alle latere gevolgen van deze scheiding beschouwde ik als gebeurtenissen
na de dood. Het definitieve karakter van deze scheiding en de totale
onzekerheid omtrent dit zogenaamde na-de-doodtijdvak doemden bijgevolg
voor mij op als een gebeurtenis waarop men zich volledig moest voorbereiden,
en dat kon men het best doen binnen een kader van angst. Geen wonder
dat ik bang was voor de dood en kwaad was op het verraderlijke karakter
ervan, er met wantrouwen op neerkeek en hem met alle mogelijke middelen
op een afstand hield.
Theosofie met haar angstverjagende leringen hielp me een verbinding
te leggen tussen de dood en de gedachte aan een ‘seizoen’,
dat voortkomt uit en overgaat in de andere seizoenen van geboorte en
leven. Het begon met een onderzoek naar de uitdrukking dat de slaap
een korte dood is en de dood een lange, lange slaap. Het element angst
staat veraf van de slaap; de slaap is rustgevend, versterkend, verkwikkend
– soms zelfs avontuurlijk. Ik zou de slaap niet uit angst uitstellen,
want als we slapen zijn we vrij rond te dwalen in het wonderland van
de dromen. Er is geen plaats voor angst als men zich realiseert dat
‘de nachtelijke uren voor het lichaam de dag zijn van de ziel’.
Door de logica waarvan de cyclus van slapen, ontwaken en tot activiteit
komen getuigt, was het voor mij niet moeilijk de grotere cyclus te begrijpen.
Ik ga het seizoen van de dood in, en als dat is voltooid, word ik naar
de aarde getrokken via een lichamelijke geboorte en ontwaak ik voor
de volle dagtaak van een volgend leven. Dat is reïncarnatie.
Maar wat gebeurt er tijdens het hoogtij van het seizoen van de dood?
De nieuwe levensdag is voor ons op dit punt van onze evolutie duidelijk.
Onze zintuigen, gevoelens en de zich ontwikkelende mentale begrippen
zijn voldoende voor dit stadium, voor ons menszijn op deze aarde –
maar wat doen, ervaren of leren deze eigenschappen bij het wegglijden
in de periode van de dood? Kunnen we antwoorden vinden in beschrijvingen
over ‘na-de-doodervaringen’ van auteurs als Raymond Moody,
Sylvia Cranston, Elisabeth Kübler-Ross? Geven die niet een beeld
van de dood van deze kant gezien? Wie zal ons zeggen wat de dood als
dood is, tijdens de dood? Moeten we vertrouwen op dromen van aardse
zijde en een parallel blijven trekken?
Charles J. Ryan en Lydia Ross spreken over het mysterie van de dood
als volgt:
Geboorte en dood zijn slechts namen voor dat mystieke
gordijn dat omhoog en omlaag wordt gelaten als wij op het zichtbare
levenstoneel komen en gaan. Onze ogen kunnen deze etherische sluier
die de wisselende taferelen van deze wereld scheidt van de grotere
werkelijkheden van onzichtbare gebieden erachter niet zien, we kunnen
er zelfs niet doorheen kijken . . . de rollen die we hier spelen zijn
in het gunstigste geval maar zwakke, vertekende kopieën van de
schitterende ervaringen van het innerlijke Zelf.
De waarheid is dat onze hogere beginselen niet minder,
maar veel meer bewust leven nadat het lichaam sterft. Dan zijn ze
vrij om weer de terugreis naar hun geboorteplaats te ondernemen en
daar in een verheven sfeer van geestelijk zijn te leven. Want ieder
deel van onze samengestelde natuur – van het stoffelijke, dat
zichtbaar is, tot het geestelijke, dat onzichtbaar is – heeft
zijn eigen plaats ergens in het grenzeloze heelal waartoe wij menselijke
atomen behoren.1
Het lijkt mij dat het nodig is de kostuums van het aardse stadium achter
te laten, waardoor de entiteit in staat is door de sluiers van ons wezen
heen te dringen. Deze bekleedselen of beginselen zijn zeven in getal.
Het meest geestelijke beginsel is atman, een straal van zuivere universele
geest. Atman weerspiegelt zich in buddhi, dat zuivere intelligentie,
wijsheid en liefde is. Het volgende is manas, de denker in de mens.
Deze zeer geestelijke en etherische beginselen zijn goddelijk van oorsprong.
De minder etherische beginselen zijn kama (begeerte-beginsel), prana
(de onderhoudende kracht), het astrale lichaam en het stoffelijke lichaam.
Al deze meer stoffelijke voertuigen zijn tijdelijk, ontleend aan de
dierlijk-vitale eigenschappen in de natuur.
Bij de dood geeft de pranische kracht die dit zevenvoudige menselijke
heelal bijeenhoudt haar samenbindende werking op, en net als bij het
laten instorten van een gebouw dat zijn tijd heeft gehad, vouwt dit
geïncarneerde samenstel zich naar binnen en laat eerst zijn stoffelijk
lichaam los; daarna laat het geleidelijk de astrale, etherische en geestelijke
atomen vrij in het grenzeloze heelal. Leoline Wright schrijft over het
proces van ontlichaming:
Bij het terugtrekken van de hogere triade en het
uiteenvallen van de drie lagere beginselen, wordt de kama-rupa (begeertevorm)
als het ware afgescheiden als een bundel of rupa (vorm) van begeerte-energieën.
Het is natuurlijk zielloos, want de hogere triade, het ware zelf,
is weg; maar het zal voor kortere of langere tijd blijven bestaan,
afhankelijk van de vraag of in het juist beëindigde aardse leven
de hartstochtelijke zelfzuchtige aard werd beheerst en verfijnd of
werd versterkt.2
De natuur zorgt ervoor dat de rust- en herstelperiode van de dood niet
wordt verstoord door die energiebundel die we kennen als begeerte. In
het aardse leven diende zij ons ten goede of ten kwade al naar gelang
we haar gebruikten als stimulans om te leren en te groeien, of ons lieten
verstrikken met verlangens die nergens anders toe leidden dan tot persoonlijke
bevrediging. In dit stadium van de dood ontwart de natuur die beperkende
begeerten en geeft vleugelslag aan die andere die hemelwaarts stijgen.
Ze heeft voor een plaats gezorgd waar dat gebeurt: kamaloka (begeertewereld),
het hele psychologische gebied dat zich in het bewustzijn uitstrekt
tussen het aardse leven en de hemelwereld, die in de theosofie bekendstaat
als devachan.
In dit halfmateriële gebied dat onze stoffelijke bol omringt,
vindt een tweede sterven plaats. Het is een geleidelijk proces waarvan
de gemiddelde mens zich in het geheel niet bewust is – we zijn
ons er net zomin van bewust als van het dagelijkse en heel normale en
heilzame afbreken van de weefsels van ons lichaam en van de subtielere
veranderingen die plaatshebben in ons karakter. Men zegt dat de energiebundel
die het begeertelichaam wordt genoemd alleen instinctief van aard is.
Is het op dit punt van de dodenreis dat schilders, dichters, verhalenvertellers
en componisten een glorieus binnengaan in het Onbeschrijfelijke schilderen
– sommigen in kleur, sommigen in het metrum van poëzie, anderen
in fantasierijke folklore en weer anderen in de vorm van extatische
symfonieën? Ieder heeft met zijn eigen visie en talent geprobeerd
de ziel door de sluiers heen binnen te leiden in het geanticipeerde
geluk van devachan. Nu hebben de noodzakelijke onthechtingen plaatsgehad;
en het verlangen naar verwezenlijking van de geestelijke aspecten van
de aardse ervaringen schept de gouden trap en het samenspel van tonen
die alleen de geest zich kan voorstellen. ‘Er is niets overgebleven
in ons waardoor we kunnen lijden, want we verkeren in het licht en de
zuiverheid van de harmonieuze gebieden van de geest. En boven ons is
het goddelijk schild van het geestelijk Zelf’, zegt Wright ons.3
Als ik terugdenk aan mijn catechisatielessen, werd deze zegenrijke
stap in het seizoen van de dood, geloof ik onmiddellijk bij de dood
van het lichaam verwacht – alleen afhankelijk van het berouw van
de ziel, haar lofspraak of de genade. Het is me nu overduidelijk dat
zo’n onmiddellijk geluk nooit genoten zou kunnen worden (misschien
moet ik zeggen ondergaan) omdat de aard van het wezen op dat ogenblik
nog te grof, te belast zou zijn en nog te veel zou worden afgeleid.
Maar wanneer onze hogere aspecten, de zelfbewuste reïncarnerende
ego, geleidelijk wordt bevrijd, gezuiverd en zich op één
doel richt, wordt deze voor een lange, gelukkige rustperiode teruggetrokken
in de boezem van zijn liefhebbende Vader in de Hemel. Hoe kunnen we
zo’n toestand met ons aardse verstand, onze emoties en begeerten
begrijpen? We genieten van een slaap die iedere andere slaap te boven
gaat!
Ik vraag me dikwijls af of het alledaagse karakter van de woorden rust
en slaap er de oorzaak van is dat we helemaal niet nieuwsgierig zijn
naar de magie die zich voltrekt in die kostbare uren die ons iedere
nacht weer zo verkwikken. Ik werd me er zo’n vijfentwintig jaar
geleden op dramatische wijze van bewust toen ik wegens een heel ernstige
ziekte in een ziekenhuis was opgenomen. Het grootste deel van de zomer
had die zich voortgesleept en mijn gezondheid ging hoe langer hoe meer
achteruit. Op een avond begon ik te beseffen dat ik zou kunnen sterven
en misschien nog wel diezelfde nacht. Ik smeekte de verpleegster het
gebruikelijke slaapmiddel niet te geven en de natuur haar vrije loop
te laten. Ze was bezorgd, maar deed wat ik vroeg. Vreemd genoeg viel
ik diep in slaap zonder dat middel. Later hoorde ik dat de verplegers
mijn toestand aandachtig in de gaten hielden omdat ze dachten dat ik
wel eens in mijn slaap kon overlijden. Ik herinner me levendig dat ik
die septembermorgen in een zonovergoten kamer wakker werd, verrast door
twee glimlachende verpleegsters. Ik rook koffie op de dienbladen voor
de patiënten buiten mijn kamer, ik rook toast en het was de meest
aantrekkelijke geur die ooit mijn neus streelde – want voor het
eerst in maanden had ik echt honger. Mijn kracht, de helderheid van
mijn denken en mijn verlangen om beter te zijn, waren opmerkelijk toegenomen.
Ik heb talrijke medische verklaringen gehoord over deze ervaring, maar
al met al weet ik dat het was toe te schrijven aan die fantastische
nachtrust. Ik vergelijk die graag met de rust na de dood waar dr. de
Purucker over spreekt als een tijd van ‘opbloei’, wat volgens
het woordenboek een oppervlakkige zowel als diepgaande verandering kan
inhouden. De Purucker legt uit dat onze aspiraties, onze dagdromen van
vroeger jaren en onze zuiver-gemotiveerde hoop zullen opbloeien en we
door en door veranderen zodat we in de ochtend van ons volgende leven
hongerig zullen opstaan om die verheven dromen tot werkelijkheid te
maken en met de kracht om dit tot stand te brengen. Mijn gezondheid
bloeide die nacht op dankzij mijn aspiratie, mijn vurige verlangen.
Uit deze en andere, minder dramatische ervaringen heb ik uit de eerste
hand geleerd dat rust te vergelijken is met een voortschrijdend seizoen.
Voor het grootste deel zal ze zich openen tot een daaropvolgend seizoen,
nadat de mens alles in zich heeft opgenomen wat hij kon, en gereed is
zijn gezondheid, zijn mededogen, zijn intuïtie te gebruiken –
die alle tot bloei komen in de nacht of het seizoen van de dood. Men
leert de waarheden omtrent de dood niet zozeer kennen uit beschrijvingen
van na-de-doodervaringen dan wel door te luisteren naar die heilige,
ware ingewijden, onze oudere broeders, die de dood bewust hebben ervaren
terwijl hun lichaam op hun terugkomst wachtte. Het is een reis die we
allemaal ooit bewust moeten maken. Nu hebben we die ervaring zonder
dat we die ons herinneren, maar dan zullen we erdoorheen reizen met
al onze vermogens volledig actief.
De Purucker geeft een samenvatting van de reis door de dood die zich
over een heel seizoen uitstrekt:
Bij de dood wordt het stoffelijk lichaam afgelegd
als een oud kledingstuk . . . Het vitaal-astrale lichaam, dat iets
etherischer is dan het stoffelijk lichaam, wordt eveneens bij de dood
achtergelaten. Het vergaat of ontbindt zich en aldus verdwijnt het
te zijner tijd; het blijft maar weinig langer bestaan dan het stoffelijk
overschot.
Maar het beste deel van de mens, d.w.z. de luister
van het geestelijke deel van hem, en de grootsheid van de intellectuele
essentie die hij is: deze hele verzameling van fijnere krachten en
substanties verlaat, nadat de dood van het lichaam is ingetreden,
het stoffelijk voertuig op het moment dat het zogenoemde ‘gouden
levenskoord’ wordt verbroken; hij is vrij; hij keert geleidelijk
weer terug in de geestelijke monade die de geestelijke kern van het
hart is, de spirituele essentie van de mens die op aarde leefde.
En dit verheven deel van wat de mens in essentie
is, blijft bestaan in de boezem van de monade, op en in de hogere
gebieden van de innerlijke en onzichtbare Kosmos – in de vrede
en het onuitsprekelijke geluk van de devachanische toestand, tot de
tijd weer aanbreekt dat de Natuur het terugroept voor een nieuwe verschijning
op aarde en reïncarnatie plaatsvindt.4
Voor mij heeft de herfst nog steeds iets sombers, maar angst heb ik
niet. Als ik de herfst van elk jaar doorloop, zijn er dingen die ik
wil vrijmaken en toevoegen aan de energieën van het heelal, waar
ze misschien diegenen ontmoeten die er een beter gebruik van kunnen
maken. Men kan gehecht zijn aan dingen, ideeën en gewoonten die
nu de intuïtie, de ontvankelijkheid en meer bruikbare gewoonten
in de weg staan. Voordat de laatste zuivering van dit tegenwoordige
aardse leven optreedt, droom ik van de dag waarop ik me overgeef; zal
opstijgen naar de hoogten en al die aspiraties zal verwezenlijken die
me gereedmaken voor een nieuw bezoek aan deze mooie aarde. Het hele
seizoen van de dood is nodig om dat te doen plaatsvinden.
Verwijzingen
- Lydia Ross & Charles J. Ryan,
Theosophia: An Introduction, Point Loma Publications, San
Diego CA, 1974, blz. 30.
- Leoline Wright, Wat gebeurt
er na de dood?, Theosophical University Press Agency, Den Haag,
1981, blz. 29.
- Ibid, blz. 36.
- G. de Purucker, The Esoteric
Tradition, Theosophical University Press, Pasadena CA, 1973,
blz. 575.