'Ik begrijp God niet meer!’ Deze diep uit het hart komende kreet
werd ‘geuit door een majoor van het Internationale Leger des Heils,
de Nederlandse Eva de Hartog, tijdens haar werkzaamheden voor Cambodjaanse
vluchtelingen in het grensgebied van Thailand. Volgens een krantenbericht
voegde ze eraan toe: ‘Waarom doet Hij dit? Ik heb weinig tijd
om erover na te denken, maar vorige week had ik weer opnieuw plotseling
zoveel twijfels. Ik was ontzettend kwaad op God. Net als jaren geleden
in de sloppen van Calcutta, vroeg ik me weer af of de God die wij in
het Leger prediken wel een God van liefde is, die wij deze stakkers
moeten aanprijzen. Zelf heb ik allang geleerd dat men het evangelie
niet aan mensen kan brengen die er zo ellendig en uitgehongerd aan toe
zijn. Eerst soep, dan zeep, en tenslotte verlossing. En, eerlijk gezegd,
kan het me niet zoveel schelen hoe of wat stervenden wel of niet geloven.
. . . Ik ben ook lang geleden al met bekeren gestopt. Ik spreek niet,
ik bekeer niet, ik luister.’
In deze tijd van uitbarstingen van intense menselijke ellende in bepaalde
gebieden van de aarde, horen we deze verzuchting van oprechte mensen
steeds vaker. En waarom? Omgeven door smart en innerlijke ontreddering
schijnen zulke aanroepen, gericht tot een God buiten de mens, een persoonlijk
wezen van liefde, verloren te gaan in de schijnbare kilte en onverschilligheid
van de ruimte. Men komt er gemakkelijk toe zich verlaten te voelen,
misschien zelfs verraden, totdat menselijke wanhoop en de kreet om hulp
zo diep uit de ziel komen dat ze in het meest innerlijk van ons wezen
worden weerkaatst, en van binnen een ‘stem’ zegt: ‘Wat
je zoekt is ook binnenin je. Je bent een vonk van het Onvernietigbare,
van het Goddelijke, als je het Naamloze zo wilt noemen. Maar misschien
ben je onbewust van de Bron afgedwaald door zelfzucht en andere lagere
impulsen die je omlaag hebben gehaald. Als dat zo is, heb je, door dit
pad lang genoeg te volgen, je eigen ziel en die van anderen onheil toegebracht.
Schep betere oorzaken en de gevolgen zullen dienovereenkomstig zijn,
want jij die de waarheid zoekt moet weten dat je voor grote dingen bent
geboren. Van nature is geen mens slecht, en niemand is speciaal uitverkoren:
iedereen is ‘uitverkoren’, afhankelijk van zijn of haar
oprechtheid en zuiverheid van motief. Je moet tegelijk ook weten dat
er een karma is dat zich manifesteert in allen die ernaar verlangen
hun aard door mededogen te verfijnen, want hun hoger zelf leidt hen
dan in zware beproevingen. Er zijn er velen die, in de stilte van hun
wezen, op deze wijze bewust de gelofte jegens hun hoger zelf afleggen
dat zij zich niet zullen laten afschrikken, ondanks het opgehoopte karma
dat hun ziel met tegenspoed overlaadt zoals een vracht stenen die zich
in een stroomversnelling stort.’
Kan het, ongeacht de beelden die individueel en groepskarma ons tonen
(waarvan de werkelijke oorzaak, die het evenwicht moet herstellen, voor
ons is verborgen), betekenen dat we onverschillig en hardvochtig moeten
staan tegenover het leed van deze en de toekomstige wereld? Beslist
niet, want dan zou ons hart versteend en koud zijn en vervuld van dezelfde
gevoelens van afgescheidenheid die de oorzaak zijn van veel van de vreselijke
toestanden in de huidige wereld. Aan de andere kant wil het ook niet
zeggen dat we al het leed van deze wereld op onze zwakke schouders moeten
proberen te dragen, want dan zouden we alleen maar bezwijken of, omdat
de meesten van ons hun emoties nog maar weinig beheersen, in verwarring
raken en niet weten wat te doen. De beste manier van handelen is oprecht
mededogen te hebben en, waar mogelijk, anderen te helpen zonder aan
onszelf te denken. Op deze wijze werken we in overeenstemming met de
verheffende beginselen van de natuur zelf, want daarin en daarachter,
evenals in en achter onszelf, werken in de stilte emanaties die we goddelijk
mogen noemen, en die er slechts op wachten dat wij de weg naar binnen
openen zodat hun essentie in ons karakter tot bloei kan komen.
Door tegenspoed in ons eigen leven weten we dat we nu en dan het gevoel
kunnen hebben van iedereen en alles te zijn afgesneden – ook van
een God buiten ons, als we daarin geloven. In die geestestoestand krijgen
we misschien op onze vragen niet direct een antwoord. Maar door hoeveel
twijfel onze intuïtie ook wordt onderdrukt, op een goede dag ontvangen
we plotseling enig inzicht in het doel van ons eigen leven en dat van
de mensheid. We beginnen in te zien dat persoonlijke omstandigheden,
zowel als de in de wereld plaatsvindende gebeurtenissen, inderdaad door
onszelf zijn veroorzaakt – ten kwade of ten goede – maar
dat we, wat er ook gebeurt, individueel kunnen beginnen ons langzaam
te heroriënteren naar een toekomst met helderder zonlicht, om zo,
via onze dagelijkse plichten en verantwoordelijkheden, de wereld om
ons heen te beïnvloeden. Wanneer we eenmaal een groter bestemmingsperspectief
herkennen, zal dit ons van binnenuit stimuleren tot moed, wilskracht
en het vertrouwen om verder te gaan.