Het eerste deel van H.P. Blavatsky’s meesterwerk, De geheime
leer, behandelt de geboorte en evolutie van universa, zonnen en
planeten met al hun natuurrijken, van de elementale levens of krachten,
omhoog via de mineralen-, planten-, dieren- en mensenrijken. Boven de
mensheid bevinden zich, volgens de oude tradities, spirituele rijken
die zich omhoog uitstrekken tot de grote kosmische goden; hun innerlijke
activiteit maakt de wetten en de harmonie van de kosmos uit. Het tweede
deel behandelt de oorsprong en de bestemming van het menselijk ras in
samenhang met alle andere rijken op aarde waarmee we vertrouwd zijn.
Dit deel bespreekt vooral het wakker roepen van het denkvermogen van
de mens door hoger ontwikkelde wezens.
Deze onderwerpen worden afgewisseld met ideeën die een wonderlijk
inzicht geven in wetenschappen die nu geheel of ten dele sluimeren,
zoals bijvoorbeeld de interpretatie op verschillende niveaus van legenden,
mythen en symbolen. Ook het onderwerp inwijding wordt besproken, evenals
de mysteriescholen die in alle delen van de wereld bestonden, plaatsen
waar de discipel stap voor stap, eerst door onderricht, discipline en
loutering, en later door daadwerkelijke ervaring, in zichzelf de geboorte
van zijn innerlijke god kon verwezenlijken, iets waarnaar ieder mens
in de loop van vele cyclussen streeft en wat hij eens tot stand zal
brengen.
Deel I begint met de geboorte van werelden, die is gebaseerd op wat
Blavatsky de drie grondstellingen noemt. De eerste roept het beeld op
van de essentiële, onkenbare oorzaak waaruit alles is geboren en
waarnaar alles tenslotte zal terugkeren:
Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk
beginsel, waarover elke speculatie onmogelijk is, omdat het het menselijke
begripsvermogen te boven gaat en door menselijke uitdrukkingen of
vergelijkingen alleen kan worden verkleind. Het ligt buiten het gebied
en het bereik van het denken – met de woorden van de Mandukya
[Upanishad], ‘ondenkbaar en onuitsprekelijk’.
– De
geheime leer I:43
Oude volkeren weigerden aan dit beginsel eigenschappen toe te kennen:
de Joden noemden het ’eyn soph (het Grenzeloze), de hindoes
tat (Dat). Het kan noch groot noch klein worden genoemd, goed noch kwaad,
want deze termen hebben slechts betrekking op eindige dingen. De aspecten
ervan worden weergegeven als oneindige ruimte, eeuwige duur, en nimmer
eindigende beweging.
De tweede grondstelling formuleert Blavatsky als volgt:
De eeuwigheid van het Heelal in toto als
een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen
die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen . . .’
. . . de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit,
van eb en vloed, van neergang en opkomst, die de natuurwetenschap
op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven. Een
afwisseling zoals tussen dag en nacht, leven en dood, slapen en waken
is een feit dat zo gewoon is, zo volkomen algemeen en zonder uitzondering,
dat het gemakkelijk is te begrijpen dat wij er een van de werkelijk
fundamentele wetten van het heelal in zien.
– Ibid. I:46-7
Terwijl de eerste grondstelling een beeld overdraagt van de grenzeloze
oorzaak van alles, laat de tweede grondstelling het patroon van het
gehele gemanifesteerde bestaan zien – zowel van atomen, mensen
en goden als van heelallen – die alle uit hun innerlijke essentie
voortkomen. Veel van de oude filosofieën spreken van een straal
van de Onkenbare bevruchtende chaos of het moeder-beginsel, zodat uit
chaos de kosmos wordt geboren, de gemanifesteerde werelden.
Dit vormt de Drie-eenheid – Vader, Moeder, Zoon; Vader, Heilige
Geest, Zoon; Osiris, Isis, Horus; Parabrahman, Mulaprakriti, Brahman.
De derde grondstelling heeft betrekking op die aspecten van het leven
waar we het meest direct bij betrokken zijn:
De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de
Universele Overziel, . . . en de verplichte pelgrimstocht voor iedere
ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van
incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming
met de cyclische en karmische wet . . . Met andere woorden, geen .
. . (goddelijke ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben
voordat de vonk . . . (a) door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld
van die manvantara is heengegaan en (b) individualiteit heeft
verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte
en zelfbedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl
zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van de laagste
tot de hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel
(Dhyani-Boeddha). De kernleer van de esoterische filosofie erkent
geen voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn
eigen ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste
gedurende een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncarnaties.
– Ibid. I:47
De reeks van wezens strekt zich uit van het allerkleinste sub-atomaire
deeltje en daaronder tot het meest grootse heelal of cluster van heelallen
en verder. En omdat elke eenheid een bewustzijn of monade is met oneindige
mogelijkheden, is de kosmos vol van goddelijke intelligenties van allerlei
soort, die er alle naar streven zich door evolutie en herhaalde wederbelichamingen
te ontvouwen.
Blavatsky streefde ernaar de idee van een levend heelal geregeerd door
oorzaak en gevolg, of karma, weer in te voeren. Wanneer we geboren worden,
raken we belast met het karma uit het verleden. We zijn dat
karma. In vorige incarnaties hebben we onszelf gemaakt tot wat we nu
zijn, en we zijn nu bezig onszelf te maken tot wat we eens in toekomstige
incarnaties zullen worden. Als het heelal opnieuw geboren gaat worden,
doet het dat door middel van alle kleinere levens waaruit het bestaat,
net zoals de mens met zijn atomen en kleinere eenheden wanneer hij reïncarneert.
Het nieuwe heelal is het karma van het oude heelal. Alle wezens zijn
dus vonken van de universele essentie of overziel die zich in hun proces
van zelf-ontvouwing of evolutie bevinden dat plaatsvindt door herhaalde
wederbelichamingen in verschillende stadia.
Alles in het Heelal, in al zijn rijken, is BEWUST:
d.w.z. voorzien van een eigen soort bewustzijn op zijn eigen waarnemingsgebied.
Wij mensen moeten bedenken dat we geen recht hebben om te zeggen dat
er bijvoorbeeld in stenen geen bewustzijn bestaat, omdat
wij daarin geen tekenen van bewustzijn waarnemen – die we als
zodanig kunnen herkennen. Er bestaat niet zoiets als ‘dode’
of ‘blinde’ stof, evenmin als er een ‘blinde’
of ‘onbewuste’ wet is. – Ibid
I:301
Toen het bouwplan van de aarde zich ontrolde, ontvouwden zich tegelijk
daarmee alle wezens van de aarde, te beginnen op een heel etherisch
gebied. De aarde belichaamde zich opnieuw door middel van haar kleinere
levens, en alle rijken van de natuur, inclusief wijzelf, waren vanaf
het begin aanwezig. De aarde en haar rijken leken echter allerminst
op wat we nu om ons heen zien, want toen was alles etherisch, spiritueel,
astraal, niet stoffelijk zoals nu. De evolutie van planeten vindt plaats
in een reeks van pulsaties of ‘ronden’. Blavatsky spreekt
met betrekking tot de aarde over zeven of meer van deze ronden. Met
elke volgende ronde werd de aarde stoffelijker totdat ze haar meest
stoffelijke stadium bereikte, wat ruwweg het stadium is waarin we ons
nu in de vierde ronde bevinden. In deze ronde op deze stoffelijke bol
heeft achtereenvolgens elk van de rijken op aarde met succes gedomineerd.
Miljoenen jaren lang was de activiteit van de mineralen zeer intens
en vervolgens, naarmate de bloeiperiode van de mineralen afzwakte, gingen
tenslotte de wezens uit het plantenrijk overheersen. Dit tijdperk waarin
het plantenrijk domineerde, werd overlapt en tenslotte overvleugeld
door het dierenrijk, dat ook een hoogtepunt bereikte en in betekenis
afnam om plaats te maken voor een nieuwe stroom, onze eigen menselijke
levensgolf.
In Deel II worden nog drie stellingen gegeven die te maken hebben met
het leven op deze stoffelijke aarde in de vierde ronde:
Wat betreft de evolutie van de mensheid stelt de
Geheime Leer drie nieuwe stellingen voorop, die lijnrecht in strijd
zijn met zowel de moderne wetenschap als de gangbare religieuze dogma’s:
zij leert (a) de gelijktijdige evolutie van zeven mensengroepen
op zeven verschillende delen van onze aardbol; (b) de geboorte
van het astrale lichaam vóór het stoffelijke,
waarbij het eerste een model is voor het laatste; en (c)
dat de mens in deze Ronde aan alle zoogdieren in het dierenrijk voorafging
– de mensapen daarbij inbegrepen. –
II:1
Gedurende tientallen miljoenen jaren was de mensheid meer astraal dan
stoffelijk. En hoewel de zeven oorspronkelijke rassen tegelijkertijd
verschenen, deden ze dat als zaad of in kiem, om één voor
één tot bloei te komen, elk op zijn eigen stelsel van
continenten. Elk van deze wortelrassen kende talrijke onderrassen, familierassen
en stammen en andere nog fijnere onderverdelingen. We naderen nu het
midden van het vijfde wortelras. In zijn Erga kai hèmerai
(‘Werken en dagen’), regel 147-234, noemt Hesiodus de vijf
rassen die tot nu toe zijn verschenen, en ook de vier tijdperken, het
gouden, zilveren, bronzen en ijzeren tijdperk, en hij zegt dat we nu
in het ijzeren tijdperk en ons vijfde ras zijn. Soortgelijke beschrijvingen
worden gegeven in de Zend-Avesta, de Puranas, de Edda’s,
de Popul Vuh en andere oude werken. Wanneer we deze optekeningen
van vroegere rassen bestuderen, moeten we bedenken dat we over onszelf
lezen, want die vroegere rassen waren het toneel van ons vroeger streven.
Elk groot wortelras bloeit op zijn eigen continentaal stelsel. Van
het continent van het eerste ras, ‘Het Onvergankelijke Heilige
Land’, wordt gezegd dat het zich aan de noordpool bevond. Het
tweede of Hyperboreïsche ras bewoonde een hoefijzervormig continent
in het verre noorden. Het derde (Lemurische) en vierde (Atlantische)
ras bewoonde continenten waarvan grote gedeelten zich nu waarschijnlijk
onder de oceanen bevinden, begraven liggen onder het woestijnzand, of
nog steeds in gebruik zijn als delen van bestaande continenten. Omdat
wortelrassen miljoenen jaren lang blijven bestaan, ondergaan de continenten
waarop ze leven grote veranderingen tijdens hun bestaan. Elk ras wordt
geboren in het midden van zijn ouderras, in zijn meest materiële
cyclus of kali-yuga. Wanneer een ras zijn kali-yuga is ingegaan, beginnen
de zaden van het volgende ras in toenemende mate te verschijnen. Als
deze zaden tenslotte talrijk worden, vindt er geografisch een scheiding
plaats; delen van de oude continenten worden onbewoonbaar, beginnen
uiteen te vallen of te verzinken. In het geval van het vijfde wortelras
was Centraal-Azië de bakermat voor diegenen die wegvluchtten voor
de verdorvenheid van de Atlantiërs. Daar genoot ons jonge ras zijn
gouden en zilveren tijdperk in een reeks van prachtige beschavingen.
Ons eigen wortelras gaat nu zijn kali-yuga of midden-periode in.
De waarschijnlijk belangrijkste gebeurtenis in de evolutie, voor zover
het de mensheid betreft, vond in het derde wortelras plaats en alle
religies van de wereld en historische legenden herinneren daaraan. Toen
het menselijk voertuig gereed was, ontwaakte het tot dan toe sluimerende
denkvermogen van de mens. De Grieken gaven dit als volgt weer: Prometheus
stal van de goden, ten behoeve van de mensheid, het vuur van het denken.
In het Verre Oosten wordt gezegd dat de ‘zonen van het denkvermogen’,
de manasaputras, in de mensheid incarneerden en op die manier in haar
het mentale leven en zelf-bewustzijn wekten, eigenschappen die de mens
onderscheiden van het dier. Deze verheven wezens waren in een vorige
kosmische cyclus het menselijke ontwikkelingsstadium gepasseerd en keerden
terug om het latente denkvermogen in de mens te ontsteken. De christelijke
mythologie herinnert hieraan in het verhaal van Lucifer, de lichtbrenger,
die aan de rechterhand van God zat en verstoten werd om zich naar de
Tuin van Eden te begeven: Lucifer, de christelijke Prometheus, die vermomd
als slang Eva verleidde met de vrucht van de Boom van Kennis van Goed
en Kwaad. Vanaf die tijd beschikte de mensheid over het vermogen te
kiezen; ze kon op een veel krachtiger manier dan voorheen karma zaaien
en oogsten. Er was niet langer plaats voor een Eden of een idyllisch
en verstandeloos leven, want de mensheid had nu een zelfbewust denkvermogen.
Het is interessant dat de antropoloog Loren Eiseley, toen hij door
een museum wandelde waarin de veronderstelde menselijke voorvaderen
stonden afgebeeld, zich enorm teleurgesteld voelde. Er moest volgens
hem in de opeenvolgende reeks een plotselinge mutatie van de hersenen
hebben plaatsgevonden – het ene moment een hoger zoogdier en in
het volgende een denkende mens. Alfred Russel Wallace was van mening
dat de evolutie van de mens niet zozeer het lichaam dan wel de geest
betrof; onze evolutie vond voornamelijk in het denkvermogen plaats en
in het voertuig daarvan, de hersenen. Wallace geloofde ook dat er zonder
tussenkomst van hogere wezens geen evolutie mogelijk is.
In de gehele wereld bestaan er overleveringen over goddelijke leermeesters
die de vroege mensheid in kunsten en wetenschappen onderrichtten; dat
heeft, naast de incarnatie in de mens van zijn manasaputra of hoger
zelf, zekere spectaculaire fysiologische veranderingen teweeggebracht,
die de mens van alle andere zoogdieren onderscheiden. Dit wordt bevestigd
door de embryologie, want de hersenen van de mens verdrievoudigen in
omvang in het eerste jaar na de geboorte, iets waarin geen ander zoogdier
slaagt. We zien hier dat de fysiologie de geschiedenis van de mens bevestigt,
en hoe de oude mythen een basis blijken te hebben in wetenschappelijke
feiten.
Een van de magnifieke prestaties van De geheime leer is dat
Blavatsky niet alleen in algemeenheden praat, maar belangrijke geschriften
en auteurs uit alle tijden aanhaalt – uit het Oosten, Midden-Oosten
en Westen, oude en moderne – om bij het ontwikkelen van haar thema,
stap voor stap, te illustreren wat de grootste denkers van het menselijk
ras over de punten die ze op dat moment bespreekt hebben gezegd. De
twee delen bevatten citaten ontleend aan ongeveer 1200 auteurs en geschriften,
waarvan sommige vele malen worden aangehaald. Veel mensen die deze verwijzingen
hebben onderzocht, beseffen dat hoewel ze bepaalde passages hebben gelezen
en herlezen, ze pas wanneer Blavatsky haar doordringende licht erop
doet schijnen, misschien voor het eerst, de werkelijke betekenis ervan
kunnen zien. Dit geldt in het bijzonder voor teksten uit oude tijden,
die vaak fragmentarisch en in hoge mate symbolisch zijn. Als we daarin
over de grote gebeurtenissen van het ontstaan van de kosmos en van de
evolutie lezen, merken we op hoe nauw ze met elkaar overeenstemmen.
Blavatsky hield vol dat deze ideeën niet van haar zelf waren,
maar haar eenvoudigweg waren geleerd. Ze maakte nooit ergens aanspraak
op, behalve op kennis van de beginselen van de oude wijsheid zoals die
door de tijden heen bekend waren en werden onderwezen. Dit
is echter de door alles lopende rode draad; zonder die zouden alle citaten
ter wereld doelloos en misleidend zijn. Omdat in haar denken de esoterische
filosofie op de voorgrond stond, kon zij een boek als De geheime
leer voortbrengen en de literatuur van de wereld selecteren om
de tijdloze universaliteit ervan te verduidelijken. De geheime leer
is een geweldig creatieve prestatie. De inhoud van deze delen bestaat
uit een gedeelte van de oude wijsheid, puur en ontdaan van ongerechtigheden.
Het heelal omringt ons aan alle kanten. Het werd geboren zoals wij
werden geboren, heeft zijn leven, en zal op een dag, net als wij, sterven
om, na verloop van een kosmische tijdsperiode, tot wedergeboorte over
te gaan. Het heeft daarom een verleden en een bestemming die uitgaan
boven wat we nu zien en onderzoeken; en hetzelfde geldt voor de mensheid.
Wat is de relatie tussen de mens, de microkosmos, en de alomvattende
kosmos? Dit is in het kort De geheime leer.