Intuïtie
Ruth K. Harrison

 

Intelligentie bij mensen is het vermogen om te combineren, te kiezen, te analyseren, te generaliseren en verbanden te leggen. Voorwerpen die buiten ons zijn maken een indruk op onze geest, die impulsen afgeeft aan ons hele stoffelijke lichaam, en die worden op hun beurt omgezet in beelden en handelingen. Een ander aspect van intelligentie is niet afhankelijk van voorwerpen die zijn waargenomen, maar eerder, zoals Plato het omschreef, ‘als een vlam die is aangestoken door een rondvliegende vonk, plotseling opflitst in de ziel, en onmiddellijk een eigen bestaan heeft’. Men kan zeggen dat het vermogen tot objectief waarnemen ons zien hindert, omdat we geneigd zijn de dingen door de lens van onze emotionele natuur te zien. Steeds meer worden we ons ervan bewust dat we de dingen niet zien zoals ze zijn – we zien de dingen zoals wij zijn.
    In de twintigste eeuw heeft men nieuwe benaderingen en nieuwe alternatieven bedacht om onze sociale en psychische positie te bepalen. De taal waarin we de indrukken van de zintuigen tot uitdrukking brengen vervangt de taal van het dogma, en daardoor beginnen we meer positief te reageren op wat buiten het zuiver intellectuele ligt. De beperkingen van de pragmatische wetenschap en rede zijn minder stringent geworden, en daardoor kunnen wetenschappers de esoterische aspecten van de natuur gaan onderzoeken. De grens die zich dan voordoet is niet langer ‘daar buiten’, maar is een grens van innerlijke ruimten geworden, innerlijke vermogens en bronnen.
    Als we ons bezighouden met een onzichtbare wereld van energie en trilling, gaat een heel nieuw onderzoeksterrein voor ons open in dit avontuurlijke Aquarische tijdperk. De polariteit tussen mystiek en wetenschap schijnt te zijn verzwakt, en een nieuwe richting naar meer subjectieve gewaarwording stelt ons in staat het verband tussen intellect en intuïtie opnieuw te bekijken. Minder dan een eeuw geleden heersten de Newtoniaanse natuurkundigen over de wetenschappelijke gemeenschap, daarna verschoof de aandacht naar de natuurkunde van Einstein – een natuurkunde die leidde tot de huidige quantummechanica, subatomaire en multi-concentrische halostelsels, en nog verder tot zulke onwaarschijnlijke verschijnselen als worden getoond door de Kirlianfotografie en het onderzoek naar gevoelens bij planten. De horizon van onze visie heeft zich uitgebreid tot een punt waar de rede en de logica iets van hun goddelijke gloed hebben verloren.
    De intuïtie is lang beschouwd als een lager vermogen, maar trekt nu serieus de aandacht zoals blijkt uit het huidige onderzoek naar de manier waarop ze werkt en het algemene terrein van haar invloed op de menselijke natuur. Eén eigenschap die de intuïtie onderscheidt van een ingeving of gissing is haar onmiddellijke resultaat – een weten dat de gebruikelijke processen van het verstandelijk bevatten te boven gaat zoals door gevolgtrekking, deductie, inductie en vergelijking. Dit is een fascinerend verschijnsel en duidt erop dat er een bron van informatie bestaat, een niet afgetapt reservoir van wijsheid, onafhankelijk van de gewone kenprocessen en werkzaam op elke leeftijd bij zowel hen die hebben gestudeerd als bij mensen zonder opleiding.
    De grote vraag is of we dit intuïtieve vermogen kunnen ontwikkelen. Is het mogelijk de werkelijkheid te kennen zonder onze waarnemingen te verdraaien als gevolg van vooroordeel, dogma of voorgeschreven culturele conditionering? De teksten van de oude wijsheid leren dat de intuïtie een natuurlijke eigenschap is, hoewel een bijna verloren talent, en een die we maar beter kunnen ontwikkelen als we enkele van de problemen van deze moeilijke tijden willen oplossen.
    Diogenes van Apollonia stelde materie gelijk met energie. Volgens het beginsel dat ‘iets niet kan voortkomen uit niets’, stelde hij dat, omdat intelligentie in alles bestaat, alles in het heelal een uitdrukking moet zijn van groots kosmisch denken. Hermes Trismegistus verklaarde dat ‘het denken eerder bestond dan de oceanen’, en dat ‘alle dingen in alle dingen bestaan’, zonder begin of eind. Zo boven, zo beneden!
    De natuurkundigen van de 20ste eeuw zien ons heelal als een verdichting van energie die verandert in waterstof en water. Ze ontdekten dat in hoge mate versnelde deeltjes die botsen verdwijnen in zuivere wolken van energie waaruit een nieuw deeltje tevoorschijn komt. Ze zagen dat niets op het moment van de botsing iets volkomen nieuws voortbrengt. Daaruit volgt dat deze deeltjes zowel voor als na de botsing bestaan, wat erop wijst dat er evenveel intelligentie in een mosterdzaadje moet zijn als in een menselijke molecule, en dat die aan beide voorafgaat. Dit duidt er verder op dat we inderdaad replica’s in het klein zijn van ons eigen heelal, en dat onze zeven beginselen als bouwstenen kopieën zijn van dezelfde beginselen die in de kosmos heersen.
    Men moet onderscheid maken tussen geweten en intuïtie, want geweten is volkomen persoonlijk in het individu en varieert in graad van intensiteit en herkenning, terwijl intuïtie geheel onpersoonlijk is, precies, en altijd onmiddellijk tot uitdrukking brengt wat waar is. Geweten doet zich voelen in relaties en door een proces van het vergelijken en tegenover elkaar stellen van waarden, terwijl de intuïtie oneindig is, onpersoonlijk, onfeilbaar, en voortkomt uit een gemeenschappelijk gedeelde kosmische wijsheid. In Exploring Intuition: Prospects and Possibilities, schreef F.V. Clark:

    Intuïtieve ervaring omvat de ervaring van de hoogste werkelijkheid waarin alle voorwerpen en processen één zijn. Intuïtieve ervaring van religieuze aard levert geen kennis van feiten op. Het is een ervaring van een andere dimensie van de werkelijkheid die als fundamenteler wordt gezien, krachtiger en werkelijker dan de alledaagse wereld van gewone ervaringen. De intensiteit van die werkelijkheid kan alleen tot uitdrukking worden gebracht in metaforen, en kan worden vergeleken met een tweedimensionale werkelijkheid zoals een berg wordt vergeleken met een tweedimensionale afbeelding van een berg.

    Als we de grote spirituele teksten van het verleden bestuderen, ontdekken we dat ze beweren dat we onze intuïtieve vermogens kunnen versterken door eerst erin te vertrouwen, en door een bereidheid te ontwikkelen te luisteren naar die innerlijke stem. Zo’n poging leidt ertoe dat we nutteloze bezigheden en handelingen staken en in plaats daarvan aandacht schenken aan die flitsen van intuïtie die ‘plotseling opwellen in de ziel’ uit een gebied waar onfeilbaar wordt gekozen, en daardoor in staat zijn de werkelijkheid direct te kennen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency