Als we een stoffelijk voorwerp nemen, zoals een brood, en het steeds
weer in tweeën snijden, zullen we dan ooit een fundamentele bouwsteen
van de materie bereiken die niet verder kan worden gedeeld? Deze vraag
heeft wetenschappers en filosofen al duizenden jaren beziggehouden.
In de vijfde eeuw v.Chr. gebruikten de Griekse filosoof Leucippus en
zijn leerling Democritus het woord atomos (letterlijk ‘onsnijdbaar’)
om het kleinste afzonderlijke stuk materie aan te duiden, en stelden
voor dat de wereld uit niets dan bewegende atomen bestaat. Deze vroege
atoomtheorie onderscheidde zich van latere versies doordat ze het idee
bevatte van een menselijke ziel samengesteld uit meer verfijnde atomen
die door het hele lichaam waren verspreid.
De atoomtheorie raakte in de Middeleeuwen in verval, maar kwam aan
het begin van de wetenschappelijke revolutie in de zeventiende eeuw
weer tot leven. Isaac Newton, bijvoorbeeld, geloofde dat de stof uit
‘vaste, massieve, harde, ondoordringbare, beweegbare deeltjes’
bestond. De atoomtheorie kwam vooral van de grond in de negentiende
eeuw met het idee dat ieder scheikundig element uit zijn eigen unieke
soort atomen bestond en dat alles uit combinaties van die atomen was
gemaakt. Aan het einde van de eeuw waren alle tweeënnegentig in
de natuur voorkomende elementen ontdekt, en de vooruitgang in de verschillende
takken van de natuurkunde deed het gevoel ontstaan dat de natuurkundigen
binnen afzienbare tijd niet veel meer te doen zouden hebben.
Deze illusie werd in 1897 verbrijzeld door de ontdekking van het elektron,
het eerste subatomaire deeltje: het ‘onsnijdbare’ was doorgesneden.
Dit werd gevolgd door de ontdekking van het proton in 1911 en het neutron
in 1932, de twee deeltjes die de atoomkern vormen. In de volgende decennia
begonnen subatomaire deeltjes zich als bacteriën te vermenigvuldigen
en nu zijn er meer dan 200 bekend. De meeste worden voortgebracht door
de energie die bij botsingsexperimenten in deeltjesversnellers vrijkomt,
en vervallen na een fractie van een seconde tot stabielere deeltjes.
Om te proberen wat orde te brengen in deze veelheid van deeltjes werd
het ‘standaardmodel’ ontwikkeld. Volgens dit model zijn
er twaalf fundamentele materiedeeltjes: zes leptonen, waarvan de belangrijkste
het elektron en zijn neutrino zijn; en zes quarks (omdat men zegt dat
quarks in drie ‘kleuren’ voorkomen, zijn er in werkelijkheid
18).1 Afzonderlijke quarks zijn nooit waargenomen
en men gelooft dat ze alleen in groepen van twee of drie kunnen bestaan
– zoals in het neutron en proton. Men denkt ook dat er tenminste
12 krachtdragende deeltjes zijn (waarvan er maar drie rechtstreeks zijn
waargenomen), die quarks en leptonen tot meer complexe vormen samenbinden.
Leptonen en quarks worden verondersteld structuurloze, oneindig kleine
deeltjes te zijn – de fundamentele bouwstenen van de stof. Maar
omdat oneindig kleine punten abstracties zijn en de voorwerpen die we
om ons heen zien natuurlijk niet uit abstracties zijn samengesteld,
is het standaardmodel zonder meer onbevredigend. Het is moeilijk te
begrijpen hoe een proton, met een meetbare straal van 10-13
cm, kan zijn samengesteld uit drie quarks zonder dimensie. En als het
elektron oneindig klein was, zou de elektromagnetische kracht die het
omringt een oneindig hoge energie hebben en zou het elektron daarom
een oneindige massa hebben. Dit is onzin, want een elektron heeft een
massa van 10-27 gram. Om deze lastige situatie
te omzeilen, passen natuurkundigen een wiskundige truc toe: ze trekken
eenvoudig de oneindigheden van hun vergelijkingen af en stellen de empirisch
bekende waarden ervoor in de plaats! ‘Om deze nog enigszins dubieuze
werkwijze fatsoenlijk te laten schijnen’, merkt de natuurkundige
Paul Davies op, ‘wordt ze opgesierd met een mooi klinkende naam
– hernormalisatie’.2 Als dit
wordt gedaan, kunnen de vergelijkingen worden gebruikt om buitengewoon
nauwkeurige voorspellingen te maken en de meeste natuurkundigen negeren
daarom graag het kennelijk gebrekkige begrip van puntdeeltjes.
De laatste theoretische mode in de deeltjesfysica staat bekend als
de snarentheorie (of supersnarentheorie). Volgens dit model zijn de
fundamentele bestanddelen van de stof in werkelijkheid eendimensionale
lussen – een miljardste van een biljoenste van een biljoenste
van een centimeter (10-33 cm) lang maar
zonder dikte – die trillen en kronkelen in 10 dimensies van de
tijdruimte, waarbij verschillende trillingswijzen met verschillende
soorten deeltjes overeenkomen. Men zegt dat we in de werkelijke wereld
maar drie ruimtedimensies zien, omdat de andere dimensies om onbekende
redenen ‘spontane verkleining’ hebben ondergaan en nu zo
klein zijn omgekruld dat ze niet zijn op te sporen. Omdat men denkt
dat snaren zo uiterst klein zijn, kunnen ze absoluut niet empirisch
worden aangetoond; het opwekken van de enorme energie die voor hun meting
nodig zijn, zou een deeltjesversneller met een lengte van 100 miljoen
miljoen kilometer vereisen.
De snarentheoretici hebben nu een eigenaardige abstracte symmetrie
(of een wiskundige truc) uitgedacht, bekend als dualiteit. Die heeft
ertoe bijgedragen enkele van de vele varianten van de theorie te verenigen
en tot de opvatting geleid dat snaren zowel enkelvoudig als samengesteld
zijn; ze zouden bestaan uit dezelfde deeltjes die ze voortbrengen! Een
van de theoretici riep uit: ‘Je krijgt de indruk van magie’.3
Hoewel sommige natuurkundigen geloven dat de snarentheorie in de niet
zo verre toekomst tot een ‘theorie van alles’ zou kunnen
leiden, hebben anderen in ondubbelzinnige bewoording uiting gegeven
aan hun verzet ertegen. Bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Sheldon Glashow
heeft haar met middeleeuwse theologie vergeleken, meer op geloof en
gedachtespinnerij gebaseerd dan op waarnemingen en proefnemingen, en
een andere Nobelprijswinnaar, wijlen Richard Feynman, deed ze botweg
af als ‘onzin’.4
Een alternatieve benadering die tegenwoordig door een klein aantal
natuurkundigen wordt onderzocht, is dat subatomaire deeltjes wervelingen
zijn in een onderliggende tussenstof – een oerfluïdum of
ether.5 De natuurkundige David Bohm beschouwde
‘elementaire’ deeltjes als complexe, betrekkelijk constante
vormen die door bewegingspatronen op een dieper, ‘impliciet’,
niveau van de werkelijkheid worden voortgebracht. Hij voegt eraan toe:
Men zou kunnen veronderstellen dat dit diepere bewegingsniveau
in nog kleinere deeltjes kan worden geanalyseerd, die misschien de
ultieme substantie van de hele werkelijkheid zijn. Maar het idee dat
alles een stroom is bestrijdt dit en gaat ervan uit dat elke beschrijfbare
gebeurtenis, entiteit, structuur, enz., een abstractie is van een
onbekende en ondefinieerbare totaliteit van stromende beweging.6
Recente experimenten met botsende deeltjes geven aanwijzingen dat quarks
wel interne structuur hebben en niet enkelvoudig zijn.7
In elektronen is nog geen interne structuur ontdekt, maar dit bewijst
alleen dat ze kleiner moeten zijn dan nu kan worden gemeten, niet dat
ze helemaal geen afmeting hebben. Bohm merkt op dat tussen de kleinste
in de natuurkunde nu meetbare afstand (10-16
cm) en de kleinste afstand waarin de actuele ideeën over tijdruimte
verondersteld worden nog betekenis te hebben (10-33
cm), een uitgestrekt schaalgebied ligt waarin zich een geweldige hoeveelheid
tot nu toe niet ontdekte structuur kan bevinden. Dit gebied is ruwweg
gelijk aan wat tussen onze eigen omvang en de bekende ‘elementaire’
deeltjes bestaat.8 10-33
cm wordt de Planck-lengte genoemd en de natuurkundigen denken dat de
structuur van de ruimte op die schaal een borrelend schuim van tijdruimte
belletjes wordt. Hoewel dit misschien de kleinste afstand is die voor
ons nog betekenis heeft, bestaat er geen reden aan te nemen
dat het ruimtebegrip daar voorbij volstrekt geen betekenis heeft. Zoals
Bohm zegt, is de Planck-lengte slechts een grens aan de toepasbaarheid
van onze gewone ideeën over tijd en ruimte en is het volkomen arbitrair
te veronderstellen dat er voorbij die grens helemaal niets is.9
In plaats van ons te brengen naar een ‘allerlaagste niveau’
van de werkelijkheid, brengt 10-33 cm ons
misschien slechts naar het onderste niveau van onze eigen stoffelijke
wereld.
In De Geheime Leer, die in 1888 verscheen, schrijft H.P. Blavatsky:
De hele wetenschap van het occultisme is gebouwd
op de leer van de bedrieglijke aard van de stof en op de oneindige
deelbaarheid van het atoom. Zij biedt eindeloze uitzichten op substantie,
die in elke mogelijke toestand van ijlheid wordt bezield door de goddelijke
adem van haar ziel, toestanden waarvan de meest geestelijk ingestelde
scheikundigen en natuurkundigen nog niet eens dromen.
– GL 1:572-3
Dit impliceert dat er een oneindig aantal toestanden van materie bestaat
en alle, behalve een paar, hebben trillingssnelheden buiten ons waarnemingsbereik.
En al de oneindige graden van stof kunnen worden beschouwd als verschillende
fasen van één universele goddelijke essentie van bewustzijn-leven-substantie.
Blavatsky verschaft een onweerstaanbaar argument voor de oneindige
deelbaarheid van de stof. Ze citeert Alexander Butlerov, een bekende
Russische scheikundige, die ook serieuze belangstelling toonde voor
spiritistische verschijnselen. Hij bekritiseerde de orthodoxe wetenschappelijke
opvatting van die tijd dat een atoom ondeelbaar en toch elastisch was,
en vond die tegenstrijdig:
Zonder elasticiteit zouden de atomen hun energie
niet kunnen laten blijken . . . [Maar] wat zijn de vereisten voor
het optreden van elasticiteit? Een elastische bal die een obstakel
raakt, wordt platgedrukt en trekt zich samen, en dit zou onmogelijk
zijn als deze bal niet uit deeltjes bestond, waarvan de relatieve
plaats op het moment van de botsing een tijdelijke verandering ondergaat.
Men kan in het algemeen zeggen: er is geen elasticiteit mogelijk zonder
verandering met betrekking tot de plaats van de samenstellende deeltjes
van een elastisch lichaam. Dit betekent dat het elastische lichaam
veranderlijk is en uit deeltjes bestaat; met andere woorden, dat elasticiteit
alleen betrekking kan hebben op lichamen die deelbaar
zijn.
Blavatsky merkt op:
Dit is voldoende om aan te tonen hoe absurd het gelijktijdig
aannemen van de ondeelbaarheid en van de elasticiteit van het atoom
is. Het atoom is elastisch, dus het is deelbaar
en moet uit deeltjes of uit sub-atomen bestaan. En deze sub-atomen?
Ze zijn òf onelastisch en hebben dan geen dynamische betekenis,
òf ze zijn ook elastisch en in dat geval zijn ze eveneens
onderhevig aan deelbaarheid. En zo ad infinitum. Maar oneindige
deelbaarheid van atomen lost de stof op in eenvoudige krachtcentra,
d.w.z. sluit de mogelijkheid uit om stof op te vatten als een objectieve
substantie. Deze vicieuze cirkel is het materialisme noodlottig.
– GL 1:572
Met andere woorden, alles wat absoluut ondeelbaar is – of we
het nu een deeltje materie of een quantum energie noemen – zou
geheel homogeen en onbuigzaam zijn. Maar hoe kan zoiets deelnemen aan
wissel-werkingen met andere stoffelijke entiteiten? Als we er een kracht
op toepassen, moet de kracht vervorming veroorzaken en worden over-gedragen
via de interne structuur van de entiteit. Maar als het echt homogeen
was, zou het geen interne structuur hebben, zou er geen vervorming optreden
en zou de toegepaste kracht onmiddellijk (oneindig snel) naar de andere
kant ervan moeten gaan. Omdat dit onmogelijk is, moet alles samengesteld
en deelbaar zijn. Men zou kunnen tegenwerpen dat het begrip elasticiteit
niet van toepassing is op deeltjes zoals de tegenwoordige wetenschap
ze opvat, die worden omschreven als vaag en schimmig, een ‘spookachtig
gewoel van halfvormen’,10 die alleen
met behulp van wiskundige abstracties kunnen worden begrepen. Maar dat
is slechts een uitvlucht. Die spookachtige entiteiten zijn òf
volkomen homogeen en niet vervormbaar, en in dat geval zijn ze zuivere
abstracties en bestaan alleen op papier, òf ze zijn niet-homogeen
en vervormbaar, en dan moeten ze deelbaar zijn.
Bohm vestigt er de aandacht op dat redeneringen over de vraag of de
stof fundamenteel discontinu of continu is, teruggaat tot de oude Grieken
en op het eerste gezicht lijken die twee gezichtspunten onverenigbaar.
Bij nader onderzoek lijkt het er echter op dat iedere
theorie over de continue aard van de stof eigenlijk kan worden gebaseerd
op een tegenovergestelde theorie die uitgaat van discontinue materie
die zo fijn is dat ze tot nu toe nog nooit haar ware aard heeft getoond.
Omgekeerd kan iedere theorie over de discontinue structuur van de
stof worden uitgelegd als het resultaat van de lokalisatie en de concentratie
van een continue achtergrond.11
We kunnen ons dus stoffelijke deeltjes voorstellen als concentraties
van een continue ether die eraan ten grondslag ligt. Maar de ether is
slechts relatief continu. Nader onderzoek zou aantonen dat ze eveneens
discontinu is en deze deeltjesachtige discontinuïteiten zouden
concentraties zijn van een dieperliggende, subtielere ether, die op
haar beurt relatief continu is, maar in werkelijkheid uit nog fijnere
deeltjes bestaat, die op hun beurt concentraties zijn van een nog subtielere
ether, en dat gaat eindeloos door. Als we dus van onze eigen afstandsschaal
tot voorbij de Planck-schaal naar het oneindig kleine gaan, is er geen
reden te veronderstellen dat ooit een absoluut onderste niveau van stof,
dat bestaat uit volkomen homogene deeltjes, wordt bereikt. Tussen de
beide ab-stracte grenzen van het oneindig grote en het oneindig kleine
bestaat een onbeperkt aantal concrete, eindige stelsels – atomen,
planeten, sterren, sterrenstelsels, enz. – en elk daarvan bestaat
op een hiërarchie van gebieden, van geestelijke tot stoffelijke;
en al de graden van substantie waardoor ze worden gevormd zijn samengesteld,
deelbaar en niet homogeen, al zijn de substanties op hogere gebieden
of subgebieden relatief meer homogeen dan die op lagere gebieden of
subgebieden.
Aan het begin van de eeuw werd het atoom gezien als een miniatuur zonnestelsel,
waarin de kern met de zon overeenkomt en de draaiende elektronen met
de planeten. Later werd deze opvatting verworpen toen bleek dat elektronen
geen vaste banen volgden, maar in een elektronenwolk rond de kern leken
te zijn ‘uitgesmeerd’. Veel natuurkundigen hebben de conclusie
getrokken dat de microscopische wereld totaal anders is dan de macroscopische
wereld: de subatomaire wereld is vaag, indeterministisch en heeft volgens
sommigen zelfs geen objectief bestaan als we haar niet waarnemen of
meten; kortom, ze is onze normale ervaring volkomen vreemd en kan met
de rede of logica niet worden begrepen.
Misschien was die conclusie echter overhaast en is er een eenvoudige
verklaring voor het ogenschijnlijk eigenaardige karakter van de quantumwereld,
een verklaring die verband houdt met de veel kleinere tijds- en afstandsschalen
waarop de dingen op het subatomaire niveau gebeuren. Men zegt dat een
elektron beweegt met 960 km per seconde, of 0,3% van de lichtsnelheid,
slechts 30 keer zo snel als de snelheid waarmee de aarde om de zon draait.
De baan van een elektron is echter zo uiterst klein dat een elektron
iedere seconde 4 miljoen miljard keer rond een atoomkern draait –
een onvoorstelbaar getal! Een aardjaar is gelijk aan één
wenteling om de zon en een elektron-‘jaar’ aan één
wenteling rond de atoomkern. Volgens de oude hindoe-chronologie duurt
het manvantara of het actieve leven van de aarde 4.320.000.000 jaar
en wordt deze gevolgd door een pralaya of rustperiode van dezelfde duur,
waarbij perioden van manvantara en pralaya elkaar eindeloos afwisselen.
Als we nu dezelfde cijfers toepassen op een elektron, zou dit betekenen
dat het manvantara van een elektron ongeveer een miljoenste seconde
duurt, waarna het weer een miljoenste seconde van ons gebied verdwijnt
voor het zich weer belichaamt. In één seconde van ons
zou het zich bijna een half miljoen keer wederbelichamen!
Als de aarde zich even vaak zou belichamen als het elektron in één
seconde, dan zou ze haar baan om de zon meer dan 100 miljard biljoen
keer zo snel moeten doorlopen dan ze nu doet – zonder twijfel
zou alles dan nogal onduidelijk, vaag en ‘uitgesmeerd’ lijken!
Zoals G. de Purucker zegt, zijn de in de microscopische wereld opererende
krachten ‘zo uiterst klein en functioneren ze binnen zo’n
klein bereik en met zo’n snelheid, dat de details verbijsterend
en verwarrend zijn’.12 Alle eigenschappen,
bewegingen en wisselwerkingen van deeltjes zijn in zekere zin stroboscopische
illusies, veroorzaakt door de manier waarop onze eigen tijdsschaal
of bewustzijnssnelheid schakelt met de flikkerende herbelichamingen
van de subatomaire wereld; toch is de totale indruk ordelijk
en wetmatig, omdat het een uiting is van de fundamentele karmische wet
van harmonie. In zekere zin is het zelfs niet hetzelfde elektron dat
van het ene ogenblik tot het volgende een baan om de atoomkern beschrijft,
want ook zijn eigen grote aantallen samenstellende delen zullen zich
voortdurend ontlichamen en herbelichamen en hun eigen evolutionaire
reizen vervolgen. Het is duidelijk dat ieder model van subatomaire deeltjes
nooit meer dan een benadering van de eindeloze complexiteit van de werkelijkheid
kan zijn.
De analogie tussen een atoom en een zonnestelsel kan dus toch geldig
zijn. Misschien zijn er wezens op een elektron voor wie het elektron
er even vast, bestendig en rustig uitziet als onze eigen aarde voor
ons. En die wezens kunnen zijn samengesteld uit subatomaire deeltjes
die zich even vreemd schijnen te gedragen als onze eigen subatomaire
wereld. De aarde zelf kan slechts een elektron zijn in het lichaam van
een superkosmisch wezen, voor wie een seconde gelijkstaat met een miljoen
weder-belichamingen van de aarde, waarbij het zonnestelsel met een atoom
overeenkomt, een sterrenstelsel met een molecule, en ketens van sterrenstelsels
met macromoleculen. Zulke analogieën kunnen eindeloos worden uitgebreid
naar het oneindig kleine aan de ene kant van de schaal en het oneindig
grote aan de andere kant. Dit benadrukt de volstrekte relativiteit van
tijd en ruimte. In de oneindige natuur zijn er geen absoluten en geen
beperkingen – behalve de beperkingen die voortkomen uit ons eigen
beperkte inzicht.
Hoewel de details op ieder niveau van de werkelijkheid verschillen,
zijn de fundamentele structurele, geometrische en evolutionaire beginselen
dezelfde. Dit wordt weergegeven in de wet van analogie: zo boven, zo
beneden; iedere microkosmos weerspiegelt de grotere macrokosmos waar
hij deel van uitmaakt en hij is de macrokosmos voor zijn eigen samenstellende
microkosmossen. Met de woorden van H.P. Blavatsky:
Analogie is de leidende wet in de Natuur,
de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen
van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën.
– GL 2:171
Verwijzingen
- De aankondiging in april 1994 dat veelbelovende sporen
van de moeilijk te achterhalen ‘topquark’ eindelijk waren
gevonden, werd door natuurkundigen met vreugde begroet. Maar de ontdekking
een maand later in een andere deeltjesversneller van verder bewijs
voor een deeltje dat bekend staat als het ‘pomeron’ ontmoette
bijna totale onverschilligheid, omdat dit lastige deeltje in geen
enkele bestaande theorie past.
- P. Davies & J. Gribbin, The Matter Myth,
Simon & Schuster/Touchstone, 1992, blz. 244.
- Zie Scientific American, januari 1996, blz.
72-8.
- P.C.W. Davies & J. Brown (red.), Superstrings,
A Theory of Everything?, Cambridge University Press, 1988, blz.
180-4, 191, 192-8.
- Zie E. Lerner, The Big Bang Never Happened,
Vintage Books, 1992, blz. 369-72; M.B. Cooke, Einstein Doesn’t
Work Here Anymore, Marcus Books, 1983, blz. 1-39; C.F. Krafft,
Glimpses of the Unseen World (1956), BSRF herdruk, 1986;
C.F., Krafft, The Ether and its Vortices (1955), BSRF herdruk,
1987.
- Heelheid en de impliciete orde, Lemniscaat,
1980, blz. 57-8.
- Zie New Scientist, 17 februari 1996, blz.
17.
- D. Bohm & F.D. Peat, Science, Order &
Creativity, Bantam Books, 1987, blz. 94.
- Heelheid en de impliciete orde, blz. 134-5.
- The Matter Myth, blz. 141.
- Science, Order & Creativity, blz. 72-3.
- The Esoteric Tradition, Theosophical University
Press, 1973 (1935), blz. 854 vn.