Boekbespreking
Nancy Coker

Our Religions, Arvind Sharma (red.), Harper San Francisco, 1993, 548 blz., ISBN 0-06-067264-1, gebonden.


Our Religions (Onze religies) is een kennismaking met zeven religies door zeven autoriteiten, en werd mede ter gelegenheid van de viering van de honderdste verjaardag van het Wereldparlement van Religies in 1893, uitgebracht. Het is een compilatie van essays, die elk zijn geschreven door een academicus die over de scholastieke kwalificaties beschikt om over zijn eigen traditie te schrijven en ook om uit naam daarvan te spreken. Terwijl de meesten van ons slechts kunnen toezien als de gemeenschappen van de wereldreligies met elkaar twisten, vormt dit boek een unieke en waardige poging om de verdeelde partijen tenminste op papier bij elkaar te brengen.
    Om er de nadruk op te leggen dat iedere bijdrage is geschreven door een belijdende gelovige, begint het boek met deze uitspraak:

    Laten we nooit vergeten dat er geen andere religieuze werkelijkheid bestaat dan het geloof van de gelovige. Als we werkelijk religie willen begrijpen, moeten we exclusief verwijzen naar het getuigenis van de gelovige. Wat we vanuit onze opvatting denken over de aard of de waarde van andere religies, vormt een betrouwbare getuigenis van ons eigen geloof, of van ons eigen begrip van religieus geloof; maar als onze mening over een andere religie verschilt van de opvatting en het waardeoordeel van de gelovigen, dan spreken we niet langer over hun geloof. Dan zijn we afgeweken van de historische werkelijkheid, en zijn we alleen geïnteresseerd in onszelf.     – blz. viii

    Een prachtige gedachte, en een die waard is te onthouden, maar ze gaat voorbij aan een van de moeilijkheden die in het boek duidelijk wordt geïllustreerd – namelijk dat de gelovigen onderling van mening verschillen en wel in een vaste en voorspelbare mate, zodat het moeilijk is de gelovigen en de niet-gelovigen van elkaar te onderscheiden. Het is interessant erover te speculeren waar de schrijvers zelf staan. Ze noemen zichzelf gelovigen en ook zegsmensen, maar men kan zich afvragen of alle leden van hun geloof zouden bevestigen dat deze schrijvers namens hen spreken; en zo niet, hoeveel procent overeenstemming zou genoeg zijn?
    De religieuze leer, de geschiedenis, en de grote invloeden van hun geloof worden onderzocht, waarbij iedere schrijver een andere manier kiest om zijn presentatie in te delen. Bijvoorbeeld Tu Wei-ming liet de ontwikkeling van het confucianisme zien aan de hand van een chronologische discussie van de opvattingen van belangrijke religieuze denkers. De hindoeschrijver Arvind Sharma besprak zijn onderwerp van allerlei kanten, waarbij hij nu eens elementen met elkaar in verband bracht, en dan weer historische gebeurtenissen beschreef, of met gratie en zorg schijnbaar tegenstrijdige filosofieën vergeleek. Alle schrijvers probeerden de belangrijkste historische gebeurtenissen weer te geven zonder de essentie van hun traditie uit het oog te verliezen. Misschien omdat ze allen academici waren, ligt de nadruk op data en historische feiten – veel meer dan wat de gemiddelde mens in zich kan opnemen. En omdat er geen index is, hebben deze verwijzingen naar feiten veel minder waarde. Een overzicht, of een redactionele synthese, die de tegengestelde ideeën verbindt zou welkom zijn geweest; maar aan elke afdeling is een lijst van aanbevolen literatuur toegevoegd alsmede een omvangrijke hoeveelheid noten, zodat de geïnteresseerde lezer zijn research kan voortzetten.
    De essentie en het unieke karakter van elke religie vormt een deel van het geheim dat dit boek probeert te onthullen. Zoals boven gezegd, heeft ieder geloof een breed spectrum van leringen en van aanhangers die tegenstrijdige denkbeelden erop na houden: hindoeïsme bijvoorbeeld omvat zowel het pacifisme van Gandhi als het militarisme van zijn moordenaar. De taoïsten vallen uiteen in twee groepen: de filosofen die onverschillig zijn voor de dood en de religionisten die hard werken om fysieke onsterfelijkheid te bereiken; dus terwijl de taoïstische religie persoonlijke, sociale en politieke actie verkondigt, concentreren de taoïstische filosofen zich op het geestelijk transcenderen door niet-actie (wu-wei). De confucianisten zijn onderling verdeeld over de vraag of de essentiële natuur van de mens moreel verantwoordelijk is of niet (blz. 159), en islamieten over de vraag of hun wetboeken definitief zijn (soennieten) of opnieuw kunnen worden geformuleerd (sjiieten). Het jodendom werd omschreven als een familie nauw verwante religieuze stelsels omdat zelfs ‘joden het niet erover eens zijn wat het jodendom inhoudt’ (blz. 294). Er is eveneens weinig overeenstemming te vinden onder de christenen, want ons wordt verteld dat er meer dan 500 verschillende groeperingen zijn. Vooral door de grote diversiteit binnen elke religie is het moeilijk essentiële verschillen tussen hen te ontdekken.
    Als we deze zeven religies onderzoeken, wordt de indruk versterkt dat er in iedere cultuur maar heel weinig religieuze denkbeelden zijn die deze herontdekt en uniek noemt. Zoals is te verwachten groeit de tegenstand tegen denkbeelden en wordt de interpretatie van de oorspronkelijke geloofsopvattingen meer letterlijk of juist vrijer. Tradities hebben volgelingen die liever werken in de wereld en ook mensen die de afzondering verkiezen. Naast de brede verscheidenheid van overtuigingen binnen een religie op een bepaald moment, verandert de ideologie in de loop van de tijd. Er is een verandering in de nadruk van het ene tijdperk op het andere, zowel binnen een gegeven religie als tussen de religies. Zonder een speciale volgorde kan dit een verschuiving zijn van het filosofische naar het devotionele (of omgekeerd), van het devotionele naar het praktische, van het vereren van de stichter naar het vereren van het doel (de hemel, nirvana, enz.), tot het vereren van de lekengemeenschap zelf.
    Het overweldigende beeld dat wordt geschilderd is dat de religieuze boodschap voortdurend wordt herschapen of vernieuwd, zelfs zoveel dat, gegeven de geschiedenis van de ene religie vergeleken met die van een andere, de geloofsovertuigingen van de ene religie sterk lijken op die van een andere. Men krijgt het gevoel dat men hetzelfde verhaal zeven keer heeft gelezen. Misschien is dat niet verbazingwekkend als men in ogenschouw neemt dat de religies gedeeltelijk uit elkaar zijn voortgekomen, en gedeeltelijk door strijd met elkaar, en nauwelijks stilstaan om een unieke identiteit aan te nemen, en elkaar gedeeltelijk in zich opnemen. Boeddhisme en jaïnisme hebben hun wortels in het hindoeïsme maar werden er gedeeltelijk weer in opgenomen; het christendom kwam voort uit het jodendom; islam heeft zijn oorsprong in de joods-christelijke traditie, en alle drie delen geschriften.
    Al met al wordt voor elk van de religies een vage vorm zichtbaar, hoewel de beschrijvingen ervan elkaar in veel opzichten overlappen. De mensen in het oosten worden afgeschilderd als iets ruimer en vrijer in hun religieuze opvattingen dan westerlingen, want het is niet ongebruikelijk dat een meester van de ene traditie als gast doceert aan een andere school. Hoewel het taoïsme veel sekten kent, heeft één gevorderde meester, meester Lu, bijgedragen aan iedere belangrijke taoïstische school uit zijn tijd. In veel grotere mate dan de westerlingen had men in het oosten plaats voor verschillende religieuze opvattingen. Veel chinezen waren ruimdenkend genoeg om het taoïstische model te omarmen voorzover dat betrekking had op het gebied van de natuur, en het confucionistische model waar het het terrein van de mens betrof en het boeddhistische model als het ging om de bovennatuurlijke rijken. Ze noemden ze de drie Leringen, en hoewel ze misschien niet altijd 100% in harmonie naast elkaar hebben bestaan, hebben hun religieuze leiders ook nooit een inquisitie voortgebracht of zijn ze met kruistochten begonnen. Het is nog steeds de gewoonte van sommige boeddhisten om zich de leringen van één sekte eigen te maken en daarna verder te gaan naar een ander klooster om daar te studeren.
    In de geschiedenis van het boeddhisme, confucianisme en taoïsme ontbreekt het intense geweld dat men in de hindoe/islamitisch/ joods/christelijke conflicten in de wereld aantreft. Hoewel de schrijvers daarover niet speculeren, vraagt men zich af of dat te maken heeft met hun opvatting over de onderlinge afhankelijkheid van de dingen in het heelal, op basis waarvan een gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid ontstaat. De confucianen geloven in een wisselwerking tussen hemel en aarde, en onderwijzen dat het een kosmologische onderneming is om te leren mens te zijn, omdat alle dingen van elkaar afhankelijk zijn. Volgens Liu Xiaogan vormt de onderlinge afhankelijkheid ook een kernleer van de taoïstische filosofie, die leert dat alle dingen eenzelfde natuur delen en uiteindelijk in hun tegendeel overgaan. Volgens de boeddhistische leer van de onderlinge afhankelijkheid is er niet zoiets als gescheidenheid; er is geen afgescheiden zelf.
    Vanzelfsprekend heeft ieder geloof zijn eigen heilige kennis, maar het was interessant te ontdekken wat elk verder nog heilig achtte. Voor de confucianen is dat de seculiere wereld. Ze zien de mensheid als de ‘beschermers van de Weg omdat de waarden die nodig zijn om aan het transformatieproces van hemel en aarde mee te werken en het te voeden, inherent belichaamd zijn in de menselijke natuur’ (blz. 169). Dit is niet zoveel anders dan het joodse denkbeeld dat de schepping tot de perfecte staat kan worden teruggebracht door alles op zijn juiste plaats te zetten en te houden. Voor de oude joden was de heiligheid te vinden in hun tempel, en nu vindt men deze in hun gemeenschap en rituelen. Voor de boeddhisten is het heilige misschien te vinden in hun drievoudige toevlucht, de Boeddha, de Dharma (de leer) en de Sangha (gemeenschap). Harvey Cox schrijft dat deze voor de christenen God, Jezus en de Bijbel is, die in de islam op het eerste gezicht schijnt overeen te komen met God, de Profeet en de Koran. Maar het islamitische drietal omvat alles als goddelijk – ze hadden letterlijk geen apart woord voor het wereldlijke of profane. Op dezelfde manier hadden de taoïsten geen apart woord voor de term religie – ook zij vatten alles op als heilig en religieus. Later werden die termen gemaakt omdat ze voor vertalingen nodig waren.
    Het is niet verbazingwekkend te ontdekken dat de religies over de hele wereld mannelijke stichters hebben. Maar terwijl de volgelingen het eens zijn over hun identiteit, is er een onenigheid over hun betekenis en autoriteit. Noch het hindoeïsme noch het jodendom heeft één enkele historische grondlegger: beide kijken terug op hun profeten. Bovendien vertrouwen de hindoes op hun vedische geschriften die misschien meer dan 8.000 jaar oud zijn. De christenen zijn het erover eens dat Jezus de kern vormt van het christendom, maar zijn het niet eens over zijn status (vergeleken met Maria, God, en de lekengemeenschap) en zijn leringen. Taoïstische filosofen leggen de nadruk op de eenheid terwijl ze Lao-Tse vereren als de stichter van het taoïsme, verklaarden leden van de taoïstische religie hem tot een godheid (en gingen toen verder en ontdekten nog 400 godheden die ze in een hiërarchie met zeven gradaties onderbrachten). De islam ziet de Profeet als zijn grondlegger en is evenals het christendom en het jodendom monotheïstisch. Toch zijn er veel sekten van de drie monotheïstische religies die ook goddelijke boodschappers aannemen, engelen, heiligen, of profeten die helpen om de goddelijke wijsheid over te dragen en te interpreteren. De meeste boeddhisten zien geen God of goden, maar toch wijst Masao Abe erop dat hoewel hun huidige traditie teruggaat op Gautama, er vóór hem ook boeddha’s waren. Het confucianisme gaat terug tot K’ung-fu-tzu, en hoewel sommigen hem als een god hebben beschouwd, is de traditie meer humanistisch dan theïstisch. De moeder van hen allen, het hindoeïsme, omvat alle wegen – absolutistisch, theïstisch, en/of een activistische benadering, volledig afhankelijk van de behoeften en overtuigingen van de leerling.
    De religie met de alleraardigste namen is het taoïsme – twee sekten daarvan heten De Weg van Vijf Rijstkorrels en Doeltreffend Juweel. Het merkwaardigste feit was dat de snelst groeiende christelijke kerk de Pinksterbeweging is die vaak ten onrechte wordt beschouwd als fundamentalistisch. De twee religies met de grootste verscheidenheid schijnen het hindoeïsme en de islam te zijn, omdat ze beide een breed scala van benaderingen stimuleren en bekrachtigen. Het scheen dat Jacob Neusner de grootste moeite had om zijn religie te beschrijven. Misschien omdat de vervreemding zo’n belangrijk aspect vormt van het joodse karakter; het kost moeite enige gebieden van overeenkomst te vinden. In feite wordt een groot deel van zijn beschrijving van het jodendom in beslag genomen door het belang van hun anders zijn. De redacteur van het boek en de auteur van het deel over het hindoeïsme, Arvind Sharma, had een bijzonder kostelijke schrijfstijl en kon op de ene pagina Woody Allen citeren en de ‘henotheïstische bhakti’ op de volgende. Op dezelfde manier dat christenen geloven dat hun weg naar de hemel de enige is, geloven moslems volgens Seyyed Hosein Nasr dat islam de religie van de hele wereld zal worden. Het was bemoedigend te vernemen dat er een theosofische soefi-orde bestaat als deel van de islamitische traditie, die probeert de filosofie, de mystieke visie en de intuïtie van het intellect met elkaar in harmonie te brengen.
    Benader Our Religions alsof u van plan bent een studie vergelijkende religies te volgen. Het boek is niet gemakkelijk te lezen omdat de aard van de religieuze ervaring niet gemakkelijk is in te passen in een academische benadering, en van de lezer wordt gevraagd om even hard te werken als de schrijvers. Elke afdeling geeft een doeltreffend overzicht, maar het zal een vergissing zijn om alle afdelingen na elkaar van begin tot einde te lezen. Een goede manier om je religieuze belezenheid te vergroten zou zijn om het lezen van dit boek aan te vullen met het lezen van de heilige geschriften of liturgie van elk geloof.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency